RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 12243795 \ CV EXPL 26-4156
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2026
in de zaak van
RIJSCHOOL KENNIS B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: Rijschool Kennis,
gemachtigde: mr. N. Rachid,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
niet verschenen.
1 De procedure
De procedure is ingeleid met twee dagvaardingen met producties 1 tot en met 10, die op 22 juli 2026 aan respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn betekend. Daarnaast heeft Rijschool Kennis bij brief van 11 augustus 2026 productie 11 in het geding gebracht.
Op 19 augustus 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Rijschool Kennis is ter zitting verschenen [A] , directeur grootaandeelhouder, bijgestaan door mr. P.E. Epping, als waarnemer voor mr. N. Rachid, die via een telefonische verbinding gedeeltelijk heeft deelgenomen aan de zitting. Namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is niemand ter zitting verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens die behandeling is besproken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter gezegd dat uiterlijk 1 september 2026 vonnis zal worden gewezen. Dit is vervroegd naar vandaag.
2 De vordering
Rijschool Kennis vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk veroordeelt tot terugbetaling van € 7.319,44 aan Rijschool Kennis op grond van ongerechtvaardigde verrijking binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;
subsidiair
gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk veroordeelt tot terugbetaling van € 3.000,00 aan Rijschool Kennis op grond van onverschuldigde betaling binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;
met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding en de nakosten.
Rijschool Kennis legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.
Naar aanleiding van een advertentie voor de huur van een bedrijfsruimte (bestaande uit een kantoorruimte en een garage), staande en gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , is Rijschool Kennis in contact gekomen met [gedaagde 1] . Op 17 januari 2026 heeft [gedaagde 1] Rijschool Kennis een offerte voor een huurovereenkomst gestuurd en heeft Rijschool Kennis de bedrijfsruimte bezocht. Zij heeft [gedaagde 1] vervolgens laten weten alleen de garage te willen huren. [gedaagde 1] heeft Rijschool Kennis op 27 januari 2026 bericht dat de kantoorruimte reeds verhuurd was en dat zij de garage zou kunnen huren. Vervolgens is Rijschool Kennis op 30 januari 2026 naar de garage gegaan om metingen te doen omdat de garage moest worden aangepast om het te kunnen gebruiken voor het leasen van auto’s. [gedaagde 1] heeft Rijschool Kennis toegezegd een huurovereenkomst op te stellen per 1 maart 2026 en alvast een waarborgsom in rekening gebracht van € 3.000,00. Rijschool Kennis heeft deze waarborgsom op 31 januari 2026 voldaan. Vervolgens heeft Rijschool Kennis de benodigde materialen besteld en zijn de werkzaamheden aan de garage gestart. Op 25 februari 2026 heeft [gedaagde 1] Rijschool Kennis echter laten weten dat zij haar geen huurovereenkomst kon aanbieden omdat zij niet bevoegd zou zijn de huurovereenkomst te sluiten.
Rijschool Kennis heeft ter voorbereiding van de huurovereenkomst en het drijven van haar onderneming de volgende kosten gemaakt:
-
€ 319,44 voor het beletteren van de bedrijfsruimte;
-
€ 1.000,00 voor het mislopen van inkomsten door het bezoeken van de bedrijfsruimte ten behoeve van de voorbereiding van de bedrijfsruimte;
-
€ 3.000,00 voor de aanschaf van een gereedschapskist;
-
€ 3.000,- aan borg.
Rijschool Kennis vordert primair dat gedaagden worden veroordeeld om voornoemde posten aan haar te vergoeden omdat zij hierdoor ongerechtvaardigd zijn verrijkt zoals bedoeld in artikel 6:212 BW. Rijschool Kennis heeft vernomen dat een nieuwe huurder (een derde), de garage in gebruik heeft genomen. De nieuwe huurder gebruikt de garage ook voor het leasen van auto’s. Door de aanpassingen van Rijschool Kennis aan de garage zijn gedaagden zonder rechtsgrond verrijkt. Rijschool Kennis heeft kosten gemaakt waardoor gedaagden de garage, geschikt voor het leasen van auto’s, kunnen verhuren.
Subsidiair dient in ieder geval de betaalde borg te worden terugbetaald op grond van artikel 6:203 BW.
3 De beoordeling
Aangezien niemand namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting is verschenen en alle voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht genomen, verleent de kantonrechter tegen hen verstek.
De vordering betreft betaling van geldsommen. Voor toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is vereist dat het treffen van de verzochte voorziening geboden is uit hoofde van onverwijlde spoed. Gelet op het door Rijschool Kennis gestelde vermoeden van geldnood aan de zijde van gedaagden en haar vrees dat de verhaalsmogelijkheden met het verstrijken van de tijd beperkter worden, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende spoedeisend belang aanwezig.
Voor toewijzing van de voorlopige voorziening zoals door Rijschool Kennis wordt gevorderd, moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.
Op basis van de processtukken en hetgeen door Rijschool Kennis ter zitting is aangevoerd en toegelicht, waartegen door gedaagden geen verweer is gevoerd, wordt in rechte uitgegaan van de juistheid van de stellingen van Rijschool Kennis. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, voor zover deze betrekking heeft op terugbetaling van de waarborgsom (€ 3.000,00) en de vergoeding van de kosten van de aangebrachte belettering (€ 319,44). Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.
Het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op het mislopen van inkomsten en de door Rijschool Kennis aangeschafte gereedschapskist wordt afgewezen omdat dit niet kan worden toegewezen op de door Rijschool Kennis aangevoerde rechtsgronden. Van een betaling (of het geven van een goed) aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] zonder rechtsgrond is geen sprake. Evenmin is sprake van een ongerechtvaardigde verrijking daar [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] niet zijn verrijkt door de bezoeken van Rijschool Kennis aan de garage dan wel door de aanschaf van de gereedschapskist. Ten aanzien van de gereedschapskist heeft Rijschool Kennis ter zitting immers verklaard dat deze niet in de garage is achtergebleven maar in haar eigen bezit is.
Aangezien de vordering van Rijschool Kennis voor een substantieel deel wordt toegewezen dienen gedaagden de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen. De proceskosten van Rijschool Kennis worden vastgesteld op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
257,30 |
|
|
- griffierecht |
€ |
559,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
577,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.537,30 |
De veroordeling wordt zoals gevorderd hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
4 De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan Rijschool Kennis te betalen een bedrag van € 3.319,44,00;
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.537,30, te vermeerderen met de kosten van betekening van het vonnis in het geval het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026. |
||