ECLI:NL:RBOVE:2025:7715

Datum uitspraak
19-12-2025
Instantie
Rechtbank Overijssel
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
08.051295.23 (ontneming)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ontneming. De rechtbank legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 206.190,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank acht op basis van de wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat veroordeelde voordeel heeft genoten vanwege handel in cocaïne.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-051295-23 (P)

Datum vonnis: 19 december 2025

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] (Azerbeidzjan),

wonende aan de [woonplaats].

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 93.500,00.

2 De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 2 oktober 2025 en

5 december 2025. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig met de behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.

De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat te Oldenzaal, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 206.190,00 en dat de rechtbank de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 206.190,00.

2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, zakelijk weergegeven en overeenkomstig een op schrift gestelde pleitnota, op het volgende standpunt gesteld. De verdediging gaat uit van tussenhandel per kilo. Volgens veroordeelde verdiende hij maximaal € 500,00 aan een doorverkochte kilo cocaïne. De raadsman gaat uit van een bedrag van 7 x € 500,00. Daarop kunnen de kosten voor de aanschaf van een SKY-ECC toestel (minimaal € 729,00) in mindering worden gebracht. De abonnementskosten waren € 600,00 per kwartaal. Op basis van de tenlastegelegde periode van 9 maanden gaat het volgens de verdediging om een bedrag van € 1.800,00.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 19 december 2025, voor zover van belang, veroordeeld voor de strafbare feiten:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2 en feit 3

het misdrijf: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen, inlichtingen te verschaffen,

en

zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,

en

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank acht op basis van de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte

bewijsmiddelen en het voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen

voordeel opgemaakt rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 19 juni 20231 dat veroordeelde financieel voordeel heeft genoten uit de door hem gepleegde strafbare feiten.

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast.

Berekening

De rechtbank gaat er op basis van de bewezenverklaring van uit dat verdachte in 2020 tenminste 6 kilo en in 2021 tenminste 8 cocaïne heeft verhandeld. Uit het dossier volgt dat er in 2021, een hoeveelheid van 350 gram cocaïne uit een partij van 7 kilo ontbreekt. De rechtbank gaat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom uit van 7650 gram.

2020

6000 x € 51,00 (straatprijs 20202) = € 306.00,00

Minus 6 x € 34.000,00 (maximale inkoopprijs op basis van chatgesprekken3) = € 204.000,00

€ 306.000,00 - € 204.000,00 = € 102.000,00

2021

7650 x € 44,60 (straatprijs 20214) = € 341.190,--

minus € 203.000,00 (inkoop 6650 gram) minus 1 x € 34.000,00 (maximale inkoopprijs op basis van chatgesprekken5) = € 237.000,00

€ 341.190,00 - € 237.000,00 = € 104.190,00

Totaal € 102.000,00 + € 104.190,00 = € 206.190,00

Kosten

Volgens de raadsman kunnen de kosten voor de aanschaf van een SKY-ECC toestel (minimaal € 729,00) in mindering worden gebracht. Veroordeelde heeft ter zitting verklaart dat hij dat toestel heeft gekregen in de shisha lounge. Gelet op de verklaring van de veroordeelde worden de kosten van het toestel niet in mindering gebracht.

Conclusie

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 206.190,00.

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € € 206.190,00.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 206.190,00;

  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 206.190,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Buiten staat

Mr. B.T.C. Jordaans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »