RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-070074-26 (P)
Datum vonnis: 11 augustus 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] ,
nu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.L.A.N. Weusthof, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ) voorgedragen slachtofferverklaring.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv) van 28 juli 2026, kort en zakelijk weergegeven, erop neer dat verdachte op 7 maart 2026 in Almelo:
feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (primair), dan wel zijn echtgenote [slachtoffer] heeft mishandeld (subsidiair) door het dichtknijpen van de keel;
feit 2: zijn echtgenote [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te slaan en schoppen en aan haar haren te trekken;
feit 3: zijn echtgenote [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte dat:
1
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- één of meermalen haar keel/hals heeft gegrepen en/of vastgegrepen heeft gehouden en/of
- één of meermalen haar keel/hals heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgehouden en/of een verwurging bij haar heeft aangelegd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
- één of meermalen haar keel/hals te grijpen en/of vast te grijpen,
- één of meermalen haar keel/hals dicht te drukken en/of dicht te knijpen en/of dicht te houden en/of een verwurging bij haar aan te leggen,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
2
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] , heeft mishandeld, door
- één of meermalen op/tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te slaan en/of te stompen,
- één of meermalen op/tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te schoppen en/of
- één of meermalen aan haar haren te trekken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
3
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Geef nu mijn telefoon ander trap ik je dood in de badkamer en [naam] mag toekijken" en/of “Ik slinger je de hele woning door met [naam] erbij, dat maakt mij niet uit",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair en dat een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair enkel kan volgen voor het grijpen naar de hals van [slachtoffer] en niet voor het dichtdrukken/knijpen en/of het aanleggen van een verwurging. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte kan worden veroordeeld voor het slaan, schoppen en bij de keel pakken van zijn toenmalige levensgezel [slachtoffer] en niet voor het aan haar haren trekken. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 7 maart 2026 bevinden verdachte en zijn echtgenote [slachtoffer] zich in de woning gelegen aan de [adres 1] . In de woning is ook het zoontje van [slachtoffer] aanwezig. Er ontstaat een woordenwisseling tussen verdachte en [slachtoffer] . Verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij zijn telefoon terug wil. Als daaraan door [slachtoffer] niet wordt voldaan, loopt de woordenwisseling uit de hand en ontstaat er een heftige ruzie, waarbij verdachte zich dreigend heeft opgesteld en woedend tekeer is gegaan in de woning. Verdachte heeft [slachtoffer] bij haar keel vastgegrepen en hij heeft tegen haar gezicht geslagen en tegen haar lichaam geschopt. Daarnaast heeft hij haar bedreigd.
De overwegingen van de rechtbank
Feit 1 primair: poging tot zware mishandeling
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte gedurende enige tijd met kracht de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en zodoende heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. [slachtoffer] heeft weliswaar kortweg verklaard dat verdachte haar wurgde, maar verdachte heeft stellig verklaard dat hij [slachtoffer] slechts bij de keel heeft gepakt en de keel niet heeft dichtgeknepen. Uit het uitgevoerde forensisch medisch onderzoek volgt dat de letsels, zoals vastgesteld bij [slachtoffer] , net zo goed kunnen passen bij een scenario met samendrukkende kracht op de keel als bij een scenario zonder dat de keel is dichtgedrukt. Daarom komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit poging tot zware mishandeling en zal zij verdachte daarvan vrijspreken.
Feit 1 subsidiair en feit 2: mishandeling
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 2 op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Feit 3: bedreiging
De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
[slachtoffer] heeft in haar aangifte van 7 maart 2026 gedetailleerd verklaard over de woorden die verdachte tegen haar heeft geuit, namelijk dat hij haar voor de ogen van haar zoontje dood zou trappen als zij zijn telefoon niet zou geven. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 juli 2026 dat het tijdens de ruzie zwart werd voor zijn ogen, dat hij grenzen over ging en dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting van 28 juli 2026 verklaard de woorden ‘Ik slinger je de hele woning door met [naam] erbij, dat maakt mij niet uit' tegen [slachtoffer] te hebben geuit. De rechtbank is van oordeel dat deze uitlatingen van verdachte een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling opleveren. Gelet op de aard van de uitlatingen, de boosheid en agressie van verdachte tijdens het uitspreken daarvan en de omstandigheden waaronder deze uitlatingen hebben plaatsgevonden, namelijk kort nadat verdachte [slachtoffer] had mishandeld (feit 1 subsidiair en feit 2), kon bij [slachtoffer] de vrees ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en zelfs het leven zou kunnen verliezen. Bij [slachtoffer] kon dus, ook objectief gezien, de redelijke vrees ontstaan dat wat verdachte zei, hij zou gaan uitvoeren. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
subsidiair
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo
[slachtoffer] ,
heeft mishandeld, door
- één of meermalen haar keel/hals te grijpen en/of vast te grijpen,
- één of meermalen haar keel/hals dicht te drukken en/of dicht te
knijpen
en/of dicht te houden en/of een verwurging bij haar aan te leggen,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
2
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo
[slachtoffer] ,
heeft mishandeld, door
- één of meermalen op/tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te slaan
en/of te stompen,
- één of meermalen op/tegen haar gezicht en/of haar lichaam, te schoppen en/of
- één of meermalen aan haar haren te trekken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
3
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Almelo
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen
"Geef nu mijn telefoon ander trap ik je dood in de badkamer en [naam]
mag toekijken" en/of “Ik slinger je de hele woning door met [naam]
erbij, dat maakt mij niet uit",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
subsidiair
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 190 dagen, waarvan 32 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering: meldplicht bij reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en alcoholverbod. De officier van justitie heeft verklaard dat verdachte op 12 augustus 2026 met vervoer van DV&O naar de [locatie] in [plaats] kan worden vervoerd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 158 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf op te leggen en daaraan gekoppeld een deel van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname en verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Ten aanzien van de duur van de taakstraf refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft voorts de rechtbank in overweging meegegeven om geen middelenverbod als bijzondere voorwaarde op te leggen, maar een middelencontrole. Verder heeft de raadsvrouw verzocht dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 7 maart 2026 schuldig gemaakt aan een drietal ernstige strafbare feiten, namelijk twee mishandelingen en een bedreiging van zijn echtgenote [slachtoffer] . Hij heeft de hals van [slachtoffer] vastgegrepen, tegen haar gezicht geslagen en tegen haar lichaam geschopt. Gewelddadigheden als deze zijn op geen enkele wijze te rechtvaardigen. Verdachte heeft met zijn agressieve handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Binnen een liefdesrelatie en binnen de muren van een eigen woning zou bij uitstek een gevoel van veiligheid moeten gelden. Echter, door toedoen van verdachte heeft [slachtoffer] letsel opgelopen en doodsangsten uitgestaan. Het geweld vond bovendien plaats in het bijzijn van het tweejarige zoontje van [slachtoffer] . Het kind heeft alles van dichtbij meegemaakt en werd door [slachtoffer] naar zich toe gepakt terwijl zij werd mishandeld. Ook op dat moment is verdachte doorgegaan met de mishandeling, waarna [slachtoffer] met het kind op de arm is gevlucht naar de badkamer. Verdachte is haar achternagegaan, heeft de gewelddadigheden hervat en heeft ernstige bedreigingen geuit. Dit alles stopte pas toen de politie kwam. Dit soort geweld veroorzaakt daarnaast ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 9 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 21 juli 2026. Uit het rapport volgt dat de door verdachte gepleegde delicten zijn gerelateerd aan middelengebruik. Verdachte is voornamelijk bij tegenslagen en instabiliteit geneigd om harddrugs te gaan gebruiken. De risico’s op recidive en letsel worden ingeschat als hoog. De onvoldoende behandelde middelenproblematiek van verdachte, die samen lijkt te hangen met problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren, zijn de voornaamste risicofactoren voor recidive. Instabiliteit op de leefgebieden werk en financiën, hetgeen te wijten is aan het middelengebruik van verdachte, draagt bij aan de onrust binnen de relatie van verdachte en zijn inmiddels ex-partner. Een langdurige intensieve ambulante behandeling is nodig voor het verlagen van de risicofactoren. Na de klinische behandeling moet verdachte worden geplaatst in een begeleid wonen traject, in combinatie met een intensieve langdurige ambulante behandeling en middelenverbod, om de risico’s zoveel als mogelijk te beperken. Tactus Reclassering heeft bij het IFZ een klinische indicatiestelling aangevraagd voor verdachte, waarna hij door het DIZ bij de [locatie] in [plaats] is aangemeld en geaccepteerd. Verdachte is volgens de reclassering gemotiveerd voor de opname, die per 12 augustus 2026 kan plaatsvinden. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en alcoholverbod.
De op te leggen straf of maatregel
De rechtbank neemt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt van denken en houdt rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd.
Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet bovendien, gelet op de aard en de ernst van de feiten en met name gelet op voornoemde omstandigheden (explosie van geweld, gepleegd in huiselijke kring, tegen zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer] en in aanwezigheid van het zoontje van [slachtoffer] ) aanleiding om verdachte een hogere gevangenisstraf op te leggen dan de gevangenisstraf zoals die door de officier van justitie is geëist. Bij verdachte is weliswaar sprake van probleembesef en hij komt intrinsiek gemotiveerd over voor een gedragsverandering en de behandelingen die daarmee gemoeid zijn. De rechtbank acht een fors voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk om verdachte ervan te doordringen dat hij die motivatie moet vasthouden. Ten aanzien van de op te leggen voorwaarden zal de rechtbank het advies van de reclassering volgen, inclusief de verboden op het gebruik van verdovende middelen en alcohol.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 279 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan strafbare feiten. De proeftijd wordt vastgesteld op drie jaren. Daarbij worden de volgende bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, opgelegd: meldplicht bij reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en alcoholverbod. Uit het rapport van de reclassering van 21 juli 2026 en het verhandelde ter terechtzitting van 28 juli 2026 volgt dat verdachte op 12 augustus 2026 geplaatst kan worden bij de [locatie] in [plaats] . De rechtbank acht het van belang dat verdachte zich op 12 augustus 2026 door DV&O laat vervoeren naar de [locatie] in [plaats] en zal het vervoer van verdachte naar de kliniek door DV&O als bijzondere voorwaarde opleggen. Het is aan de officier van justitie om deze vervoersfaciliteit te regelen, om daarmee deze (geëiste) bijzondere voorwaarde mogelijk te maken.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn, nu er gelet op de nog onbehandelde problematiek van verdachte ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.
7 De toegepaste wettelijke voorschriften
8 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
subsidiair
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;
feit 2
het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 279 (tweehonderdnegenenzeventig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 120 (honderdtwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de volgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jaren de volgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij op afspraken met de reclassering op het adres [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
- zich tijdens de proeftijd voor maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijk instantie. De opname start op 12 augustus 2026 of zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact en/of Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welke controlemiddel wordt gecontroleerd;
- zich op 12 augustus 2026 laat vervoeren naar de [locatie] in [plaats] door DV&O;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Mos, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026110378 van 9 maart 2026. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2
-
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
-
Het proces-verbaal van aangifte van aangever [slachtoffer] van 7 maart 2026 (p. 5 en 6).
Ten aanzien van feit 3
1. Het proces-verbaal van aangifte van aangever [slachtoffer] van 7 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 5 en 6):
Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'Geef mijn telefoon. Ik slinger je de hele woning door met [naam] erbij, dat maakt mij niet uit.' Ik ben gevlucht naar de badkamer met [naam] op mijn arm, [verdachte] kwam achter mij aan en zei: 'Geef nu mijn telefoon ander trap ik je dood in de badkamer en [naam] mag toekijken.'.
2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:
Op 7 maart 2026 knapte er wat bij mij en werd ik boos. Het werd zwart voor mijn ogen. [slachtoffer] en ik hadden weleens ruzie, maar nog nooit zo heftig als deze keer. Door het gebruik van drugs ben ik mezelf niet. Ik ga dan grenzen over en ik word een beest.
Het klopt dat ik op 7 maart 2026 ‘Ik slinger je de hele woning door met [naam] erbij, dat maakt mij niet uit' tegen [slachtoffer] heb gezegd.