RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-080014-25 (P)
Datum vonnis: 4 augustus 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven en verblijvende in de PI [locatie] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 juli 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van:
- de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar als benadeelde partij door mr. J. van Kollenburg, advocaat in Etten-Leur, is aangevoerd;
- de namens [slachtoffer 2] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar als benadeelde partij door [gemachtigde] , gemachtigde, waarnemend voor mr. M. Yavuzyiǧitoǧlu, advocaat in Rotterdam, is aangevoerd.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, na aanpassing van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 9 september 2025, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1 : zich op 14 maart 2025 te Deventer schuldig heeft gemaakt aan een poging moord of doodslag op [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2] met een (klauw)hamer op het hoofd en/of op de kaak te slaan (primair),
dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling door die [slachtoffer 2] op het hoofd en de kaak te slaan met de (klauw)hamer (subsidiair),
dan wel zich jegens die [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair);
feit 2 : zich op 9 of 10 maart 2025 te Schalkhaar schuldig heeft gemaakt aan een poging moord of doodslag op [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] met een (klauw)hamer op het hoofd te slaan (primair),
dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling door die [slachtoffer 1] op het hoofd te slaan met de (klauw)hamer (subsidiair),
dan wel zich jegens die [slachtoffer 1] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te Deventer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp - (met kracht) op het (achter)hoofd heeft geslagen en/of - (vervolgens) (met kracht) op de kaak en/of op/in het gezicht heeft geslagen en/of - meermalen, althans eenmaal, (terwijl die [slachtoffer 2] trachtte te ontvluchten) slaande bewegingen heeft gemaakt met die (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp, richting het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te Deventer, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp, (met kracht) op het (achter)hoofd en/of op de kaak en/of op/in het gezicht te slaan;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te Deventer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp - (met kracht) op het (achter)hoofd heeft geslagen en/of - (vervolgens) (met kracht) op de kaak en/of op/in het gezicht heeft geslagen en/of - meermalen, althans eenmaal, (terwijl die [slachtoffer 2] trachtte te ontvluchten) slaande bewegingen heeft gemaakt met die (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp, richting het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2 primair
hij in of omstreeks de periode van 9 maart 2025 tot en met 10 maart 2025 te Schalkhaar, gemeente Deventer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp, (met kracht) op het (achter)hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 9 maart 2025 tot en met 10 maart 2025 te Schalkhaar, gemeente Deventer, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp, (met kracht) op het (achter)hoofd te slaan;
meer subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 9 maart 2025 tot en met 10 maart 2025 te Schalkhaar, gemeente Deventer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] met een (klauw)hamer, althans een hard en/of stomp voorwerp, op het (achter)hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde poging tot moord en doodslag. Er was geen sprake van voorbedachte rade. Verdachte heeft weliswaar de ten laste gelegde geweldshandelingen verricht, maar er was geen aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers en hij heeft die ook niet bewust aanvaard. Ook moet verdachte worden vrijgesproken van de onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat het letsel niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de onder feit 1 en feit 2 meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde poging moord
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde en heeft begaan.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank gaat voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde uit van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , omdat de rechtbank hun verklaringen betrouwbaar acht en deze verklaringen worden ondersteund door de bekennende verklaring van verdachte en bewijs afkomstig uit de hierna gegeven opsomming van bewijsmiddelen.
De door verdachte gepleegde (gewelds)handelingen
Tenzij hierna bij de bespreking van de feiten anders wordt vermeld, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde geweldshandelingen. De rechtbank stelt vast dat verdachte de onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde (gewelds)handelingen op de ten laste gelegde data en locaties heeft gepleegd op grond van de hieronder opgesomde bewijsmiddelen.1
-
een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 10 maart 2025 (pagina’s 11 tot en met 16);
-
een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 14 maart 2025 (pagina’s 32 tot en met 42);
-
de (bekennende) verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 21 juli 2026;
-
het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 maart 2025 (pagina’s 175 tot en met 182);
-
een schriftelijk bescheid, inhoudende het rapport “Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving zonder benoeming als deskundige” inzake [slachtoffer 1] van 9 mei 2025, opgemaakt door forensisch arts in opleiding L.A. Verbaan en superviserend forensisch arts F. Oude Hengel (pagina’s 136 tot en met 140);
-
een schriftelijk bescheid, inhoudende het rapport “Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving zonder benoeming als deskundige” inzake [slachtoffer 2] van 9 mei 2025, opgemaakt door forensisch arts in opleiding L.A. Verbaan en superviserend forensisch arts F. Oude Hengel (pagina’s 121 tot en met 127);
-
het proces-verbaal bevindingen van 15 maart 2025 (pagina’s 62 tot en met 66);
-
het proces-verbaal bevindingen van 15 maart 2025 (pagina’s 67 tot en met 78).
Voorbedachte rade
De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of verdachte de (gewelds)handelingen met voorbedachte rade heeft gepleegd.
Verdachte heeft verklaard dat hij de handelingen heeft gepleegd, omdat hij in de gevangenis wilde komen om betere gezondheidszorg te krijgen. Om dit te bereiken besloot hij een ‘passende misdaad’ te plegen. Hierover heeft hij 45 dagen lang zeker twee uur per dag nagedacht. Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat een passende misdaad zou bestaan uit het toebrengen van hoofdletsel aan een vrouw van tussen de 20 en 45 jaar oud. Niet te jong, niet te oud, geen man. Hij heeft er bewust voor gekozen om een vrouw op het hoofd te slaan met een klauwhamer. Het slachtoffer moest zodanige verwondingen oplopen dat zij in het ziekenhuis terecht zou komen. Daarom moest hij de slachtoffers op het hoofd slaan en niet bijvoorbeeld op de hand. Verdachte heeft ook nagedacht over het wapen en kwam uit op een hamer, omdat deze de juiste verwondingen zou opleveren. Op de avond van de eerste aanval is verdachte de deur uitgegaan met de hamer in een rugzak met het plan om een vrouw te verwonden. Verdachte heeft verklaard dat hij voorbijgangers die niet voldeden aan zijn ideeën (man, ouderen en kinderen, mensen die met anderen samen waren) heeft laten passeren. Nadat verdachte [slachtoffer 1] op haar hoofd had geslagen, was hij tevergeefs aan het wachten op zijn aanhouding door de politie. Hij dacht dat hij niet werd aangehouden, omdat men hem niet kende in die omgeving. Hierop besloot hij een aantal dagen later met dezelfde methode in de buurt van zijn woning een tweede slachtoffer te maken door [slachtoffer 2] meermaals op haar hoofd te slaan.
De rechtbank stelt vast dat verdachte weloverwogen en doelgericht heeft gehandeld. Verdachte heeft meer dan voldoende gelegenheid gehad om zowel voor de eerste aanval als tussen de eerste en tweede aanval, na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en heeft overeenkomstig zijn bedoeling gehandeld. Van contra indicaties is op geen enkele wijze gebleken.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op hun achterhoofd heeft geslagen met een klauwhamer. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer 2] op de kaak geslagen met deze hamer. De door verdachte gebruikte hamer is 30 centimeter lang, weegt ongeveer 620 gram en heeft een ijzeren kop en steel. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben verklaard dat zij met kracht werden geslagen. Bij [slachtoffer 1] was de kracht zelfs zodanig dat de Airpods die zij droeg door de klap uit haar oren los zijn gekomen en op de grond zijn gevallen. Als gevolg van de klap hebben zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] scheur- of barstwonden aan het (achter)hoofd opgelopen die moesten worden gelijmd in het ziekenhuis dan wel door de huisarts. Bij [slachtoffer 2] is bovendien een gekneusde kaak met bijbehorende zwelling op de rechterwang geconstateerd.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en kwetsbaar deel van het lichaam is. Over de klap bij de kaak heeft verdachte verklaard dat hij de intentie had om [slachtoffer 2] bij de slaap te raken. De slaap betreft een bijzonder breekbaar en kwetsbaar punt van de menselijke schedel.
Aldus kan het met kracht inslaan met de klauwhamer op het hoofd van [slachtoffer 1] en op het hoofd en de kaak van [slachtoffer 2] naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich brengen dat zij dermate ernstig letsel aan hun hoofd en de daarin gelegen vitale structuren oplopen dat zij als gevolg daarvan komen te overlijden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm het door verdachte toegepaste geweld met de klauwhamer tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden aangemerkt als zozeer gericht op het veroorzaken van ernstig, mogelijk dodelijk hoofdletsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook heeft aanvaard. Dat verdachte verklaard heeft dat hij alleen beoogde ziekenhuiswaardig hoofdletsel toe te brengen leidt niet tot een ander oordeel. Dat maakt dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde poging tot moord ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wettig en overtuigend is bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 primair
hij op 14 maart 2025 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] met een (klauw)hamer,
- op het (achter)hoofd heeft geslagen, en
- (met kracht) op de kaak heeft geslagen,
- terwijl die [slachtoffer 2] trachtte te ontvluchten slaande bewegingen heeft gemaakt met die klauwhamer, richting het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2 primair
hij in de periode van 9 maart 2025 tot en met 10 maart 2025 te Schalkhaar, gemeente Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een klauwhamer (met kracht) op het (achter)hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 en feit 2 primair
het misdrijf: poging tot moord.
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast eist de officier van justitie dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd. Ook moet een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op grond van artikel 38z Sr worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat moet worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf die ongeveer tien weken langer is dan de tijd die verdachte tot op heden heeft doorgebracht in voorarrest. Dit zou de reclassering namelijk voldoende tijd moeten geven om een plek te vinden in een geschikte kliniek. Daarnaast verzoekt de verdediging om TBS met voorwaarden op te leggen, zoals geadviseerd door de reclassering, in plaats van de door de officier van justitie geëiste TBS met dwangverpleging. Verdachte heeft toegezegd zijn medewerking te verlenen aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en hij zou dan ook de kans moeten krijgen om te laten zien dat hij zich aan de voorwaarden kan houden. De verdediging verzoekt ook om geen GVM op te leggen.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft weloverwogen geprobeerd van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , het meest fundamentele recht, het recht op leven, te ontnemen door hen op het (achter)hoofd te slaan met een klauwhamer. [slachtoffer 2] heeft hij met diezelfde hamer ook op de kaak geslagen. Beide slachtoffers zijn onverhoeds en zonder enige aanleiding op de openbare weg aangevallen door verdachte. Zij zijn door deze aanvallen in paniek en/of shock geraakt en hebben serieus letsel opgelopen.
Verdachte heeft door zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij heeft lang over zijn plan nagedacht en er uiteindelijk bewust voor gekozen om volstrekt willekeurige vrouwen aan te vallen, zodat zij naar het ziekenhuis zouden moeten en hij in de gevangenis zou belanden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren simpelweg op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Verdachte heeft zich hierbij niet bekommerd om de gevoelens van of de gevolgen voor de vrouwen. Het is maar zeer de vraag of en, zo ja wanneer, verdachte zou zijn gestopt met het maken van slachtoffers als hij niet was aangehouden. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen ondervinden. Dat het handelen van verdachte nog steeds een enorme impact heeft op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen. Naast de heftige gevolgen van deze aanvallen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zelf, dragen dergelijke aanvallen ook bij aan een maatschappelijk gevoel van onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Vanwege de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zoals hiervoor omschreven, kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het door verdachte aangerichte leed moet worden vergolden.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 22 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de pro Justitia-rapportages van dr. R.W. Blaauw en drs. T.J. Haarlemmer, GZ-psychologen, van 22 juli 2025 en 27 februari 2026 en de pro Justitia-rapportages van drs. R.A. Graaff, psychiater, van 17 juli 2025 en 18 maart 2026.
De psychologen en psychiater constateren dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. De psychiater voegt daaraan toe dat sprake is van een licht verstandelijke beperkt tot zwakbegaafd niveau van functioneren. De psychologen adviseren om het ten laste gelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen terwijl de psychiater adviseert om het ten laste gelegde tenminste in verminderde mate toe te rekenen. De stoornis was aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en heeft zijn gedragskeuzes en gedragingen ten aanzien van het ten laste gelegde beïnvloed. Het denken, voelen en handelen van verdachte werd sterk beïnvloed door de psychotische stoornis. De psychiater voegt hieraan toe dat de psychotische denkbeelden en de verminderde begaafdheid vergaand hebben doorgewerkt bij het komen tot het ten laste gelegde, maar dat bij het onderzoek niet kan worden vastgesteld dat de gedragskeuzes van verdachte volledig hierdoor werden bepaald.
De psychologen schatten de kans op herhaling met een geweldsdelict in als hoog. Er zijn geen duidelijke beschermende factoren aanwezig. De psychiater schat de kans op herhaling in op hoog wanneer de psychotische stoornis niet wordt behandeld. Binnen het kader van een klinische forensische behandelsetting wordt de kans op herhaling ingeschat als laag.
De psychologen adviseren om verdachte klinisch te laten opnemen in een inrichting voor forensische geestelijke gezondheidszorg, zodat hij kan worden behandeld voor zijn psychotische problematiek. Aansluitend is waarschijnlijk plaatsing binnen begeleid wonen noodzakelijk. Dit zou kunnen worden gerealiseerd vanuit de maatregel van TBS met voorwaarden. De psychiater adviseert ook een behandeling binnen het kader van de maatregel TBS met voorwaarden.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van
24 juni 2026 en op wat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Hieruit volgt dat de reclassering, ondanks een beperkt ziektebesef bij verdachte, mogelijkheden ziet om gedragsverandering te bewerkstelligen en het hoge recidiverisico te reduceren. Gelet daarop adviseert de reclassering om verdachte in aanmerking te laten komen voor een TBS-maatregel met voorwaarden.
Verdachte heeft zich bereid verklaard mee te werken aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden. Tegelijkertijd heeft verdachte te kennen gegeven dat hij zich niet herkent in het ziektebeeld van de deskundigen en dat hij het innemen van medicatie, het ondergaan van een behandeling en het begeleid wonen niet nodig vindt.
De reclassering heeft aanvullend gemeld dat FPK’s van Trajectum en De Woenselse Poort verdachte niet willen opnemen, waarbij onder meer een rol speelde dat sprake is van dwangmedicatie tijdens het verblijf van verdachte in [locatie].
De rechtbank acht de conclusies van de deskundigen inzichtelijk en gedegen onderbouwd voor zover het ziet op de stoornissen, het hoge recidiverisico en de verminderde toerekenbaarheid. In de rapportages is helder en concludent beschreven hoe de deskundigen tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank neemt deze conclusies daarom over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal, uitgaande van een driepuntsschaal, de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
De oplegging van een gevangenisstraf
De rechtbank houdt naast wat zij hiervoor heeft overwogen bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf rekening met straffen die in (enigszins) vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. In dit geval heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Binnen de rechtspraak zijn geen landelijke oriëntatiepunten voor dit misdrijf.
De rechtbank acht, alles afwegend, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest.
De oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de TBS-maatregel. De rechtbank beschikt over een advies van deskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht. De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met inachtneming van de conclusies en de adviezen van de deskundigen stelt de rechtbank vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechtbank stelt daarbij ook vast dat sprake is van een hoog recidiverisico, en dat de veiligheid van anderen, zodanig dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de TBS-maatregel eist.
Daartoe is redengevend dat de problematiek van verdachte en het daaruit voortvloeiende herhalingsgevaar zodanig is dat het niet verantwoord is om hem onbehandeld in de maatschappij terug te laten keren. Bij verdachte sprake is van een (algeheel) gebrek aan ziekte-inzicht en -besef, evenmin is sprake van enige motivatie voor behandeling. Ook is dwangmedicatie in [locatie] noodzakelijk gebleken. Alhoewel verdachte noch zijn raadsvrouw konden melden of er ten tijde van de zitting op 21 juli 2026 nog sprake was van dwangmedicatie in de zin van de wet, is duidelijk dat verdachte zijn medicatie gebruikt omdat hij daartoe verplicht is gesteld.
Bovenstaande is dragend voor het oordeel van de rechtbank dat een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is in een beveiligde setting, alwaar ook dwangmedicatie aan de orde kan zijn.
De verdachte heeft duidelijk gemaakt dat hij vindt dat er geen sprake is van een stoornis, dat hij geen medicatie nodig heeft en dat ook begeleid wonen niet nodig is. De reclassering heeft aangegeven dat het aannemelijk is dat verdachte zich kan onttrekken aan de voorwaarden.
Gelet op het gegeven dat naast een gevangenisstraf van zes jaar de oplegging van een TBS-maatregel met voorwaarden niet mogelijk is, maar evenzeer gezien bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bescherming van de veiligheid van de samenleving noodzaakt tot het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank zal deze maatregel dan ook aan verdachte opleggen.
De rechtbank overweegt ten slotte dat de TBS-maatregel met verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)
De rechtbank leidt uit de stukken over de persoon van de verdachte af dat verdachte langdurig behandeling nodig heeft. Mede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de TBS-maatregel, langdurig onder toezicht te stellen noodzakelijk is om recidive te voorkomen. De oplegging van deze maatregel is in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en daarmee is aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM voldaan. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het advies van de reclassering, aan verdachte een GVM als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.
7 De schade van benadeelden
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Zij vordert verdachte te veroordelen om € 10.821,45 aan schadevergoeding te vergoeden, bestaande uit € 821,45 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade (na verhoging van eis ter terechtzitting), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Vervanging Airpods: € 119,-;- Annulering vakantie: € 234,-;
- Gemiste inkomsten: € 48,45;
- Kosten chiropractor: € 420,-.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,- aan smartengeld gevorderd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 36.900,84, bestaande uit € 3.285,04 aan materiële schade, € 22.507,80 aan immateriële schade en € 11.107,80 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Eigen risico: € 185,04;
- Reiskosten: € 500,-;
- Gescheurde jas, merk Zara: € 100,-;
- Toekomstige schade: € 2.500,-.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 22.507,80 gevorderd.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
- Smartengeld: € 10.000,-;
- Huishoudelijke hulp: € 10.933,-;
- Persoonlijke verzorging: € 350,-;
- Verlies zelfwerkzaamheid: € 1.224,80.
Als proceskosten wordt een bedrag van € 11.107,80 gevorderd bestaande uit kosten rechtsbijstand in verband met het opmaken en indienen van de vordering benadeelde partij.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de door [slachtoffer 1] verzochte schadevergoeding in zijn geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de daartoe geldende wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De door [slachtoffer 2] gevorderde materiële schadepost “toekomstige schade” moet worden afgewezen. De gevorderde proceskosten zijn bovenmatig en slechts toewijsbaar voor een bedrag overeenkomstig het “Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven”. Voor het overige acht de officier van justitie de verzochte schadevergoeding toewijsbaar, te vermeerderen met de daartoe geldende wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] dat de materiële schadepost “kosten chiropractor” niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het ontbreken van een causaal verband met het strafbare feit.
De door benadeelde partij [slachtoffer 2] gevorderde materiële schadeposten moeten, met uitzondering van de “medische kosten”, worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor de immateriële schade van de benadeelde partijen acht de verdediging vanwege de bepleite vrijspraak voor het primair en subsidiair ten laste gelegde een bedrag van € 2.000,- per benadeelde partij passend. Het overig gevorderde zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het onder feit 1 en feit 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partijen gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partijen door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
Ten aanzien van de door [slachtoffer 1] gevorderde schadevergoeding
De materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten, die overigens door de verdediging niet of onvoldoende zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd zijn. De gevorderde materiële schadeposten zijn toewijsbaar voor een bedrag van € 821,45.
De immateriële schade
Op basis van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. In dit geval is sprake van lichamelijk letsel zoals uitvoerig uiteen is gezet tijdens de beoordeling van het onder feit 2 primair ten laste gelegde. Om die reden kan zij reeds aanspraak maken op smartengeld. Daarnaast is de rechtbank, gelet op wat de rechtbank eerder in dit vonnis in de bewijsmotivering en de strafmotivering heeft vastgesteld over de aard van het handelen van verdachte waarvan de benadeelde het slachtoffer is geworden en ook de omstandigheden waaronder verdachte dat heeft gedaan, van oordeel dat de aard en de ernst van door verdachte begane normschendingen en de gevolgen daarvan voor de benadeelde in dit geval onmiskenbaar met zich brengen dat de benadeelde op andere wijze in haar persoon is aangetast.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is welk bedrag passend is om toe te wijzen als vergoeding voor de geleden immateriële schade. De rechtbank stelt daartoe vast dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte een zeer ingrijpende ervaring is geweest waarvan zij nadeel ondervonden heeft en tot op heden nog steeds nadeel ondervindt, zoals ook is gebleken uit de schriftelijke en mondelinge toelichting op de vordering en uit de slachtofferverklaring.
De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de in de Rotterdamse schaal vermelde bedragen (een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen). De rechtbank zoekt wat betreft de bewezen verklaarde poging tot moord aansluiting bij de onder geestelijk letsel genoemde categorie “middelzwaar”, en houdt rekening met de ernst van het letsel, de weerslag op het sociale leven, het werk, de medische behandeling, de locatie en de handelwijze van verdachte. De rechtbank vindt op basis van deze in deze zaak ter beoordeling voorliggende stukken en de onderbouwing daarvan een bedrag van € 6.000,- aan smartengeld billijk.
De rechtbank zal, op basis van het voorgaande, de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding vaststellen op een bedrag van € 6.821,25, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 10 maart 2025. Dat maakt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover die benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan als dwangmiddel gijzeling worden toegepast. De rechtbank zal bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling vaststellen op 59 dagen. Het toepassen van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Ten aanzien van de door [slachtoffer 2] gevorderde schadevergoeding
De materiële schade
De benadeelde partij heeft de opgevoerde posten “reiskosten” (€ 500,-), “gescheurde jas, merk Zara” (€ 100,-) en “toekomstige schade” (€ 2.500,-) naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht de gegeven onderbouwing gelet op de gemotiveerde betwisting op dit moment onvoldoende om deze gevorderde schade toe te wijzen. Vaststelling van de schade behoeft nadere onderbouwing. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert ook op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid dan ook niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadepost “eigen risico”, die overigens door de verdediging niet is betwist, voldoende met bewijsstukken is onderbouwd. Deze gevorderde materiële schadepost is dus toewijsbaar voor een bedrag van € 185,04.
De immateriële schade
De rechtbank acht de gegeven onderbouwing gelet op de gemotiveerde betwisting op dit moment onvoldoende om de gevorderde immateriële schade toe te wijzen voor zover het ziet op de schadeposten “huishoudelijke hulp”, “persoonlijke verzorging” en “verlies zelfwerkzaamheid”. Vaststelling van deze schade behoeft nadere onderbouwing. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid dan ook niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Ten aanzien van het gevorderde smartengeld neemt de rechtbank haar eerdere overwegingen in dit vonnis over de immateriële schade bij de benadeelde partij [slachtoffer 1] in aanmerking en stelt vast dat bij de benadeelde partij sprake is van soortgelijk lichamelijk en geestelijk letsel dat onder soortgelijke omstandigheden tot stand is gekomen. Daarom vindt de rechtbank ook in dit geval een bedrag van € 6.000,- aan smartengeld billijk.
De rechtbank zal, op basis van het voorgaande, de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding vaststellen op een bedrag van € 6.185,04, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 maart 2025. Dat maakt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover die benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan als dwangmiddel gijzeling worden toegepast. De rechtbank zal bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur van de gijzeling vaststellen op 55 dagen. Het toepassen van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De proceskosten
De verzochte vergoeding van proceskosten (advocaatkosten) is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Omdat sprake is van een ernstig geweldsmisdrijf, kan ingevolge artikel 44, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand aan de benadeelde partij een toevoeging worden verleend door de Raad voor de Rechtsbijstand. De ter zitting aanwezige gemachtigde van [slachtoffer 2] kon niet aangeven of van deze mogelijkheid gebruik was gemaakt, of dat mogelijk was geweest, en, zoniet, waarom niet. Of deze kosten, nog daargelaten het gegeven dat proceskosten vergoed worden conform de liquidatietarieven, noodzakelijk waren is daarom onvoldoende duidelijk geworden. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot vergoeding van proceskosten. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 en feit 2 primair
het misdrijf: poging tot moord;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van
€ 6.821,45 (zesduizend achthonderdeenentwintig euro en vijfenveertig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 6.821,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ten aanzien van het bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.821,45 (zesduizend achthonderdeenentwintig euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2025, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 59 (negenenvijftig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van
€ 6.185,04 (zesduizend honderdvijfentachtig euro en vier cent), bestaande uit materiële en immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 6.185,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2025;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ten aanzien van het bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.185,04 (zesduizend honderdvijfentachtig euro en vier cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2025, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 55 (vijfenvijftig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat der Nederlanden vervalt en omgekeerd;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. I.E. Voorberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Struik, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.