ECLI:NL:RBOVE:2026:5886

Datum uitspraak
22-09-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12035911
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser is koper van een paard en stelt dat het paard non-conform is. Vordering tot betaling van de waarde dat het paard volgens eiser zou hebben op grond van vermindering van de koopprijs, partiële ontbinding met wijziging van de koopovereenkomst, schadevergoeding en tot slot dwaling, slaagt niet. Gedaagde (verkoper) heeft namelijk voldoende aangetoond dat het paard voldoet aan het doel dat eiser met het paard voor ogen heeft.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12035911 \ CV EXPL 25-4180

Vonnis van 22 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

uit [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. J. Peute,

tegen

[gedaagde] ,

uit [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. C. Dost.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties van 9 december 2025;

  • de conclusie van antwoord met producties;

  • de producties 16-24 van [eiser];

  • de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026, waarop mr. Peute spreekaantekeningen heeft overgelegd en heeft voorgedragen;

  • de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt van wat er verder is besproken op de mondelinge behandeling.

1.2

[eiser] heeft aan het einde van de mondelinge behandeling haar verhaal, dat zij op papier heeft gezet, voorgelezen en overgelegd. De kantonrechter heeft dit aan het dossier toegevoegd.

1.3

Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat zij vandaag uitspraak zal doen.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

Op 4 maart 2024 heeft [eiser] de merrie [naam 1] voor € 15.000,00 van [gedaagde] gekocht. [eiser] stelt dat zij [naam 1] als dressuursportpaard heeft gekocht, maar dat [naam 1] door gebreken daar niet geschikt voor blijkt te zijn. Dat maakt volgens [eiser] dat [naam 1] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, met als gevolg dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor hem voortvloeien uit de koopovereenkomst. [eiser] vordert daarom veroordeling van [gedaagde] tot (terug)betaling van een bedrag van € 12.275,00.

2.2

Aan haar vordering legt [eiser] primair artikel 7:22 BW ten grondslag, op grond waarvan de koopprijs kan worden verminderd in evenredigheid met de afwijking van wat er is overeengekomen. Subsidiair beroept zij zich op partiële ontbinding van de koopovereenkomst zoals bepaald in artikel 6:265 en 6:270 BW. Meer subsidiair doet [eiser] een beroep op de schadevergoedingsplicht van artikel 6:74 BW. Meest subsidiair beroept [eiser] zich op dwaling, waarbij zij in plaats van vernietiging, de koopovereenkomst wenst te wijzigen in de zin van artikel 6:228 BW en 6:230 BW. [eiser] vordert ook € 1.873,37 aan dierenarts-, taxateur-, hoefsmid- en overige behandelkosten als ook de wettelijke rente. Tot slot vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

2.3

[gedaagde] is het niet met de vorderingen eens. Volgens [gedaagde] voldoet [naam 1] aan de koopovereenkomst. Daarom vraagt [gedaagde] de kantonrechter om de vorderingen af te wijzen en [eiser] te veroordelen in de proceskosten.

2.4

De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.

3 De beoordeling

Consumentenkoop

3.1

De kantonrechter stelt allereerst vast dat [eiser] bij de koop van [naam 1] in privé heeft gehandeld en [gedaagde] bedrijfsmatig heeft gehandeld. Dat betekent dat de koopovereenkomst die partijen op 4 maart 2024 hebben gesloten, wordt gekwalificeerd als een consumentenkoop (artikel 7:5 BW). Een consumentenkoop brengt met zich dat er specifieke wettelijke bepalingen gelden.

3.2

[eiser] stelt dat [naam 1] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, met andere woorden, dat [naam 1] non-conform is. Volgens de wet is sprake van non-conformiteit als [naam 1], gelet op haar aard en de mededelingen van [gedaagde] over [naam 1], niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. Volgens de wet mag [eiser] verwachten dat [naam 1] de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik nodig zijn en waarvan zij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen, en ook de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de koopovereenkomst is voorzien (artikel 7:17 BW).

3.3

In beginsel moet [eiser] als koper aantonen dat [naam 1] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, maar om een consument te beschermen, kent de wet bij een consumentenkoop een bijzondere regel. Op grond van die regel, wordt vermoed dat [naam 1] al bij aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, als zich binnen één jaar na die aflevering een gebrek openbaart, tenzij [gedaagde] als verkoper anders aantoont of de aard van de afwijking of de aard van [naam 1] zich tegen dit vermoeden verzet (artikel 7:18a lid 2 BW).

[naam 1] voldoet aan de koopovereenkomst

3.4

[eiser] stelt dat zij vanaf het eerste gesprek met de echtgenote van [gedaagde], waarin [eiser] vertelde dat zij [naam 1] graag wilde kopen, ook heeft verteld dat zij van [naam 1] een dressuursportpaard wilde maken. Op een geven moment merkte [eiser] dat [naam 1] niet goed liep en dat heeft ertoe geleid dat [eiser] [naam 1] in januari 2025 echografisch heeft laten onderzoeken. Uit het onderzoeksrapport, dat [eiser] heeft overgelegd, volgt dat [naam 1] oud letsel heeft. [eiser] stelt dat er vervolgens andere problemen bij [naam 1] zijn geconstateerd, zoals hoefbevangenheid. Bovendien blijkt uit röntgenonderzoek dat door [gedaagde] in augustus 2023 is uitgevoerd dat sprake is van artrose in graad 2, kissing spines met een score van 2/7 op de schaal van Zimmerman en dat [naam 1] een fragment ter hoogte van de dorsoproximale rand P1 heeft. [eiser] stelt dat dit gebreken zijn waardoor [naam 1] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de constateringen het gebruik van [naam 1] als dressuursportpaard zoals [eiser] dat voor ogen had, niet in de weg staan.

Het oude letsel

3.5

Tussen partijen staat niet ter discussie dat sprake is van oud letsel en dat [eiser] dit binnen één jaar na de aflevering van [naam 1] heeft ontdekt. Maar naar het oordeel van de kantonrechter gaat het bewijsvermoeden dat [naam 1] daardoor ook al bij aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde, in dit geval niet op. [gedaagde] heeft namelijk een verklaring van zijn dierenarts, de heer Wichers, overgelegd. De heer Wichers verklaart:

“Bij ouder moet je dan bedenken dat het letsel langer dan 14 dagen aanwezig is. Na 3 maanden is niet meer te beoordelen hoe lang dit letsel werkelijk aanwezig is. […] Dit alles overziende moet dit paard een ernstig ( plotseling ) trauma opgelopen hebben wat zeker tijdelijk tot ernstige kreupelheidsproblemen moet hebben gegeven, hetgeen niet door de verzorger over het hoofd kan worden gezien. [[naam 1]] heeft in november 2023 nog een zeer goede EPTM ( Eigen Prestatie Toets Merrie ) afgelegd met 7 ½ als gemiddeld cijfer en voor de draf zelfs een 8. Het is niet voorstelbaar dat [[naam 1]] tijdens deze test lichamelijk ongemak heeft gehad gezien de cijfers.”

3.6

Met deze verklaring heeft [gedaagde] het bewijsvermoeden voldoende weerlegd. [eiser] heeft haar stelling dat het oude letsel bij [gedaagde] is veroorzaakt en dus aanwezig was op het moment van de koop, vervolgens onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat [eiser] er niet in is geslaagd om aan te tonen dat [naam 1] vanwege het oude letsel niet aan de koopovereenkomst beantwoordt.

Het fragment, de kissing spines en de artrose

3.7

Ten aanzien van het hiervoor genoemde fragment, de kissing spines en de artrose staat wel vast dat hiervan sprake was op het moment van de koop. Dit alles is immers geconstateerd bij het röntgenonderzoek in augustus 2023. De vraag is vervolgens of deze constateringen non-conformiteit van [naam 1] opleveren. De kantonrechter oordeelt dat dat niet het geval is. [gedaagde] heeft namelijk onweersproken betoogd dat [naam 1] vlak voor de koopovereenkomst in december 2023/januari 2024 is beoordeeld in het kader van het ‘Project Röntgenologisch Onderzoek KWPN’ (hierna: PROK). Ten behoeve daarvan is [naam 1] wekenlang intensief bereden en is zij beoordeeld op basis van het röntgenonderzoek uit 2023. [naam 1] heeft de keuring zonder problemen doorstaan en is zelfs ‘elite’ verklaard. Dat is het hoogste exterieurpredicaat voor KWPN merries, waarbij gekeken wordt naar exterieur en gezondheid. [gedaagde] heeft ook in dit kader gewezen op de volgende verklaring van zijn dierenarts de heer Wichers:

“Een fragmentje of chipje in de kogels wordt algemeen niet als ernstig beoordeeld gezien ook het feit, dat ondanks de chip het PROK certificaat is toegekend. Alleen voor verkoop worden chips vaak verwijderd, maar niet omdat het locomotieproblemen geeft.

De Kissing Spine van 2/7 op de schaal van Zimmerman wordt binnen de beroepsgroep als röntgenologisch acceptabel gevonden. Bij 4/7 wordt het dubieus en 5/7 en hoger dan is er sprake van een verhoogd risico.”

3.8

Ook uit de opmerking bij het röntgenonderzoek uit 2023 “Advies: Gunstig advies voor het gebruik als sportpaard mits het verwijderen van het fragment” leidt de kantonrechter niet af dat sprake was van non-conformiteit. Daarbij is van belang dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij [naam 1] in eerste instantie wilde kopen omdat zij haar zo lief vond. Zij heeft verder uitgelegd dat zij de dressuursport wilde uitproberen, maar dat zij hierin een beginner was en dat zij daarin dus nog moest groeien. Daarmee staat voldoende vast dat het weliswaar de bedoeling was om [naam 1] voor de dressuur te gaan gebruiken, maar dat van [naam 1] geen topprestaties werden verwacht. Het bestaan van het fragment zorgt ook in dat licht, in combinatie met het verweer van [gedaagde] waaruit blijkt dat [naam 1] intensief bereden kon worden vlak voor de koop, niet voor non-conformiteit van [naam 1]. Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat [naam 1] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt.

De hoefbevangenheid

3.9

De kantonrechter volgt [eiser] niet in haar stelling dat bij [naam 1] hoefbevangenheid is vastgesteld en dat [naam 1] daardoor niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. [eiser] heeft dit namelijk niet onderbouwd, terwijl [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat hoefbevangenheid vaak ontstaat door onjuiste of overmatige voeding, al dan niet in combinatie met onvoldoende beweging.

De conclusie: [gedaagde] is niet tekortgeschoten

3.10

Al met al komt de kantonrechter tot de conclusie dat [naam 1] aan de koopovereenkomst beantwoordt en daarmee dat [gedaagde] niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst. Omdat dit een voorwaarde is voor zowel de toewijzing van een vermindering van de koopprijs, het recht om een overeenkomst partieel te mogen ontbinden en het verkrijgen van een schadevergoeding, zullen de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Dat leidt ertoe dat de kantonrechter ook de vordering tot betaling van schadevergoeding zal afwijzen.

Het beroep op dwaling slaag niet

3.11

[eiser] beroept zich tot slot nog op dwaling. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] bij de verkoop van [naam 1] aan [eiser] had moeten meedelen dat [naam 1] niet geschikt was voor de dressuursport omdat zij een fragment had. Door dat niet te doen heeft [gedaagde] zijn mededelingsplicht geschonden, aldus [eiser]. De kantonrechter komt tot het oordeel dat op [gedaagde] geen mededelingsplicht rustte. Daartoe is het volgende redengevend.

3.12

Vast staat dat [gedaagde] bij de koop van [naam 1] het PROK-predikaat aan [eiser] heeft overgedragen. [eiser] heeft niet weersproken dat het PROK-predikaat is afgegeven op basis van het röntgenonderzoek uit augustus 2023. De kantonrechter heeft hiervóór geoordeeld dat [naam 1] ook met fragment kan worden ingezet zoals [eiser] voor ogen had, namelijk als beginnend dressuurpaard. [gedaagde] mocht er dan ook van uitgaan dat zelfs als hij de aanwezigheid van het fragment bij de koop had medegedeeld, dit de beslissing van [eiser] om [naam 1] te kopen niet zou hebben beïnvloed. Tegen deze achtergrond lag het op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen waarom [gedaagde] toch een plicht had om het röntgenonderzoek van augustus 2023 mede te delen. Dat heeft zij niet gedaan. Dat betekent dat het beroep op dwaling faalt en ook de meest subsidiaire vordering zal worden afgewezen.

De waarde van [naam 1] en overige vorderingen

3.13

Het feit dat [naam 1] in november 2025 getaxeerd is en dat haar waarde op dat moment is vastgesteld op € 2.500,00 (exclusief btw) brengt in het voorgaande geen verandering. Los van de door [gedaagde] opgeworpen vraag of de taxateur over alle relevante gegevens heeft beschikt, heeft de taxateur geen mededelingen gedaan over de waarde van [naam 1] bij levering. In deze procedure is niet relevant wat de waarde van [naam 1] is op dit moment, omdat onder andere niet kan worden vastgesteld wanneer het geconstateerde oude letsel is ontstaan.

Proceskosten

3.14

[eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de kosten betalen die [gedaagde] heeft gemaakt om deze procedure te voeren (de proceskosten). Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. Dat zijn de kosten die [gedaagde] maakt om [eiser] ertoe te brengen aan het vonnis te voldoen. Als [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend, moet [eiser] ook de betekeningskosten aan [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

€

144,00

Totaal

€

1.008,00

3.15

[gedaagde] heeft de wettelijke rente over de proceskosten gevorderd. De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals hieronder in de beslissing vermeld.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

wijst de vorderingen van [eiser] af;

4.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet binnen de genoemde termijn aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna is betekend;

4.3

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

4.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op

22 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »