ECLI:NL:RBOVE:2026:4370

Datum uitspraak
10-07-2026
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12268507 \ CV EXPL 26-1869
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstekzaak, loonvordering.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 12268507 \ CV EXPL 26-1869

Vonnis in kort geding van 10 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. R. Pril,

advocaat te Enschede,

tegen

[gedaagde] ,

h.o.d.n. [bedrijf],

zaakdoende te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde],

niet verschenen noch vertegenwoordigd.

1 De procedure

1.1

Namens [eiser] is de dagvaarding van 23 juni 2026 in persoon aan [gedaagde] betekend. [eiser] vordert een voorlopige voorziening en heeft [gedaagde] opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.

1.2

De vordering is behandeld ter zitting van 9 juli 2026, waarvan door de griffer aantekeningen zijn opgemaakt. [eiser] is in persoon ter terechtzitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Pril. Tegen de niet verschenen [gedaagde] is verstek verleend.

1.3.

[eiser] heeft zijn standpunt laten toelichten door zijn gemachtigde;

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser] is op of omstreeks 15 juli 2025 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van hovenier tegen een salaris van € 2.080,– bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van 32 uur per week.

2.2.

[gedaagde] heeft over de maand december 2025 een bedrag van € 500,– netto aan salaris aan [eiser] betaald.

2.3.

In de periode over de maanden januari 2026 tot en met mei 2026 heeft [gedaagde] enkel over de maand maart 2026 het salaris van € 2.080,– bruto van [gedaagde] ontvangen.

2.4.

[eiser] heeft zich op 24 maart 2026 bij [gedaagde] ziekgemeld en is tot op heden arbeidsongeschikt.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1

Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.

3.2

[eiser] vordert – samengevat - dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om hem het achterstallig salaris en vakantiegeld te betalen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke verhoging. [eiser] vordert voorts dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan hem een bedrag van € 2.080,– bruto per maand te betalen ter zake salaris vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, alles onder verstrekking van een deugdelijke netto/bruto specificatie op straffe van een dwangsom van € 100,– per dag dat [gedaagde] hiermee, na vijf dagen na betekening van het vonnis, in gebreke blijft.

3.3.

De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en behoort daarom te worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom de kantonrechter bovenmatig voorkomt en zal worden beperkt tot een bedrag van € 50,– per dag en tot een maximum van € 1.000,–.

3.4.

[gedaagde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de (na)kosten van deze procedure worden veroordeeld, tot op heden aan de zijde van [eiser] gevallen en begroot op € 815,08, te weten:

  • € 1,08, ter zake kosten dagvaarding;

  • € 93,–, ter zake griffierecht;

  • € 577,–, ter zake gemachtigde salaris;

  • € 144,–, ter zake nakosten.

4 de beslissing in kort geding

de kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van:

  • € 9.670,– bruto, ter zake achterstallig salaris over de maanden december 2025, januari 2026, februari 2026, april 2026 en mei 2026;

  • € 1.747,20 bruto, ter zake vakantiegeld over de periode 15 juli 2025 tot en met 31 mei 2026;

  • € 5.708,60 bruto, ter zake wettelijke verhoging;

  • € 2.080,– bruto per maand, ter zake salaris vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de rechtsgeldige beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over het loon vermeerderd met de wettelijke verhoging, tekens vanaf de dag van verzuim van iedere loontermijn en berekend tot de dag van de voldoening;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken, zulks op straffe van een dwangsom van € 50,– per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft tot een maximum van een bedrag van € 1.000,–;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op vandaag aan de zijde van [eiser] gevallen en begroot op € 815,08;

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »