RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3374
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], ([eiser])
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college
(gemachtigde: mr. A. Guliker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van [eiser] op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bijstandbehoevendheid van [eiser] niet vastgesteld kan worden omdat zij een huisbezoek heeft geweigerd waardoor haar woonsituatie onduidelijk is gebleven. [eiser] is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. [eiser] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. [eiser] heeft op 3 februari 2025 en 1 maart 2025 aanvragen ingediend voor een uitkering op grond van de PW. Het college heeft deze aanvragen met de primaire besluiten van 13 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 oktober 2025 op de bezwaren van [eiser] is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
[eiser] had eerder vanaf 11 juli 2005 tot en met 12 januari 2025 een PW-uitkering naar (laatstelijk) de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat [eiser] mogelijk samen zou wonen met haar (meerderjarige) zoon en veelvuldig in het buitenlang zou verblijven heeft het college een onderzoek opgestart naar het recht op uitkering van [eiser].
Het college heeft bij besluit van 13 januari 2025 het recht op bijstand opgeschort omdat [eiser] zonder bericht van verhindering niet is verschenen op een afspraak met het college.In dit besluit is zij tevens opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 20 januari 2025 om haar recht op bijstand te kunnen beoordelen.
Bij besluit van 20 januari 2025 heeft het college het recht op bijstand ingetrokken en beëindigd met ingang van 13 januari 2025 omdat [eiser] opnieuw niet op de afspraak met het college is verschenen, zonder bericht van verhindering. Het college heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat [eiser] de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet op de afspraken te verschijnen.
Op 3 februari 2025 heeft [eiser] een aanvraag om bijstand ingediend.
Bij brief van 26 februari 2025 heeft het college [eiser] bericht dat aanvullende gegevens nodig zijn om het recht op uitkering te kunnen beoordelen, waaronder alle bankafschriften vanaf 13 augustus 2024 en haar Nederlandse en Iraakse papsoort,
[eiser] heeft op 28 februari 2025 bankafschriften aan het college verstrekt.
Op 1 maart 2025 heeft [eiser] een tweede aanvraag om bijstand ingediend.
[eiser] is op 4 maart 2025 door het college uitgenodigd voor een gesprek met de consulenten intake op 11 maart 2025.
[eiser] is op het gesprek verschenen. Een verslag van dit gesprek is neergelegd in de rapportage van 11 maart 2025, (rapport handhaving).Het college heeft in het gesprek aangegeven een huisbezoek te willen verrichten om de woonsituatie van [eiser] te kunnen beoordelen. [eiser] heeft dit geweigerd en het gesprek beëindigd.
Het college heeft een tweetal rapporten opgemaakt naar aanleiding van het gesprek van 11 maart 2025, namelijk op 11 en 13 maart 2025.
Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje ‘procesverloop’.
Nadien heeft [eiser] op 20 maart 2025 opnieuw om een bijstandsuitkering gevraagd. In dat kader heeft op 18 april 2025 een huisbezoek op het woonadres van [eiser] plaatsgevonden.
Bij besluit van 23 april 2025 heeft het college [eiser] met ingang van 20 maart 2025 in aanmerking gebracht voor een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.
Toetsingskader
3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden.
4. [eiser] stelt dat het college de aanvragen ten onrechte heeft afgewezen en verzoekt de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen, de primaire besluiten te herroepen en haar per oorspronkelijke aanvraagdatum alsnog in aanmerking te brengen voor een bijstandsuitkering. Zij voert daartoe het volgende aan.Er was geen sprake van een “informed consent” ten aanzien van de weigering van het huisbezoek. Volgens vaste rechtspraak mogen rechtsgevolgen aan een (vermeende) weigering van een huisbezoek alleen worden verbonden indien de betrokkene vóór het binnentreden volledig, juist en begrijpelijk is geïnformeerd over doel, reikwijdte en mogelijke gevolgen van die weigering (Huisbezoek Amsterdam).1 Het college draagt hiervan de bewijslast.2 Door een Syrisch-Arabische tolk in te zetten kon [eiser] de verstrekte informatie onvoldoende begrijpen. Het college heeft niet aangetoond dat zij in begrijpelijke taal is gewezen op de consequenties van (uitstel van) het huisbezoek. Daarmee staat niet vast dat aan het vereiste van ‘duidelijke en ondubbelzinnige’ informatie is voldaan. De vermeende weigering kan [eiser] niet worden tegengeworpen.Een huisbezoek is voorts een ingrijpend middel waarvoor slechts plaats is als er een redelijke grond bestaat en lichtere middelen onvoldoende zijn. Dat is hier niet aangetoond. Het college baseert de ‘twijfel’ aan de woonsituatie op vage signalen en vermeende tegenstrijdige antwoorden. Een gesprek, met een tolk in de juiste taal, had de mogelijkheid geboden om nadere vragen te stellen of stukken op te vragen. Hiermee waren minder ingrijpende middelen voorhanden. Daarbij komt dat het enkele feit dat iemand een zoon heeft die mogelijk incidenteel aanwezig is, geen concrete, objectieve omstandigheid vormt die een onmiddellijk huisbezoek na het intakegesprek rechtvaardigt, aldus [eiser].[eiser] stelt zich op het standpunt dat zij niet heeft geweigerd; zij verzocht om een kort uitstel wegens het begin van de Ramadan en de wens om haar woning gereed te maken voor bezoek.
Vaste rechtspraak erkent dat uitstel, mits redelijk onderbouwd, niet gelijk staat aan een weigering die tot afwijzing van de aanvraag mag leiden. Het college had een nieuwe afspraak kunnen en moeten plannen; het weigeren van de volledige aanvraag is disproportioneel.Nadat [eiser] zichtbaar geëmotioneerd het gesprek verliet, rustte op het college de plicht om haar schriftelijk, in begrijpelijke taal en met passende tolkondersteuning, uit te nodigen voor een nieuwe gelegenheid en haar alsnog te informeren over de consequenties van niet-meewerken.
Het tweede huisbezoek, waaraan [eiser] volledig meewerkte, resulteerde in toekenning van bijstand. De feitelijke leefsituatie was sinds de eerste aanvragen niet gewijzigd. Daarmee staat vast dat zij reeds op 6 februari 2025 en 1 maart 2025 voldeed aan de voorwaarden voor bijstand. Op grond van art. 44, eerste lid, Participatiewet moet de uitkering worden toegekend met ingang van de eerste aanvraagdatum.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzingen van de bijstandsaanvragen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
6. De periode in geding betreft hier de periode van 3 februari tot en met 19 maart 2025.7.1 Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Deze brengt mee dat de bijstandverlenende instantie de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.37.2 Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.4
In het algemeen komt groot gewicht toe aan het belang van een bijstandverlenende instantie om – zo nodig – onmiddellijk een huisbezoek af te leggen om een door de betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie voor het huisbezoek een wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel veel minder effectief is. De bijstandverlenende instantie mag daarom van de betrokkene verlangen dat hij medewerking verleent aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Maar onder bepaalde omstandigheden kan het weigeren van de medewerking de betrokkene niet worden tegengeworpen. Dat kan het geval zijn als de betrokkene een zwaarwegend belang heeft dat de weigering rechtvaardigt.5
Grond voor huisbezoek 8. De rechtbank is van oordeel, onder verwijzing naar het toetsingskader zoals weergegeven onder 7.1 t/m 7.3, dat het college in dit geval voldoende reden had voor een huisbezoek.[eiser] heeft een Pw-aanvraag gedaan. Tijdens het gesprek op 11 maart 2025 is voor het college onduidelijk gebleven of zij alleen op het uitkeringsadres woont of dat haar volwassen zoon bij haar inwoont. [eiser] heeft de twijfel die daaromtrent bij het college bestond niet kunnen wegnemen enkel door haar verklaring alleen. Gelet daarop lag een huisbezoek in de rede, aangezien dit huisbezoek de twijfel (volledig) had kunnen wegnemen. De stelling van [eiser] dat de twijfel voor het college slechts gebaseerd is op de omstandigheid dat haar zoon incidenteel aanwezig is wordt niet gevolgd. Het college heeft [eiser] (onder meer) geconfronteerd met de anonieme melding dat haar zoon bij haar in zou wonen.
Zwaarwegend belang dat een weigering rechtvaardigt. 9. De rechtbank volgt [eiser] niet in haar betoog dat zij zwaarwegende redenen had die weigering van het huisbezoek zou rechtvaardigen. Ze heeft als reden gewezen op de periode van het jaar, de Ramadan en de wens om haar huis gereed te maken.De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Daartoe wordt als eerste opgemerkt dat zij de moeilijkheid vanwege de Ramadan niet tijdens het gesprek zelf heeft gemeld, waarin zij boos is weggelopen. Ook overigens ziet de rechtbank hierin geen reden om een huisbezoek te weigeren. Haar wens om het huis gereed te maken is nu juist bij uitstek geen geldige reden. Het huisbezoek dient immers aansluitend op het gesprek plaats te vinden, zodat er geen wijzigingen in de woonsituatie kunnen worden aangebracht.Pas nadat [eiser] het eerste primaire besluit heeft ontvangen heeft zij bij het college alsnog aangegeven in te stemmen met een huisbezoek. Gelet op het tijdsverloop en het reeds genomen besluit, kan zij niet in haar betoog gevolgd worden dat zij het huisbezoek niet definitief heeft geweigerd.
Tolk
10. [eiser] wordt niet gevolgd in haar betoog dat zij niet in begrijpelijke taal is gewezen op gevolgen van het weigeren van het huisbezoek.Ter zitting heeft het college aangegeven dat gebruik is gemaakt van de tolkentelefoon, hetgeen niet door [eiser] is bestreden. In dat geval acht de rechtbank het aannemelijk dat als de tolk [eiser] niet zou hebben begrepen, deze dat aan het begin van het gesprek kenbaar zou hebben gemaakt. Dat is niet gebleken; integendeel. Nadat [eiser] het gesprek met het college had beëindigd, heeft de tolk nog aangegeven dat [eiser] erg boos was, dat zij had aangegeven geen goed gevoel te krijgen van het gesprek en geen toestemming verleende voor het huisbezoek. Hieruit blijkt niet van enig misverstand of miscommunicatie als gevolg van taalproblemen tussen [eiser] en de tolk.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat [eiser] eerst bij de hoorzitting heeft gesteld dat zij de tolk niet goed heeft begrepen. De rechtbank acht dit opmerkelijk als zij het taalprobleem als een zo groot probleem heeft ervaren.
Informed consent en zorgvuldigheid 11. [eiser] heeft zicht beroepen op de jurisprudentie ten aanzien van informed consent. Deze is echter alleen van toepassing als er daadwerkelijk een huisbezoek heeft plaatsgevonden, hetgeen niet het geval is.6Dat neemt niet weg dat het in het kader van de zorgvuldigheid aan een bestuursorgaan is om betrokkene zoveel als mogelijk en nodig te wijzen op de nadelige gevolgen van het weigeren van toestemming voor het huisbezoek. Immers, bij het ontbreken van adequate informatie over de gevolgen van een weigering kan de betrokkene geen goede afweging maken over het al dan niet verlenen van toestemming voor het huisbezoek.Doordat [eiser] zelf voortijdig is vertrokken heeft zij het college de mogelijkheid tot nadere toelichting ontnomen. Dit dient dan ook voor haar risico te komen.
Kostendelersnorm
12. Aangezien niet is komen vast te staan of [eiser] alleenstaand was in de periode in geding of dat haar zoon bij haar inwoonde, was er voor het college ook geen reden voor toepassing van de kostendelersnorm.
Conclusie en gevolgen
13. Het college heeft de aanvragen terecht afgewezen, omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien deze medewerkingsverplichting in onvoldoende mate wordt nagekomen en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw, wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.