25/1983 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 augustus 2025, 24/4780 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de hoogte van het dagloon voor de WIAuitkering van appellant per 21 juli 2022 correct heeft vastgesteld op € 98,58. Volgens appellant heeft het Uwv niet al het sv-loon in de berekening betrokken en had het Uwv moeten uitgaan van minder dagloondagen. De Raad volgt dit standpunt niet en oordeelt dat het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld en dat dit dagloon niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.H. de Corti hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 juli 2026. Voor appellant is mr. De Corti verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Bij besluit van 19 juni 2019 is appellant met ingang van 8 augustus 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het basisdagloon is vastgesteld op € 32,63. Na indexering en leeftijdsverhoging is het dagloon vastgesteld op € 64,94. De WIA-uitkering is per 12 mei 2021 beëindigd, omdat appellant bij werkgever [naam B.V.1] al een jaar lang meer dan 65% verdiende van het loon dat appellant verdiende voordat hij ziek werd. Vanaf 19 juli 2021 ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), waarbij het dagloon is vastgesteld op een bedrag van € 104,92.
Appellant is vervolgens vanaf 6 september 2021 zes maanden werkzaam geweest bij [naam B.V.2] ( [naam B.V.2] ). De WW-uitkering is beëindigd vanwege deze verdiensten. Vanaf 7 maart 2022 heeft appellant opnieuw een WWuitkering ontvangen, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 94,11.
Op 10 april 2024 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanaf 21 juli 2022. Bij besluit van 12 juni 2024, aangevuld bij besluit van 15 juli 2024, heeft het Uwv appellant met ingang van 21 juli 2022 een IVA-uitkering toegekend, waarbij het dagloon (na indexering) is vastgesteld op € 98,58. Gelet hierop heeft appellant nog recht op een uitkering over de periode van 21 juli 2022 tot en met 30 juni 2025 en krijgt hij een nabetaling.
Bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 12 juni 2024 en 15 juli 2024 ongegrond verklaard en de hoogte van het dagloon gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit het door het Uwv verstrekte overzicht blijkt dat in de referteperiode geen sprake was van loonloze tijdvakken, zodat het Uwv terecht het totale sv-loon heeft gedeeld door 261 dagen. Het beroep van appellant op de uitspraken van de Raad van 30 juli 20241 slaagt niet, omdat deze uitspraken betrekking hebben op de berekening van het dagloon op grond van de Wet WIA als de betrokkene in het refertejaar een periode of meerdere periodes geen loon heeft ontvangen (loonloos tijdvak). Het Uwv heeft alsnog een WWuitkering toegerekend aan de referteperiode en daarmee op juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraken van de Raad van 30 juli 2024. Het standpunt van appellant dat de wettelijke regels over de berekening van het WIA-dagloon buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met het verbod op discriminatie op grond van ziekte of gebrek heeft de rechtbank niet gevolgd. Verder heeft de rechtbank overwogen dat in de situatie van appellant de toepasselijke bepalingen met zich brengen dat het dagloon wordt gebaseerd op onder meer het aantal uren dat appellant heeft gewerkt, waarbij er ook dagen zijn dat er geen loon is genoten, maar dit is in overeenstemming met zijn verzekerde risico. Appellant heeft niet onderbouwd dat in zijn situatie sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Dat appellant inmiddels volledig arbeidsongeschikt is en niet meer kan werken, kan ook niet leiden tot een andere conclusie, omdat het verzekerd risico ziet op de periode voordat appellant ziek werd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn grond dat gelet op de uitspraak van de Raad van 4 september 20242 de twee periodes in de referteperiode waarin hij werkloos was, meegenomen moeten worden bij de berekening en vaststelling van het WIA-dagloon door verhoging van het genoten inkomen in de WIA-referteperiode. Verder heeft appellant benadrukt dat in zijn situatie sprake is van meerdere kalendermaanden in de referteperiode waarin hij weinig dagen heeft gewerkt, wat een direct gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid. Volgens hem moet artikel 16 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) buiten toepassing blijven wegens strijd met het verbod van discriminatie. Volgens appellant vormt zijn aanhoudende gezondheidsproblematiek een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de dagloonbepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten. Verder heeft appellant nog aangevoerd dat het Uwv volgens hem met het besluit van 12 juni 2024 een fout heeft gecorrigeerd en hij als gevolg van deze fout is geconfronteerd met een naheffing van de Belastingdienst.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van het dagloon in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het standpunt van appellant dat er tijdvakken in de referteperiode zijn waarover het WW-loon niet is meegenomen, wordt niet gevolgd. Uit het dagloonrapport en het overzicht van betalingen, zoals opgenomen in het verweerschrift in beroep, blijkt dat de WWbetalingen weliswaar een maand later dan de maand waarop de uitkering betrekking heeft maar – met uitzondering van de maand juni 2022 – binnen de referteperiode hebben plaatsgevonden en volledig zijn meegenomen voor de berekening van het dagloon. Ook blijkt hieruit dat er geen tijdvak is dat als gevolg van een late WW-betaling een loonloos tijdvak zou hebben opgeleverd. Het Uwv heeft verder op juiste wijze toepassing gegeven aan de rechtspraak van de Raad over artikel 33 van de WW3 door de WW-uitkering die betrekking heeft op juni 2022, maar is uitbetaald in juli 2022 (dat wil zeggen: buiten de referteperiode) meegenomen in de dagloonberekening voor de WIA-uitkering. Met deze wijze waarop het Uwv de latere betaling van de WW-uitkering over juni 2022 heeft gecompenseerd in het sv-loon is appellant niet te kort gedaan.
Het Uwv is ook terecht uitgegaan van 261 dagloondagen. In artikel 1 van het Dagloonbesluit is gedefinieerd wat onder een aangiftetijdvak wordt verstaan. Het is een bewuste keuze geweest van de regelgever om voor de berekening van het dagloon voor de sociale verzekeringswetten uit te gaan van het aantal dagloondagen, berekend aan de hand van artikel 1, tweede lid, van het Dagloonbesluit, en niet van het aantal gewerkte dagen. Inherent aan deze keuze is dat werknemers die slechts enkele dagen in een bepaalde maand hebben gewerkt nadelige financiële gevolgen ondervinden, omdat alle dagloondagen worden meegenomen bij de vaststelling van het dagloon.4
Appellant heeft zijn stelling dat de dagloonbepalingen een discriminerend effect hebben niet nader kunnen toelichten anders dan dat in de referteperiode periodes zitten, waarin hij minder heeft gewerkt dan als hij volledig gezond zou zijn geweest. Appellant heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het Uwv in het kader van het evenredigheidsbeginsel van minder dagloondagen had moeten uitgaan omdat hij als gevolg van zijn gezondheidsproblematiek minder heeft kunnen werken dan als hij gezond was. De Raad begrijpt dit als een betoog dat in het geval van appellant artikel 13 en/of artikel 16 van het Dagloonbesluit buiten toepassing moet worden gelaten.
Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt, dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van een onevenredig nadeel.5 De door appellant gestelde omstandigheden leiden in dit geval niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor hem een onevenredig nadeel oplevert. Daarvoor is het volgende van belang.
Uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit volgt dat het loon dat is genoten tijdens de referteperiode bepalend is voor de vaststelling van het dagloon. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode, het zogenoemde historisch dagloon. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is hieraan inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en heeft daarbij geen onderscheid gemaakt naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen.6 De wijze waarop het dagloon wordt berekend, staat los van het arbeidsverleden en het daarin verdiende inkomen; het gaat erom wat in de referteperiode is genoten.
Omtrent de stelling van appellant dat de hoogte van het WIA-dagloon mogelijk in negatieve zin wordt bepaald doordat hij in de referteperiode minder uren heeft gewerkt dan hij wellicht zou hebben gedaan als hij volledig gezond zou zijn geweest overweegt de Raad als volgt. Gebleken is dat appellant in de referteperiode in november 2021 en januari 2022 minder loon heeft ontvangen bij [naam B.V.2] vanwege ziekte. Uit de dagloonberekening in het dagloonrapport blijkt echter dat het Uwv – anders dan de rechtbank in overweging 7.3 heeft overwogen dat artikel 17 van het Dagloonbesluit niet van toepassing is op de situatie van appellant – met toepassing van artikel 17 van het Dagloonbesluit voor deze maanden is uitgegaan van het loon in het voorafgaande tijdvak. Verder volgt uit het overzicht van het arbeidsverleden dat het aantal door appellant gewerkte uren in de referteperiode niet in negatieve zin afwijkt van de jaren voor de referteperiode. Nog daargelaten dat niet kan worden vastgesteld dat, en zo ja in hoeverre en waardoor, appellant in de referteperiode minder heeft kunnen werken, is dit een effect waarvan de regelgever zich bewust is geweest. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het Dagloonbesluit leidt tot een onevenredige uitkomst.
De omstandigheid dat appellant zeer waarschijnlijk vanwege zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid niet meer in staat zal zijn te werken en aldus zijn inkomen aan te vullen, maakt dat niet anders. Dit is een omstandigheid die – ondanks uiteenlopende persoonlijke situaties – ook voor andere IVA-gerechtigden geldt en daarom geen bijzondere omstandigheid om in afwijking van de regels van het Dagloonbesluit tot een hoger dagloon te komen.
Ook de omstandigheid dat appellant fiscale schade heeft geleden als gevolg van de nabetaling van de uitkering leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een onevenredige uitkomst. Het gaat om een eenmalig effect dat mede is veroorzaakt door het feit dat appellant zich in april 2024 met ingang van 21 juli 2022 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld. Voor zover appellant meent dat de toekenning met terugwerkende kracht aan het Uwv moet worden toegerekend, en hij daarvoor moet worden gecompenseerd, ligt het op zijn weg om een verzoek te doen tot vergoeding van de fiscale schade. Op zitting heeft appellant verklaard dat hij hier niet om heeft verzocht.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat vaststelling van het dagloon in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet WIA
Artikel 13. Dagloon en maandloon
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
2. In afwijking van het eerste lid wordt in het in artikel 21 bedoelde geval het dagloon op de daar genoemde wijze vastgesteld.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
4. Het maandloon bedraagt:
a. indien recht op een uitkering bestaat over een volledige kalendermaand: 21,75 maal het dagloon; of
b. indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering bestaat: de uitkomst van het aantal dagen in de betreffende kalendermaand waarover recht op een uitkering bestaat gedeeld door het totaal aantal dagen in de betreffende kalendermaand vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon. Bij het bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen buiten beschouwing gelaten.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Artikel 1. Definities
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. aangiftetijdvak: het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft danwel, indien de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald van één maand of vier weken of herleid tot één maand of vier weken
(…)
2. Voor de toepassing van dit besluit is maandag de eerste dag van de kalenderweek en zijn de eerste vijf dagen van de kalenderweek dagloondagen.
Artikel 13. Referteperiode voor Wet WIA en WAO
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.2. Indien artikel 40, eerste lid, van de WAO van toepassing is, is artikel 40, tweede lid, van de WAO van overeenkomstige toepassing.
3. De referteperiode eindigt, indien de aanspraak op uitkering berust op artikel 10 van de Wet WIA of op artikel 17 van de WAO, in afwijking van het eerste lid, op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de verzekering is geëindigd.
Artikel 16. WIA-en WAO-dagloon
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:(A – B + C) / Dwaarbij:A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; enD staat voor 261.2. In een gebroken aangiftetijdvak worden de factoren A, B en C berekend door het loon, de vakantiebijslag of de bedragen voor opbouw of opname van een arbeidsvoorwaardenbedrag in dat tijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z waarbij:Z staat voor het aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak binnen de dienstbetrekking of de uitkeringsverhouding; enY staat voor het aantal dagloondagen van Z dat binnen de referteperiode valt. Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.3. Indien het loon in de referteperiode geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit een uitkering wordt voor de toepassing van het eerste lid het bedrag van de uitkering gesteld op de uitkomst van de volgende berekening:((100 x E) / F)waarbij:E staat voor de uitkering; enF staat voor:a. 70, dan welb. indien het uitkeringspercentage op grond van de ZW, de WAO, hoofdstuk 6 van de Wet WIA of van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo hoger is dan 70, het uitkeringspercentage waarnaar de uitkering is berekend; ofc.100, indien artikel 53 of 63 van de Wet WIA van toepassing is, dan weld.indien de teller van de factor, bedoeld in artikel 53 of 63 van de Wet WIA lager is, de waarde van die teller.4. Voor zover het derde lid van toepassing is, wordt voor de toepassing van het eerste lid, het bedrag van de vakantiebijslag behorende bij de uitkeringen bedoeld in het derde lid, gesteld op de uitkomst van de volgende berekening:(100 x G) / Hwaarbij:G staat voor de vakantiebijslag die in het in aanmerking te nemen tijdvak is genoten; enH gelijk is aan de factor F, bedoeld in het derde lid.5. Indien een dienstbetrekking is geëindigd door wederzijds goedvinden van partijen, of opzegging, zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn, wordt voor de toepassing van het eerste lid factor D verminderd met het aantal dagloondagen gedurende de periode tussen de laatste dag van die dienstbetrekking en de dag waarop de rechtens geldende opzegtermijn eindigt, voor zover die periode in de referteperiode ligt en worden de factoren A, B en C verminderd met al het loon genoten in de aangiftetijdvakken die volledig liggen binnen die periode.