ECLI:NL:RBOVE:2026:5147

Datum uitspraak
11-08-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12014636 \ CV EXPL 25-3619
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vordering betaling achterstallige huurtermijn november 2023 wordt toegewezen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 12014636 \ CV EXPL 25-3619

Vonnis van 11 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. E.H. Hoeksma,

advocaat te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap RUBBER VERWERKING NEDERLAND B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te Almen,

gedaagde partij,

hierna te noemen: RVN,

gemachtigde: mr. K.D.C. Schemkes,

advocaat te Tiel.

1 de zaak in het kort

1.1.

Tussen partijen heeft een huurovereenkomst bestaan. [eiser] vordert van RVN betaling van de huurtermijn over de maand november 2023. [eiser] voert tegen de vordering een drieledig verweer: de huurtermijn is betaald, [eiser] heeft niet voldaan aan de klachtplicht en de ingestelde vordering tot betaling van de huurachterstand is naar eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter verwerpt de door RVN opgeworpen verweren en wijst de vordering toe, waaronder een bedrag aan buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van RVN in de proceskosten.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

Tussen [eiser] en RVN heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de bedrijfsterreinen aan de [adres], tegen een huurprijs van € 19.913,88 per maand (in het jaar 2023).

3.2.

Bij e-mail van 13 oktober 2023 heeft de vertegenwoordiger van [eiser], [naam 1] , hierna ook te noemen: [naam 1], RVN de factuur doen toekomen voor de huur over de maand november 2023, te betalen voor 1 november 2023.

3.3.

De huurovereenkomst tussen partijen is eind 2024 geëindigd, omdat het gehuurde aan RVN is verkocht en geleverd.

3.4.

Op 1 augustus 2025 deelt [naam 1] aan RVN onder meer mede dat de huur over de maand november 2023 nog niet is ontvangen.

3.5.

Op 16 oktober 2025 is RVN nogmaals in gebreke gesteld en gesommeerd de maandtermijn november 2023 te betalen, waarbij tevens aanspraak is gemaakt op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert -samengevat- om RVN te veroordelen aan haar te betalen de huurtermijn over de maand november 2023 ad € 19.913,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2023, alsmede vermeerderd met een bedrag van € 974,13 aan buitengerechtelijke kosten.

4.2.

RVN concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser]. Zij voert daartoe een drieledig verweer:

1.) RVN heeft de in het geding zijnde huurtermijn betaald;

2.) [eiser] heeft niet voldaan aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW en

3.) de ingestelde vordering tot betaling van de huurachterstand is in de gegeven omstandigheden naar eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

RVN betwist voorts de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat RVN op basis van de tussen partijen bestaand hebbende huurovereenkomst de huurpenningen over de maand november 2023 (in beginsel) verschuldigd is.

Ad verweer 1.)

5.2.1.

RVN stelt dat de huurpenningen over de maand november 2023 aan deurwaarderskantoor [bedrijf] zou zijn betaald.

5.2.2.

RVN heeft geen betalingsbewijs in het geding gebracht en geeft voorts aan zij deze betaling niet in haar administratie kan terugvinden. Daarnaast is door [eiser] een verklaring van deurwaarder [naam 2] in het geding gebracht waaruit duidelijk blijkt dat zijn kantoor slechts de maandhuur over de maand oktober 2023 van RVN heeft ontvangen.

5.2.3.

Het is aan RVN de door haar gestelde betaling te bewijzen. Nu zij heeft aangegeven hieraan niet te kunnen voldoen, zal het hierop gebaseerde verweer, als niet in rechte komen vast te staan, worden verworpen.

Ad verweer 2.)

5.3.1.

RVN stelt zich op het standpunt dat [eiser] zijn rechten aangaande de huurpenningen over de maand november 2023 heeft verwerkt. RVN stelt ten eerste dat het op de weg van [eiser] gelegen had de huurachterstand mee te nemen in de onderhandelingen die tussen partijen zijn gevoerd aangaande de op te stellen addenda op de huurovereenkomst en de koopovereenkomst, dan wel de koopovereenkomst te vermeerderen met de openstaande huurpenningen. Dit heeft [eiser] nagelaten, hij heeft 21 maanden stil gezeten en heeft hiermee niet voldaan aan zijn klachtplicht.

5.3.2.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt de klachtplicht niet zonder meer voor alle verbintenissen en is de aard van de prestatie bepalend. Bij de verplichting tot betaling van de huur ontbreekt een gebrek in de prestatie waarover geklaagd zou moeten worden. Meer concreet, een verhuurder die 21 maanden nadat een huurtermijn onbetaald is gebleven betaling vordert, klaagt niet over een gebrekkige prestatie, maar stelt dat de huurder zijn betalingsverplichting in het geheel niet is nagekomen. De klachtplicht is juist bedoeld voor gevallen waarin een prestatie wel is verricht, maar gebrekkig is (NL:HR:2024:336). Bij het volledig uitblijven van een betaling ontbreekt zo’n prestatie. Het beroep van RVN op de klachtplicht gaat dan ook niet op, en het hierop gebaseerde verweer wordt verworpen.

Ad verweer 3:

5.4.1.

RVN stelt dat haar, nu [eiser] 21 maanden stil heeft gezeten en er inmiddels een afrekening in verband met de levering van het gehuurde heeft plaatsgevonden, waarbij partijen meermaals en uitvoerig hebben onderhandeld over het object, de prijs, de datum van levering, de wijze van afrekenen en de hoogte van de huur, een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW toekomt. Voorts stelt RVN dat zij er op mocht vertrouwen dat al hetgeen [eiser] van haar te vorderen had, met levering van het gehuurde aan haar werd afgerekend. RVN is van mening dat in de gegeven omstandigheden de door [eiser] ingestelde vordering tot betaling van een huurachterstand naar eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.4.2.

Ook dit verweer gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Zoals gezegd is door partijen uitvoerig onderhandeld over de verkoop van het gehuurde. Gesteld noch gebleken is dat tijdens deze onderhandelingen door partijen over en weer

afstand is gedaan van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst. [eiser] kan dan ook op goede gronden aanspraak maken op de huurtermijnen die verschenen zijn tot de dag dat het gehuurde aan RVN eind 2024 is geleverd. Afgezien van het feit dat het voor [eiser] in augustus 2025 pas duidelijk werd dat de huurtermijn over de maand november 2023 niet was betaald, geldt dat het vorderingsrecht voor de betaling van een huurtermijn eerst verjaard na een periode van vijf jaar na de vervaldatum van die huurtermijn.

Ad de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten.

5.5.

RVN betwist de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten, nu zij van [eiser] geen betalingsherinnering of aanmaningen heeft ontvangen ten aanzien van de gestelde huurachterstand, anders dan vanaf september 2025. Ook dit verweer treft geen doel. Zoals hiervoor overwogen was het [eiser] in augustus 2025 eerst duidelijk dat de huurpenningen over de maand november 2023 niet waren betaald. Sindsdien heeft de gemachtigde van [eiser] meermalen tevergeefs getracht om de huurtermijn over de maand november 2023 buiten rechte bij RVN te incasseren. Deze werkzaamheden rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter toewijzing van het in de rechtspraak gebruikelijke tarief, zijnde een bedrag van € 974,13, hetgeen overeenstemt met het door [eiser] gevorderde bedrag.

5.6.

De vordering tot betaling van de achterstallige huur over de maand november 2023 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2023 tot de dag van algehele betaling.

5.7.

RVN zal als de in het ongelijk gestelde partij in de (na-)kosten van deze procedure worden veroordeeld tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.178,04 te weten:

  • kosten dagvaarding € 148,04

  • griffierecht € 732,00

  • salaris gemachtigde (2 punten x € 577,00) € 1.154,00

  • nakosten € 144,00

totaal € 2.178,04.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt RVN om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.913,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt RVN om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 974,13;

6.3

veroordeelt RVN in de kosten van deze procedure ad € 2.178,04;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

(PR(O)

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »