RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11774767 \ CV EXPL 25-2005
Vonnis van 22 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
handelend onder de naam [bedrijf],
uit [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. E.M.J. Keijzer,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [gedaagde],
uit [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend zonder gemachtigde.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met producties van 17 juni 2025;
-
de conclusie van antwoord;
-
de conclusie van repliek;
-
de conclusie van dupliek en de daarbij behorende nagezonden e-mail van [gedaagde] met nadere producties;
-
de akte uitlating producties tevens houdende wijziging van eis.
Op 24 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] was aanwezig, samen met zijn gemachtigde. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Op 25 augustus 2026 heeft [gedaagde] per e-mail aan de griffie bericht dat hij de mondelinge behandeling was vergeten en gevraagd of het mogelijk is dat er een nieuwe datum wordt bepaald. De griffie heeft namens de kantonrechter geantwoord dat [gedaagde] voor de zitting was opgeroepen, zonder kennisgeving afwezig was en er geen nieuwe zitting zal worden gehouden.
2 Waar gaat deze zaak over?
[eiser] en [gedaagde] hebben een ruilovereenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] een boot aan [gedaagde] heeft gegeven en [gedaagde] een zitveegmachine aan [eiser]. In verband met schade aan de zitveegmachine hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] deze zou vervangen door een nieuwe. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat hij de overeenkomst voor het deel van de zitveegmachine ontbindt. Op die grond vordert [eiser] in de eerste plaats (primair) betaling van € 10.330,58 en, nadat hij zijn eis heeft gewijzigd, in de tweede plaats (subsidiair) veroordeling van [gedaagde] om de zitveegmachine kosteloos te vervangen voor een nieuw, onbeschadigd exemplaar, inclusief garantiepapieren en oplader, op straffe van een dwangsom van € 750,00 per dag met een maximum van € 10.500,00. [eiser] vordert bovendien de wettelijke (handels)rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] voert aan dat hij heeft geprobeerd de nieuwe zitveegmachine af te leveren, maar dat [eiser] daar niet meer aan mee wilde werken en de ruil wilde terugdraaien. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
3 De beoordeling
De kantonrechter stelt vast dat partijen een ruilovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan [eiser] verplicht was een SeaRider 475 boot aan [gedaagde] te geven en [gedaagde] verplicht was aan [eiser] een Stahlgruppe SGYZS4 zitveegmachine te geven. Op 29 april 2024 heeft [gedaagde] de zitveegmachine afgeleverd en de boot opgehaald.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de afgeleverde zitveegmachine schade heeft, maar zij twisten wel over de oorzaak daarvan. Volgens [eiser] was de zitveegmachine al beschadigd toen [gedaagde] die kwam afleveren, terwijl [gedaagde] aanvoert dat de schade is veroorzaakt door (de buurman van) [eiser] bij het met een heftruck afladen van de zitveegmachine. De kantonrechter kan de discussie over de vraag wanneer en door wie de schade is ontstaan laten voor wat die is. Partijen zijn het er namelijk over eens dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] de zitveegmachine zou vervangen door een nieuw, onbeschadigd exemplaar. Door wie de schade is ontstaan, is dan juridisch gezien niet meer van belang. De vraag die wel voorligt, is of [gedaagde] de afspraak om de vervangende zitveegmachine te leveren, is nagekomen.
Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] op 30 april een vervangende zitveegmachine levert
[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting om de vervangende zitveegmachine te leveren. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] op 29 april 2024, de dag van de levering, toegezegd om de zitveegmachine de volgende dag te vervangen met een nieuwe. [gedaagde] betwist dat. [gedaagde] voert aan dat hij pas een week na de levering (uit coulance) heeft aangeboden om de zitveegmachine te vervangen. Daar gaat de kantonrechter niet in mee.
De stelling van [gedaagde] staat namelijk haaks op de WhatsApp-correspondentie die partijen hebben gevoerd. Zo schrijft [gedaagde] aan [eiser] op 30 april 2024 om 11:19 uur: “wordt wat later met veegmachine brengen me chauffeur is nog onderweg met camper. Laat je weten hoe laat. Sorry. Gr [gedaagde]”. Later in de middag schrijft [gedaagde]: “Mijn chauffeur heeft ophonthoud met campers ophalen, maar wordt zeker geregeld.” En “Komt goed”. Om 20:44 uur is er nog geen nieuwe zitveegmachine geleverd en schrijft [eiser]: “Komt toch niet goed?”. Nu [gedaagde] ook niet op de mondelinge behandeling is verschenen, heeft hij niet kunnen uitleggen hoe zijn standpunt dat pas een week na de levering is afgesproken dat hij een vervangede zitveegmachine zou leveren, valt te rijmen met deze WhatsApp-correspondentie. Dat betekent dat de kantonrechter er vanuit gaat dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de vervangende zitveegmachine op 30 april 2024 bij [eiser] zou afleveren.
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om de vervangende zitveegmachine te leveren
Niet ter discussie staat dat [gedaagde] op 30 april 2024 geen vervangende zitveegmachine heeft geleverd. Vast kan worden gesteld dat, zoals [eiser] stelt, [gedaagde] daarna opnieuw meerdere toezeggingen heeft gedaan die hij ook niet is nagekomen. Uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie blijkt dat [gedaagde] in de avond van 30 april 2024 scheef: “Hoi mijn chauffeur heb oponthoud gehad. De veegmachine had ik vanmorgen al opgeladen en ik ben zelf in Duitsland. Maar morgen ruilen ze hem om.” De volgende dag, op 1 mei 2024 schreef [gedaagde]: “Tussen 4 en 5 vanmiddag.” Vervolgens bericht [eiser] op 4 mei 2024: “mijn chauffeur heeft hem opgeladen en heeft maandag pas heftruck dus maandag heb je hem.” En op 13 juni 2024: “Morgen na 2 uur de chauffeur lukt het niet eerde”.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat hij bij [eiser] is geweest met de vervangende zitveegmachine, maar dat hij weer is vetrokken omdat [eiser] geen heftruck had. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij met de nieuwe zitveegmachine bij [eiser] is geweest, maar daar tevergeefs anderhalf of twee uur op [eiser] heeft staan wachten, omdat de deur dicht was en [eiser] zijn telefoon niet op nam.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn betoog. Hij heeft namelijk niet duidelijk gemaakt wanneer hij de afleverpogingen zou hebben gedaan en hij heeft, door niet op de mondelinge behandeling te verschijnen, ook niet kunnen ophelderen hoe het kan dat er over die pogingen niets valt terug te lezen in de verder uitgebreide WhatsApp-correspondentie tussen partijen.
Dat leidt de kantonrechter tot het oordeel dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting tot het afleveren van een vervangende zitveegmachine.
[eiser] heeft de overeenkomst bevoegd ontbonden
Per brief van 6 december 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] een ontbindingsverklaring gestuurd. Alhoewel [gedaagde] dit eerder aanduidde als een partiële ontbinding die alleen betrekking heeft op de zitveegmachine als onderdeel van de ruil, overweegt de kantonrechter dat de ontbindingsverklaring de overeenkomst in zijn geheel treft. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook onweersproken toegelicht dat zijn ontbindingsverklaring geleid heeft tot een volledige ontbinding van de ruilovereenkomst.
Ontbinding is op grond mogelijk als er, kort gezegd, sprake is van een tekortkoming in de nakoming door de andere partij (artikel 6:265 lid 1 BW). Als nakoming door die andere partij nog mogelijk is, geldt dat de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat als die partij in verzuim is (artikel 6:265 lid 2 BW).
Hiervoor is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting. Ten aanzien van de voorwaarde van verzuim, overweegt de kantonrechter dat [eiser] [gedaagde] per brief van 31 juli 2024 in gebreke heeft gesteld en hem een termijn van twee weken heeft gegeven om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. [gedaagde] heeft daaraan geen gehoor gegeven. Dat betekent dat [gedaagde] vanaf het moment dat die termijn is verstreken, in verzuim is geraakt.
[eiser] heeft de overeenkomst op 6 december 2024 dan ook mogen ontbinden. Dit heeft tot gevolg dat partijen vanaf het moment van de ontbinding niet meer verplicht zijn te presteren en als er al is gepresteerd, zij verplicht zijn de prestaties ongedaan te maken (artikel 6:271 BW). Dat betekent dat [gedaagde] niet meer verplicht is de vervangende zitveegmachine aan [eiser] te leveren. Tegelijkertijd betekent het dat [gedaagde] verplicht is de boot aan [eiser] terug te geven en [eiser] op zijn beurt verplicht is de beschadigde zitveegmachine die hij nog onder zich heeft aan [gedaagde] af te geven.
[gedaagde] moet € 10.330,58 en de wettelijke rente aan [eiser] betalen
Naar zeggen van [gedaagde] heeft hij de boot doorverkocht en beschikt hij daar dus niet meer over. Afgaande op zijn eigen verklaring, kan [gedaagde] dus niet aan zijn verplichting tot teruggave van de boot voldoen. Dat betekent dat hij tekortschiet in de nakoming van die verplichting met als gevolg dat hij de schade die [eiser] daardoor lijdt, moet vergoeden (artikel 6:74 BW). Het uitgangspunt daarbij is dat [eiser] met de schadevergoeding in de positie dient te worden gebracht waarin hij zou verkeren als [gedaagde] zijn verplichting tot teruggave van de boot wel zou zijn nagekomen.
[eiser] heeft zijn schade begroot op € 10.330,58. Dit is volgens [gedaagde] de minimale prijs, exclusief btw, voor een vervangende boot van hetzelfde model en in een vergelijkbare staat als de boot die hij aan [gedaagde] heeft geleverd in het kader van de ruilovereenkomst. [eiser] heeft dit onderbouwd met een advertentie van een aanbieder van een dergelijke boot. Het bedrag is door [gedaagde] niet tegengesproken. De kantonrechter begroot de schade van [eiser] dan ook op € 10.330,58.
Het voorgaande betekent dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen. Omdat de kantonrechter de primaire vordering toewijst, hoeft de subsidiaire vordering niet meer te worden behandeld.
Wat de door [eiser] gevorderde rente betreft, zal de kantonrechter de handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW afwijzen. De handelsrente heeft namelijk enkel betrekking op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, dat wil zeggen, de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten. De handelsrente is niet van toepassing op een andere geldelijke verplichting waartoe een handelsovereenkomst aanleiding kan geven en zoals in deze zaak aan de orde is.
De wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW zal worden toegewezen. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag waarop [gedaagde] in verzuim is geraakt met betrekking tot zijn verplichting tot de betaling van schadevergoeding. Uit artikel 6:83 sub b BW volgt dat [gedaagde] automatisch (van rechtswege) in verzuim is geraakt vanaf de dag waarop de schadevergoedingsplicht is ontstaan. Aangezien [eiser] de overeenkomst op 6 december 2024 ontbonden heeft en het toen al blijvend onmogelijk was voor [gedaagde] om zijn verplichting tot teruggave van de boot na te komen, afgaand op zijn eigen betoog dat hij de boot toen al had doorverkocht en geleverd, stelt de kantonrechter vast dat zijn schadevergoedingsverplichting op 6 december 2024 is ontstaan. De wettelijke rente zal vanaf die datum worden toegewezen.
Partijen zullen afspraken moeten maken over de teruggave van de zitveegmachine
Zoals gezegd volgt uit de ontbinding van de overeenkomst ook dat [eiser] de zitveegmachine die hij nog onder zich heeft, aan [gedaagde] moet teruggeven. Het is aan partijen om hier na dit vonnis zelf een afspraak over te maken.
[gedaagde] moet een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden betalen
[eiser] vordert € 878,31 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit zijn de kosten die [eiser] heeft gemaakt om, in een poging de gang naar de kantonrechter te voorkomen, betaling van [gedaagde] te verkrijgen.
Deze vordering moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW en het ‘Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten’ (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Hij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.
Met betrekking tot de hoogte van de vergoeding, geldt dat de wetgever uitgaat van een vast bedrag, waarbij geabstraheerd wordt van de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt. De kantonrechter wijst € 878,31 toe aangezien dit bedrag volgens de staffel en het tarief zoals bepaald in het Besluit hoort bij de hoofdsom die zal worden toegewezen van € 10.330,58.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
[gedaagde] krijgt ongelijk. Daarom moet hij de kosten betalen die [eiser] heeft gemaakt om deze procedure te voeren (de proceskosten). Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. Als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening aan [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
123,73 |
|
|
- griffierecht |
€ |
257,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.296,00 |
(3 punten × € 432,00)1 |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(+ eventueel de kosten van betekening zoals hierna vermeld) |
|
Totaal |
€ |
1.820,73 |
De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten zal de kantonrechter ook toewijzen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De toegewezen veroordelingen zullen, zoals [eiser] heeft gevorderd en waartegen geen verweer is gevoerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als [gedaagde] niet aan de veroordelingen voldoet, ook als door een van de partijen hoger beroep tegen dit vonnis zou worden ingesteld (artikel 233 Rv).
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, € 10,330,58 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 december 2024, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om € 878,31 aan [eiser] te betalen als vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.820,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna is betekend;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. [gedaagde] en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.