ECLI:NL:RBOVE:2026:5445

Datum uitspraak
03-09-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
08-274668-22
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

ontnemingsvordering

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.274668.22

Datum vonnis: 3 september 2026

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[de veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] .

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde hoofdelijk de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 2.068.121,87.

2 De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting 20 augustus 2026. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. N. Brands, advocaat in Goor, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.

Op de terechtzitting van 20 augustus 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van

€ 2.068.121,87, maar dat de betalingsverplichting met 20% dient te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De betalingsverplichting bedraagt

€ 1.654.000,00.

De raadsman heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering af te wijzen, omdat niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

De veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 3 september 2026 veroordeeld, voor de volgende strafbare feiten:

feit 1en 3

telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennepplanten;

feit 2

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte bewijsmiddelen en de voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt rapporten berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 2 februari 2023 en 8 april 20231 op grond van artikel 36e, tweede lid Sr blijkt dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van uit de door hem gepleegde strafbare feiten.

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast.

De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 uit van de pleegdatum 25 oktober 2022 en ten aanzien van feit 2 gaat de rechtbank uit van een pleegperiode van 24 maart 2019 tot en met 25 oktober 2022 aan de [adres 2] en een pleegperiode van 12 juli 2019 tot en met 25 oktober 2022 aan de [adres 3] .

Aan de [adres 3] zijn minimaal 560 hennepplanten aangetroffen. Aan de [adres 2] zijn minimaal 472 hennepplanten aangetroffen. De rechtbank gaat uit van voormelde aantallen. Daarnaast gaat de rechtbank, gelet op de pleegperiode en de perioden van verhoogd stroomverbruik -weergegeven in het rapport indicaties voorgaande kweken opgesteld door Enexis uit van 17 oogsten aan de [adres 3] en 18 oogsten aan de [adres 2] . Verder gaat de rechtbank uit van de standaardbedragen en uitgangspunten zoals opgenomen in de rapporten ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ van 2 februari 2023 en 8 april 2023. Dit leidt tot de volgende berekening ten aanzien van de opbrengst en de kosten.

[adres 3]

De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:

560 planten x 27,2 gram = 15,232 kilogram

+ 3,0464 kilogram (20% meeropbrengst) = 18,2784 kilogram

18,2784 kilogram x € 4070,00 = € 74.393,09

De totale bruto opbrengst van de [adres 3] (op basis van 17 oogsten) bedraagt 18,2784 kilogram x EUR 4070,00 x 17 = € 1.264.682,53

De in mindering te brengen kosten per oogst zijn:

Afschrijvingskosten € 350,00Hennepstekken € 2.133,60 Variabele kosten € 2.172,00 Kosten knippers € 117,60

Huisvestingskosten € 769,23 + -------------

Totaal aan kosten € 5.542,43

De totale kosten van de [adres 3] (op basis van 17 oogsten) bedraagt € 5.542,43 x 17 = € 94.221, 31.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de [adres 3] (op basis van 17 oogsten) bedraagt zodoende € 1.170.471,22 (€ 1.264.682,53 - € 94.221,31).

[adres 2]

De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:

472 planten x 27,2 gram = 12,8384 kilogram

+ 2,5677 kilogram (20% meeropbrengst) = 15,4061 kilogram

15,4061 kilogram x € 4070,00 = € 62.702,75

De totale bruto opbrengst van de [adres 2] (op basis van 18 oogsten) bedraagt 15,4061 kilogram x EUR 4070,00 x 18 = € 1.128.649,50

De in mindering te brengen kosten per oogst zijn:

Afschrijvingskosten € 300,00Hennepstekken € 1.798,32 Variabele kosten € 1.831,36 Kosten knippers € 99,12

Huisvestingskosten € 1.089,20 + -------------

Totaal aan kosten € 5.118,00

De totale kosten van de [adres 2] (op basis van 18 oogsten) bedraagt € 5.118 x 18 =

€ 92.124,00

Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de [adres 2] (op basis van 18 oogsten) bedraagt zodoende € 1.036.525,50 (€ 1.128.649,50 - € 92.124,00).

Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt € 2.206.996,72 (€ 1.170.471,22 + € 1.036.525,50). Deze berekening komt hoger uit dan die van de officier van justitie, omdat de rechtbank de elektriciteitskosten niet in mindering brengt zo lang deze niet door verdachte zijn betaald.

Conclusie

De rechtbank stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.206.996,72.

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank concludeert dat in onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat die schending matiging van de betalingsverplichting tot gevolg moet hebben. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 3 november 2022, het moment waarop de veroordeelde middels het ‘1e stand van zaken proces-verbaal’ ervan op de hoogte raakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in 126 Sv is ingesteld.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd. In gevallen waarin de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden is overschreden, wordt het ontnemingsbedrag in beginsel met tien procent verminderd, met dien verstande dat de maximale vermindering

€ 5.000,-- mag bedragen. In gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, mag worden gehandeld naar bevind van zaken. De rechtbank acht in dit geval een vermindering van de betalingsverplichting van € 5.000,00 passend. De door de officier van justitie voorgestelde mindering doet geen recht aan het gegeven dat ook in de onderliggende strafzaak rekening is gehouden overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel door hem en [medeveroordeelde] gezamenlijk is genoten.

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot hoofdelijke betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.201.996.72.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.206.996,72;

  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.201.996,72 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • bepaalt dat veroordeelde voor betaling van het gehele genoemde bedrag hoofdelijk aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, veroordeelde in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd;

  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Gehring, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026

Buiten staat

Mr. R.G.J. Gehring en mr. E.C. de Bie zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »