ECLI:NL:RBOVE:2026:4945

Datum uitspraak
30-04-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
341523
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek vader tot uitbreiding zorgregeling naar co-ouderschapregeling toegewezen. Verzoek moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing en inschrijving school/BSO afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/341523 / FA RK 25-3005

beschikking van 30 april 2026

in de zaak van

[vader] ,

verder te noemen: de man of de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. K.A. Schreurs,

en

[moeder] ,

verder te noemen: de vrouw of de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 25 november 2025;

  • het verweerschrift met bijlagen met zelfstandig verzoeken, binnengekomen op 9 december 2025;

  • het verweerschrift met bijlagen op de zelfstandige verzoeken, binnengekomen op

29 januari 2026.

1.2.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 6 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat:

  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

1.3.

De rechtbank heeft vervolgens iedere beslissing aangehouden in afwachting van de uitkomsten van een mediationtraject.

1.4.

Vervolgens heeft de rechtbank kennis genomen van:

- een F9 formulier van mr. Schreurs van 30 maart 2026;

- een F9 formulier van mr. Eshuis-Nijmeijer van 30 maart 2026.

1.5.

De voortgezette mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat:

  • [naam] namens de raad.

1.6.

Beide advocaten hebben tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd, die aan het digitaal dossier is toegevoegd.

2 De feiten

2.1.

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij hebben samen de navolgende kinderen:

[kind 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2018;

[kind 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2020.

De kinderen verblijven bij de moeder.

2.3.

De ouders hebben samen het gezag over [kind 1] en [kind 2] . Dit betekent dat zij samen de

belangrijke beslissingen over hen nemen.

2.4.

De ouders hebben de afspraken over de kinderen geregeld in het ouderschapsplan van 16 juli 2021. In het ouderschapsplan is afgesproken dat de kinderen in de oneven weken van vrijdagavond tot maandagavond bij de vader verblijven. Op grond van het ouderschapsplan voldoet de vader thans een kinderalimentatie van € 368,- per maand aan de moeder.

Verder hebben de ouders in het ouderschapsplan het volgende afgesproken:

- de intentie is dat de vader de gezamenlijke woning overneemt en de moeder op zoek zal gaan naar een woning in hetzelfde dorp;

- mocht een van de ouders buiten Hof van Twente of directe omgeving gaan wonen, dan is deze verantwoordelijk voor het halen en brengen van de kinderen;

- over onder meer een verhuizing zullen de ouders in overleg treden;

- mochten de ouders in de toekomst van mening verschillen over de uitleg van de uitvoering van dit ouderschapsplan dan zullen zij door middel van onderling overleg tot een regeling komen. Mocht dit niet lukken, dan zullen de ouders gezamenlijk een bemiddelaar aanwijzen die hen daarbij ondersteunt. Indien de bemiddeling niet tot het gewenste resultaat leidt, zullen de ouders zich wenden tot een eigen advocaat, met de opdracht om de geschilpunten voor te leggen aan de rechter.

3 Het verzoek

3.1.

De vader verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Wijziging zorgregeling

te bepalen dat de kinderen met ingang van 1 januari 2026, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, volgens een co-ouderschapsregeling bij de vader en de moeder zullen verblijven, inhoudende: een week-op-week-af regeling waarbij:

 de kinderen in week 1 van woensdag na schooltijd tot en met woensdagochtend bij de

moeder verblijven, en vervolgens in week 2 van woensdag na schooltijd tot en met woensdagochtend bij de vader verblijven;

 schoolvakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld tussen beide ouders, waarbij

de ouders jaarlijks in onderling overleg de concrete planning vaststellen;

II. Wijziging hoofdverblijfplaats oudste kind:

te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] met ingang van 1 januari 2026, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, wordt vastgesteld bij de vader in [woonplaats 1] ;

III. Wijziging kinderalimentatie

primair

te bepalen dat de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum waarop de gewijzigde zorgregeling ingaat wordt gewijzigd in die zin dat:

 ieder van de ouders de verblijfskosten van de kinderen tijdens hun verblijf bij die

ouder voor eigen rekening neemt;

  • de vader de verblijfsoverstijgende kosten van [kind 1] voor zijn rekening neemt;

  • de moeder de verblijfsoverstijgende kosten van [kind 2] voor haar rekening neemt,

en daarmee de bijdrage van de vader aan de moeder op nihil wordt gesteld:

subsidiair

te bepalen dat de door vader aan moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen wordt gewijzigd met ingang van datum van het verzoekschrift, dan wel de datum van wijziging van de zorgregeling, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum, rekening houdend met een co-ouderschapregeling en hogere zorgkorting.

4 Het verweer met een zelfstandig verzoek

4.1.

De moeder verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de verzoeken van de vader af te wijzen;

Bij wege van zelfstandig verzoek:

II. haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing naar [plaats] met de kinderen;

III. vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van de kinderen op

basisschool ‘ [basisschool] ’, gevestigd aan [adres 1] te [plaats] en inschrijving op

BSO ‘ [BSO] ’, gevestigd aan [adres 2] te [plaats] .

5 Het verweer op het zelfstandig verzoek

De vader verzoekt de zelfstandige verzoeken van de moeder af te wijzen, kosten rechtens.

6 De standpunten van de ouders

Voor de standpunten van de ouders wordt hier verwezen naar de processtukken en de overgelegde pleitnota’s.

7 Het mondeling advies van de raad

De raad kan zich voorstellen dat toestemming voor de verhuizing wordt verleend. De raad ziet geen redenen waarom er geen co-ouderschap zou kunnen zijn, ook niet als de moeder zou verhuizen naar [plaats] . De raad heeft de indruk dat beide kinderen een co-ouderschap regeling prima aankunnen. De raad kan zich wel voorstellen dat de regeling wordt opgebouwd naar een co-ouderschap. Indien de verhuizing naar [plaats] door gaat vindt de raad het ingrijpend voor de kinderen als zij van school en sociale omgeving moeten veranderen. De raad ziet ook niet in waarom de kinderen in [plaats] naar school zouden moeten gaan.

8.. De beoordeling

Opmerking vooraf

8.1.

Vast staat dat de ouders - in strijd met de gemaakte afspraken in het ouderschapsplan om eerst met elkaar het overleg te zoeken - direct naar de rechtbank zijn gegaan en dat het terugsturen van de ouders door de rechtbank naar de tekentafel niet tot een oplossing heeft geleid. Omdat de ouders er niet samen uitkomen zal de rechtbank een beslissing nemen over de verzoeken, waarbij de rechtbank opmerkt dat voor beide ouders geldt dat zij een beslissing van de rechter vragen over iets wat de ouders prima in onderling overleg hadden kunnen oplossen. Beide ouders maken plannen en willen die uitvoeren zonder met de andere ouder te overleggen over hun wensen. Dat is niet wenselijk en zeker niet in het belang van hun kinderen.

Co-ouderschap

8.2.

De rechtbank stelt vast dat de vader dit verzoek heeft ingediend zonder dat hij eerst met de moeder heeft overlegd of een gesprek met de moeder heeft gevoerd, rechtstreeks of met hulp van een mediator of een bemiddelaar. De vader heeft zijn storingsdiensten beëindigd, zonder dat hij wist of de zorgregeling kon/zou worden uitgebreid. Het voorgaande laat onverlet dat er door de moeder geen gegronde redenen zijn aangevoerd om het verzoek van de vader om een co-ouderschapregeling vast te stellen niet toe te wijzen.

8.3.

Dit betekent in het onderhavige geval dat de kinderen in beginsel in staat moeten worden gesteld om meer tijd met hun vader door te brengen, zodat de onderlinge band kan worden verstevigd en verder kan worden opgebouwd. De rechtbank ziet met de raad geen contra-indicaties aan de zijde van de vader voor een uitbreiding van de zorgregeling. Zij acht het daarom in het belang van de kinderen dat zij meer tijd dan nu het geval is met hun vader samen zijn. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de wet tot uitgangspunt neemt dat de kinderen van de ouders over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen, recht hebben op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.1

8.4.

Gebleken is dat de werksituatie van de vader is gewijzigd, waardoor het voor hem mogelijk is om de dagelijkse zorg voor de kinderen substantieel uit te breiden naar een co-ouderschapregeling. Hij heeft een concreet en werkbaar co-ouderschapsschema uitgewerkt dat aantoont dat een 50/50 verdeling praktisch haalbaar is en aansluit bij de bestaande structuur van de kinderen, waarin zij ook al naar de BSO gaan en op woensdag uit school bij oma (moederszijde) verblijven. De vader kan de kinderen iedere dag zelf naar school brengen en meestal van de BSO halen. Zijn partner en ouders zijn bereid om de vader te ondersteunen bij de zorgregeling.

8.5.

De rechtbank zal daarom de in het ouderschapsplan van 16 juli 2021 overeengekomen zorgregeling wijzigen en een opbouwregeling vaststellen waarbij toegewerkt wordt naar een regeling waarbij de zorg gelijkwaardig tussen de ouders wordt verdeeld. De opbouw is om de kinderen en de moeder te laten wennen aan de uitbreiding van het contact.

8.6.

De rechtbank zal met ingang van de datum van de beschikking de volgende opbouw van de reguliere zorgregeling vaststellen:

- de kinderen verblijven tot aan de zomervakantie 2026 eenmaal per veertien dagen van woensdag uit school tot maandagavond bij de vader;

- tijdens de zomervakantie 2026 verblijven de kinderen conform de huidige regeling (iedere ouder drie aaneengesloten weken) bij de ouders;

- vanaf de zomervakantie (16 augustus 2026) verblijven de kinderen volgens een week-op-week-af regeling de ene week van woensdag na schooltijd tot en met woensdagochtend bij de moeder en de andere week van woensdag na schooltijd tot en met woensdagochtend bij de vader. De schoolvakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld tussen beide ouders, waarbij de ouders jaarlijks in onderling overleg de concrete planning vaststellen.

8.7.

De rechtbank wijst erop dat het belangrijk is dat de moeder emotionele toestemming verleent aan de kinderen om de helft van de tijd bij de vader te verblijven.

Vervangende toestemming ten aanzien van de verhuizing

8.8.

De ouders zijn samen met het gezag belast. Dat betekent dat voor het wijzigen van de woonplaats van [kind 1] en [kind 2] in beginsel toestemming van de andere met het gezag belaste ouder vereist is. Als een ouder weigert die toestemming te geven, kan de andere ouder de rechtbank vragen vervangende toestemming te verlenen2.

8.9.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. De rechtbank dient bij de beslissing over vervangende toestemming voor een verhuizing alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.

8.10.

De rechtbank acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten. Het is in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt in deze situatie. Een raadsonderzoek - dat tijdrovend zal zijn - draagt daar in dit geval niet aan bij. De raad heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling al een advies gegeven aan de rechtbank.

8.11.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [kind 1] en [kind 2] naar [plaats] te verhuizen moet worden afgewezen. Dat betekent dat de moeder niet met de kinderen naar [plaats] mag verhuizen. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

8.12.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder niet aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk is om met de kinderen te verhuizen van [woonplaats 2] naar [plaats] . De moeder woont op dit moment met de kinderen in een koopwoning in [woonplaats 2] , waar zij elk een eigen kamer hebben. Onlangs is haar partner bij haar ingetrokken. Dat haar partner tijdelijk bij haar inwoont en deels de zorg heeft voor zijn zoon [zoon] en er (daardoor) een slaapkamer te weinig is, is een situatie die zij zelf gecreëerd heeft. De rechtbank overweegt dat er voor de moeder geen noodzaak tot samenwoning met haar partner bestaat, hoewel dit een (begrijpelijke) wens van hen beiden is. Dat de onlangs ingevoerde co-ouderschapregeling van haar partner met zijn zoon [zoon] hem aan [plaats] zou binden, maakt niet dat er voor de moeder een noodzaak tot samenwoning met haar partner in [plaats] bestaat.

8.13.

De rechtbank is verder van oordeel dat de moeder de verhuizing niet voldoende heeft doordacht en voorbereid, omdat zij zonder enige vorm van overleg met de vader een woning in een andere plaats heeft gekocht en de kinderen heeft verteld dat zij daar gaan wonen, naar school gaan en dat [kind 1] daar gaat voetballen. De vader heeft onbetwist gesteld dat hij daar van op de hoogte is geraakt via derden.

8.14.

De rechtbank overweegt dat door de voorgenomen verhuizing naar [plaats] de vader meer op afstand zal komen te staan van de kinderen, te meer nu de kinderen nog heel jong zijn (bijna acht en vijf jaar). De kinderen hebben een goede band met hun vader en het is belangrijk dat ze die houden. De vader zal na de verhuizing minder betrokken kunnen zijn bij de school en hobby’s van de kinderen en hun sociale omgeving. Hierbij speelt mee dat als de kinderen ouder worden en in de weekenden in toenemende mate eigen activiteiten zullen hebben in [plaats] , de vader dan op dertig minuten fietsen woont. Sportactiviteiten, werk en vrienden laten zich (op termijn) niet goed met de zorgregeling met de vader combineren. Ook hierdoor komt het contact tussen de vader en de kinderen onder druk te staan.

8.15.

De rechtbank acht het van belang dat, ook als de kinderen opgroeien, de band met de vader blijft bestaan. Als de kinderen in [woonplaats 1] blijven wonen, kunnen ze, als ze wat ouder zijn, zelfstandig en spontaan naar hun vader. Dat zal na een verhuizing naar [plaats] minder makkelijk gaan. Dit alles is niet in het belang van de kinderen en de vader.

8.16.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat het belang van de moeder en haar recht om een nieuw leven op te bouwen met haar partner niet zwaarder moeten wegen dan het belang van [kind 1] en [kind 2] om hun leven voort te zetten in een voor hen vertrouwde en prettige leefomgeving, met een sociaal netwerk en familie in de omgeving, alsmede een nauw contact met hun vader.

De vervangende toestemming met betrekking tot inschrijving bij school en opvang 8.17. Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder om met [kind 1] en [kind 2] naar [plaats] te verhuizen afwijst, zal de rechtbank ook het verzoek van de moeder om vervangende

toestemming te verlenen om de kinderen in te schrijven op de basisschool ‘ [basisschool]

’ en ‘BSO [BSO] ’ in [plaats] afwijzen. De moeder heeft zonder verhuizing geen belang meer bij dit verzoek.

De hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie

8.18.

Gelet op hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling en het feit dat de rechtbank heeft beslist over de zorgregeling en de verhuizing, zal de rechtbank de ouders in de gelegenheid te stellen om in onderling overleg conform de wettelijke maatstaven afspraken te maken over de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie. De rechtbank zal de ouders daarom een termijn geven om zich uit te laten over het verdere verloop van de procedure met betrekking tot deze verzoeken.

8.19

De rechtbank zal de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie aanhouden tot 29 juli 2026. Uiterlijk op die datum dienen de advocaten de rechtbank schriftelijk te berichten of de ouders tot overeenstemming zijn gekomen en, indien dat niet het geval is, op welke wijze zij wensen dat de procedure wordt voortgezet.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

8.20.

De rechtbank zal de beslissing over de zorg- en contactregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

9 De beslissing

De rechtbank:

9.1.

wijzigt artikel 3 van het ouderschapsplan van 16 juli 2021 en stelt inzake het recht van de minderjarigen met ingang van de datum van de beschikking de volgende zorgregeling vast:

- de kinderen verblijven tot aan de zomervakantie 2026 eenmaal per veertien dagen van woensdag uit school tot maandagavond bij de vader;

- tijdens de zomervakantie 2026 verblijven de kinderen conform de huidige regeling (iedere ouder drie aaneengesloten weken) bij de ouders;

- vanaf de zomervakantie (16 augustus 2026) verblijven de kinderen volgens een week-op-week-af regeling de ene week van woensdag na schooltijd tot en met woensdagochtend bij de moeder en de andere week van woensdag na schooltijd tot en met woensdagochtend bij de vader. De schoolvakanties en feestdagen worden bij helfte verdeeld tussen beide ouders, waarbij de ouders jaarlijks in onderling overleg de

concrete planning vaststellen;

9.2.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

9.3.

houdt de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan geeft de ouders een termijn tot 29 juli 2026 om zich uit te laten op dit punt;

9.4.

wijst de verzoeken van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Souman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.

De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »