RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 12120150 \ CV EXPL 26-1818
Vonnis in kort geding van 14 juli 2026
in de zaak van
STICHTING WOONBEDRIJF SWS.HHVL,
te Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonbedrijf,
gemachtigde: mr. B. Poort,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats ] ,
gemachtigde: mr. D.G.B.M. van Rooij,2. [gedaagde 2],
te [plaats ] ,
niet verschenen3. [gedaagde 3],
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en gedaagde sub 3.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 55;
- de aanvullende producties 56 tot en met 60 van Woonbedrijf;- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] met producties 1 tot en met 12;- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de spreekaantekeningen die de gemachtigde van Woonbedrijf ter gelegenheid daarvan heeft overgelegd en voorgedragen.
2 De feiten
Met ingang van 2 februari 2017 verhuurt Woonbedrijf aan [gedaagde 1] de woonruimte aan het adres [adres] in [plaats ] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt op het moment van dagvaarden € 694,77 per maand en moet bij vooruitbetaling uiterlijk op de eerste dag van de maand zijn betaald.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden d.d. 1 november 2004 van Woonbedrijf (hierna: algemene huurvoorwaarden) van toepassing verklaard.
In de huurovereenkomst is onder meer het volgende afgesproken:
“Artikel 2
Het gehuurde is uitsluitend bestemd om als woonruimte te worden gebruikt door huurder
en de leden van zijn huishouden.”
In de algemene huurvoorwaarden is onder meer het volgende afgesproken:
“Gebruik
6.2.1
Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte gebruiken, voor hem
en leden van zijn huishouden, en er zijn hoofdverblijf hebben. Hij zal het gehuurde,
waaronder begrepen alle aanhorigheden en de eventuele gemeenschappelijke ruimten,
overeenkomstig de bestemming gebruiken en deze bestemming niet wijzigen. […]
Onderverhuur of in gebruik geven
6.6.1
Het is huurder uitdrukkelijk verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming
van verhuurder het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of aan derden in
gebruik te geven. Een verzoek tot toestemming dient schriftelijk te worden gedaan, onder
vermelding van de naam van de onderhuurder, de onderhuurprijs en de ingangsdatum van
de beoogde onderhuurovereenkomst. Mondelinge toestemming wordt niet als
toestemming beschouwd.
Een door verhuurder gegeven toestemming is eenmalig en geldt niet voor andere of
opvolgende gevallen.
6.6.2
Indien de huurder het gehuurde zonder de schriftelijke toestemming van verhuurder geheel
of gedeeltelijk heeft onderverhuurd, in huur heeft afgestaan of aan derden in gebruik heeft
gegeven, rust de bewijslast op de huurder dat hij het onafgebroken hoofdverblijf heeft in het
gehuurde. Voor ongeoorloofde onderhuur geldt voorts dat huurder alle door onderhuur
verkregen inkomsten aan verhuurder dient af te dragen, onverminderd het recht van
verhuurder aanspraak te maken op de contractuele boete als bedoeld in artikel 14 van deze
voorwaarden.
6.6.3
Indien verhuurder reden heeft om aan te nemen dat er sprake is van gehele of gedeeltelijke
ingebruikgeving of onderhuur, is huurder verplicht om mee te werken aan een daarop
gericht onderzoek van verhuurder.
Verhuurder en/of derden namens verhuurder zijn gerechtigd om in het kader van dit
onderzoek in het gehuurde binnen te treden. Desgevraagd is huurder onder meer verplicht
de personalia van de gebruiker(s) of onderhuurder(s) en de onderhuurovereenkomst te
verstrekken.”
Vanaf november 2020 tot nu heeft Woonbedrijf signalen en meldingen vanuit de directe woonomgeving van het gehuurde ontvangen, die erop wijzen dat [gedaagde 1] niet in het gehuurde woont en dat er voortdurend derden in het gehuurde hebben verbleven en verblijven. Medewerkers van Woonbedrijf hebben door de jaren heen tientallen onaangekondigde huisbezoeken afgelegd en tijdens die huisbezoeken meerdere malen geconstateerd dat derden, waaronder [gedaagde 2] , in het gehuurde aanwezig waren. Slechts sporadisch is [gedaagde 1] in het gehuurde aangetroffen. Woonbedrijf heeft [gedaagde 1] meerdere malen zowel mondeling als schriftelijk gewaarschuwd dat het niet is toegestaan het gehuurde onder te verhuren, dan wel in gebruik te geven aan derden.
Tussen partijen is ook een bodemprocedure aanhangig. In die procedure vordert Woonbedrijf onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter in de bodemprocedure heeft bepaald dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden op een nog onbekende datum. De bodemprocedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 12141278 CV EXPL 26-2266.
3 Het geschil
Woonbedrijf vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. veroordeling van gedaagden tot ontruiming van het gehuurde binnen drie dagen na betekening van het vonnis;
II. veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan Woonbedrijf van € 694,77 aan huurachterstand, berekend tot en met februari 2026, vermeerderd met de wettelijke rente;
III. veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling aan Woonbedrijf van de maandelijkse huurprijs met ingang van 1 maart 2026 tot de dag van de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente;
met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
Woonbedrijf legt – samengevat – aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst. [gedaagde 1] heeft niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde en heeft het gehuurde aan diverse derden, waaronder aan [gedaagde 2] , onderverhuurd, althans in gebruik gegeven. Die personen verblijven zonder recht of titel in het gehuurde. Ook heeft [gedaagde 1] stelselmatig de huur niet op tijd betaald en is sprake van een huurachterstand. Volgens Woonbedrijf heeft zij een spoedeisend belang bij de vordering dat bestaat uit het beëindigen van een onrechtmatige situatie in een schaarse sociale huurwoning. Ontruiming is nodig zodat Woonbedrijf het gehuurde kan verhuren aan een woningzoekende op de wachtlijst die daar volgens het woningverdelingsstelsel aanspraak op maakt.
[gedaagde 1] voert – samengevat – het volgende verweer dat erop neer komt dat de vordering moet worden afgewezen. [gedaagde 1] betwist de gestelde tekortkomingen. Volgens [gedaagde 1] heeft hij nooit betalingen ontvangen van derden voor gebruik van het gehuurde. De derden die zijn aangetroffen in het gehuurde zijn mensen uit zijn netwerk, die hem ondersteunen of waarmee hij samenwerkt. [gedaagde 2] is zijn ex-partner. De relatie is inmiddels verbroken en zij is teruggekeerd naar [land] . [gedaagde 1] stelt verder dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Dat hij niet vaak is aangetroffen tijdens de door Woonbedrijf afgelegde huisbezoeken, is volgens hem te verklaren doordat hij lange werkdagen maakt en vaak afspraken heeft in het ziekenhuis. Verder betwist [gedaagde 1] dat Woonbedrijf een spoedeisend belang heeft bij ontruiming van het gehuurde. Woonbedrijf heeft sinds 2020 meldingen en signalen ontvangen over de woonsituatie van [gedaagde 1] , maar heeft pas in 2026 een vordering ingesteld.
Op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
het spoedeisend belang
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als Woonbedrijf daarbij voldoende spoedeisend belang heeft. Dit is onder deze omstandigheden het geval. Woonbedrijf heeft voldoende toegelicht dat zij als verhuurster van sociale huurwoningen – waarvoor lange wachtlijsten bestaan – een spoedeisend belang heeft om in kort geding de ontruiming van het gehuurde te vorderen als sprake blijkt van onrechtmatige bewoning / woonfraude. Woonbedrijf wil op die manier zorgen voor een eerlijke verdeling van die schaarse sociale huurwoningen en heeft als woningcorporatie op dit punt ook een wettelijke taak. Dat Woonbedrijf al eerder, sinds november 2020, meldingen en signalen heeft ontvangen over de woonsituatie van [gedaagde 1] en onderzoek heeft gedaan, staat niet aan het aannemen van een spoedeisend belang in de weg. Uit de toelichting van Woonbedrijf ter zitting begrijpt de kantonrechter dat zij eind 2025 opnieuw signalen en meldingen met betrekking tot onregelmatigheden in het gehuurde heeft ontvangen, deze opnieuw heeft onderzocht én dit onderzoek heeft geïntensiveerd. Woonbedrijf heeft toegelicht dat zij in 2026 in totaal 34 onaangekondigde huisbezoeken heeft afgelegd, waarbij [gedaagde 1] steeds niet is aangetroffen en er opnieuw derden zijn aangetroffen in het gehuurde. Dit heeft ertoe geleid dat Woonbedrijf deze kortgedingprocedure is gestart omdat [gedaagde 1] zich volgens haar niet aan de huurovereenkomst houdt. Dat de dagvaarding zeer uitgebreid is, staat niet aan een spoedeisend belang in de weg. In hoeverre het geschil geschikt is voor de beoordeling in een kort geding, wordt hieronder besproken.
het toetsingskader
Het gaat in deze zaak om een kort geding waarbij ontruiming van woonruimte wordt gevorderd. Dat is een vergaande maatregel, die diep ingrijpt in het woonrecht van [gedaagde 1] en die in de praktijk vaak onomkeerbare gevolgen heeft. Gezien de (mogelijk) ernstige gevolgen kan een ontruiming in kort geding slechts dan worden uitgesproken, indien geoordeeld wordt dat ontruiming op korte termijn noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarnaast zal aannemelijk moeten zijn dat de bodemrechter met een grote mate van waarschijnlijkheid de huurovereenkomst zal ontbinden wegens de gestelde tekortkomingen, en tot ontruiming zal veroordelen. Op grond van artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van de huurder de verhuurder de bevoegdheid om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Slechts een tekortkoming van voldoende gewicht geeft recht op ontbinding van de overeenkomst. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met het woonbelang van [gedaagde 1] . Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in kort geding geen plaats. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
de vordering tot ontruiming en de daaraan ten grondslag gelegde tekortkomingen
Aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde heeft Woonbedrijf meerdere tekortkomingen van [gedaagde 1] ten grondslag gelegd. Volgens Woonbedrijf heeft [gedaagde 1] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde en heeft hij het gehuurde zonder toestemming aan derden in gebruik gegeven of onderverhuurd. Verder stelt Woonbedrijf dat [gedaagde 1] het gehuurde onbeheerd heeft achtergelaten, de bestemming van het gehuurde heeft gewijzigd, niet heeft meegewerkt aan de uitvoering van onderhoud aan de cv-ketel en de huur niet tijdig heeft betaald. Het primaire standpunt van Woonbedrijf is dat het zonder toestemming in gebruik gegeven of onderverhuren van een sociale huurwoning aan derden op zichzelf genomen, los van de andere gestelde tekortkomingen, voldoende grond voor toewijzing van de vordering tot ontruiming oplevert. Ter zitting heeft Woonbedrijf verzocht die tekortkoming eerst te beoordelen. De kantonrechter ziet, mede gelet op dat verzoek en de overige omstandigheden van deze zaak, aanleiding om eerst in te gaan op de gestelde onderverhuur / ingebruikgeving aan derden.
In artikel 2 van de huurovereenkomst en artikel 6.2.1. van de algemene huurvoorwaarden is bepaald dat het gehuurde slechts mag worden gebruik als woonruimte voor [gedaagde 1] en de leden van zijn huishouden. Verder is het [gedaagde 1] op grond van artikel 6.6.1. van de algemene huurvoorwaarden niet toegestaan om het gehuurde zonder schriftelijke toestemming van Woonbedrijf in gebruik te geven of onder te verhuren aan derden. In deze zaak staat vast dat [gedaagde 1] hiervoor geen toestemming heeft gekregen.
Woonbedrijf heeft gesteld dat herhaaldelijk derden zijn aangetroffen in het gehuurde die niet tot het huishouden van [gedaagde 1] behoren. Het gaat daarbij om de volgende personen:
-
In december 2020 hebben medewerkers van Woonbedrijf twee personen van Aziatische afkomst in het gehuurde aangetroffen. [gedaagde 1] was niet aanwezig.
-
In januari 2021 hebben medewerkers van Woonbedrijf opnieuw een Aziatische man in het gehuurde aangetroffen. [gedaagde 1] gaf tijdens het huisbezoek aan dat zowel hij als de Aziatische man in het gehuurde woonden.
-
Op 19 november 2025 hebben medewerkers van Woonbedrijf twee mannen in het gehuurde aangetroffen. Een van de twee mannen, de heer [A] (hierna: [A] ), heeft tegenover de medewerkers verklaard dat hij samen met [gedaagde 1] in het gehuurde woont, er nog circa drie maanden zal blijven en in afwachting is van een beslissing van de IND. De andere aangetroffen man heeft verklaard dat hijzelf niet in het gehuurde woont, maar op bezoek is bij [A] , die een ex-collega is, dat [A] alleen in het gehuurde woont en dat er maar één bed aanwezig is in het gehuurde.
-
Op 27 februari 2026 hebben medewerkers van Woonbedrijf [gedaagde 2] in het gehuurde aangetroffen. [gedaagde 2] heeft tegenover hen verklaard dat [gedaagde 1] een vriend van de familie / vriend haar broer is en dat zij niet de partner van [gedaagde 1] is. Verder heeft [gedaagde 2] verklaard dat zij kosteloos van [gedaagde 1] in het gehuurde mag wonen.
-
Op 6 maart 2026 heeft de deurwaarder bij het betekenen van de dagvaarding in de bodemprocedure [gedaagde 2] opnieuw in het gehuurde aangetroffen. Tegenover de deurwaarder heeft [gedaagde 2] verklaard dat zij niet de partner van [gedaagde 1] is, maar “a friend”.
-
Op 3 juni 2026 hebben medewerkers van Woonbedrijf een man in het gehuurde aangetroffen, die heeft verklaard dat hij de broer van [gedaagde 1] is.
[gedaagde 1] heeft als zodanig niet betwist dat de hierboven genoemde personen in het gehuurde zijn aangetroffen en hebben verbleven. [gedaagde 1] heeft gesteld dat hij vanwege gezondheidsproblemen mensen uit zijn netwerk heeft gevraagd hem te ondersteunen, onder meer met schoonmaken, boodschappen doen en met vervoer, omdat de gemeente zijn Wmo-aanvraag in dit verband heeft afgewezen. Volgens [gedaagde 1] hebben deze personen hoogstens kort in het gehuurde verbleven en hebben zij hem geen vergoeding of huur betaald. Over [gedaagde 2] heeft [gedaagde 1] gesteld dat zij zijn toenmalige partner is en dat de relatie inmiddels is verbroken.
Anders dan [gedaagde 1] lijkt te betogen, is het voor schending van artikel 6.6.1. van de algemene huurvoorwaarden niet vereist dat [gedaagde 1] betalingen heeft ontvangen van de derden die in het gehuurde verblijven. Of [gedaagde 1] zelf zijn hoofdverblijf heeft in de woning – dit zal hieronder nog worden toegelicht – is eveneens niet doorslaggevend voor de vraag of hij het verbod van artikel 6.6.1. van de algemene huurvoorwaarden heeft geschonden. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Woonbedrijf voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 1] het gehuurde gedurende een langere tijd zonder toestemming van Woonbedrijf in gebruik heeft gegeven aan meerdere derden die niet tot de leden van zijn huishouden behoren. Dit wordt als volgt toegelicht.
Aan de stelling dat de aangetroffen derden slechts kortstondig in het gehuurde aanwezig waren, al dan niet om [gedaagde 1] te ondersteunen, wordt voorbij gegaan. De stellingen en verklaringen van [gedaagde 1] daarover zijn namelijk niet consistent en ook niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Over het verblijf van [A] heeft [gedaagde 1] in zijn e-mail van 20 november 2025 (productie 30 bij de dagvaarding) aan Woonbedrijf geschreven dat hij [A] via zijn stichting [naam] begeleidt, dat [A] geen vaste woonplaats heeft en dat [A] tijdelijk in het gehuurde verblijft voor opvang en begeleiding. Ook heeft [gedaagde 1] in die e-mail geschreven dat hij een afspraak heeft gemaakt bij de gemeente [plaats ] om [A] in te schrijven op het adres van het gehuurde. In de brief / e-mail van 1 januari 2026 (productie 42 bij de dagvaarding) aan Woonbedrijf neemt [gedaagde 1] echter een ander standpunt in, namelijk dat [A] een vriend is, die zich in een kwetsbare medische situatie bevindt, en dat [A] hem helpt met praktische zaken. Ook schrijft [gedaagde 1] dat [A] niet bij hem in het gehuurde woont, maar dat [A] af en toe in het gehuurde aanwezig is. De inhoud van deze e-mails is niet alleen innerlijk tegenstrijdig, maar ook (deels) tegenstrijdig met de verklaring van [A] zelf en de andere man zoals vastgelegd in de interne notitie van het huisbezoek op 19 november 2025 en opgenomen in de schriftelijke verklaringen van de medewerkers van Woonbedrijf (producties 28 en 29 bij de dagvaarding). Daaruit volgt immers dat [A] in het gehuurde woont en nog voor drie maanden zal verblijven in het gehuurde.
Ook de verklaring van [gedaagde 1] dat [gedaagde 2] zijn toenmalige partner is, in niet in lijn met wat [gedaagde 2] daarover zelf tegenover de medewerkers van Woonbedrijf en de deurwaarders heeft verklaard (zie producties 53 en 55 bij de dagvaarding). Hetzelfde geldt voor de man die op 3 juni 2026 in het gehuurde is aangetroffen. [gedaagde 1] heeft verklaard dat deze man zijn zakenpartner is, terwijl de man tegenover de medewerkers van Woonbedrijf heeft verklaard dat hij de broer van [gedaagde 1] is (zie producties 60 en de overgelegde geluidsopname). Woonbedrijf heeft uitdrukkelijk op de bovengenoemde tegenstrijdigheden gewezen. [gedaagde 1] is daar niet nader op ingegaan en heeft geen verklaring voor deze discrepanties in de verklaringen gegeven.
Daarnaast heeft Woonbedrijf een schriftelijke verklaring d.d. 3 december 2025 van omwonende [omwonende] (hierna: [omwonende] ) in het geding gebracht (productie 34 bij de dagvaarding). [omwonende] heeft verklaard dat het gehuurde de afgelopen tien jaar niet door [gedaagde 1] , maar de diverse personen is bewoond, die circa drie of vier maanden in het gehuurde verblijven en daarna weer vertrekken. De verklaring van [omwonende] sluit aan bij de verklaring van [A] . [gedaagde 1] is niet ingegaan op de verklaring van [omwonende] .
Verder heeft Woonbedrijf verwezen naar door haar opgemaakte gespreksverslagen/notities van contact met en e-mails van andere omwonenden, die hebben verklaard het gehuurde door derden wordt bewoond en dat [gedaagde 1] het gehuurde op internet te huur aanbiedt aan derden. Weliswaar zijn deze stukken geanonimiseerd, maar de inhoud van de verklaringen zijn ondersteunend aan de verklaring van [omwonende] en de constateringen van Woonbedrijf in de door haar overgelegde rapportages van de afgelegde huisbezoeken dat gedurende een langere tijd derden in het gehuurde hebben verbleven. [gedaagde 1] heeft op zijn beurt geen verklaringen van [A] , [gedaagde 2] en/of andere aangetroffen derden of omwonenden in het beding gebracht, die zijn lezing onderbouwen. Tegen deze achtergrond valt niet goed in te zien dat nader onderzoek in een bodemprocedure naar de feiten en omstandigheden met betrekking tot de onrechtmatige bewoning door derden die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering tot ontruiming, tot een andere conclusie zal leiden. Immers staat vast dat bij herhaling derden in het gehuurde zijn aangetroffen, terwijl voor hun aanwezigheid geen aannemelijke verklaring bestaat, althans niet door [gedaagde 1] is gegeven, anders dan dat die derden het gehuurde zonder toestemming van Woonbedrijf bewonen.
De slotsom is daarom dat het aannemelijk is dat [gedaagde 1] het gehuurde meermaals in gebruik heeft gegeven aan (niet tot zijn gezin behorende) derden, en op die wijze in de nakoming van de huurovereenkomst tekort is geschoten. Woonbedrijf heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat deze tekortkoming in een bodemprocedure zal leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst. Onrechtmatige ingebruikgeving op deze schaal is een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die op zichzelf genomen voldoende grond voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure oplevert, zo blijkt ook uit de rechtspraak waarnaar Woonbedrijf in de dagvaarding heeft verwezen. Voor zover er nu geen andere personen meer in het gehuurde zouden verblijven, zoals [gedaagde 1] ter zitting heeft gesteld, maakt dat de tekortkoming niet ongedaan. Of (ook) sprake is geweest van onderhuur, is voor de overtreding van de desbetreffende verbodsbepaling en het bestaan van een tekortkoming, zoals hiervoor al overwogen, niet van belang. In het midden kan daarnaast blijven of [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad) en óók op die grond tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst. Ook al zou [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf in het gehuurde hebben (gehad), dan nog is onrechtmatige ingebruikgeving niet toegestaan en is sprake van een ernstige tekortkoming. Bespreking van de overige tekortkomingen kan om dezelfde redenen achterwege blijven.
Een belangafweging leidt niet tot een ander oordeel. Woonbedrijf heeft een zwaarwegend belang bij het optreden tegen woonfraude en de daarmee gepaard gaande risico’s en negatieve randverschijnselen in haar woningenbestand en de woonomgeving daar omheen. Daarom heeft zij ook een groot belang bij een voortvarende ontruiming van het gehuurde, vooruitlopend op een te verwachten ontbinding van de huurovereenkomst in de bodemprocedure, die naar verwachting nog langere tijd zal duren. Dat belang weegt zwaarder dan het woonbelang van [gedaagde 1] (veronderstellenderwijs dat hij zijn hoofdverblijf wel in het gehuurde heeft). Een ontruiming is vanzelfsprekend zeer ingrijpend en inherent daaraan zijn de nadelige gevolgen daarvan, maar dat is als op zichzelf genomen onvoldoende om het belang van [gedaagde 1] te laten prevaleren. Het is nu in de eerste plaats aan [gedaagde 1] om de nadelige gevolgen van een ontruiming zo veel mogelijk af te wentelen. Het gestelde ziektebeeld, dat er overigens niet aan in de weg staat dat [gedaagde 1] naar eigen zeggen iedere dag ’s ochtend vroeg van huis gaat en pas zeer laat in de nacht thuis komt om voor zijn vier (grote) ondernemingen verspreid over Nederland te werken, legt onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen. [gedaagde 1] heeft zijn woonbelang zelf op het spel gezet door het gehuurde bewust (gedeeltelijk) in gebruik te geven aan derden, terwijl hij meerdere malen door Woonbedrijf is gewaarschuwd dat ingebruikgeving zonder toestemming aan derden niet is toegestaan. Tot slot leidt het beroep van [gedaagde 1] op artikel 3 lid 1 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) ook niet tot een ander oordeel omdat uit zijn eigen stellingen blijkt dat zijn kinderen bij hun moeder in [plaats ] wonen. Tegen de onderbouwde stellingen van Woonbedrijf dat tijdens de huisbezoeken nooit spullen van kinderen zijn aangetroffen en dat [gedaagde 2] heeft verklaard dat zij de kinderen van [gedaagde 1] niet kent, heeft [gedaagde 1] verder onvoldoende ingebracht om te kunnen aannemen dat op een structurele basis omgang met de kinderen plaatsvindt in het gehuurde. Daarbij kan ook omgang buiten het gehuurde plaatsvinden, zoals Woonbedrijf heeft aangevoerd.
De vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. Ten aanzien van [gedaagde 2] en gedaagde sub 3 komt die vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Weliswaar heeft [gedaagde 1] (ongemotiveerd) gesteld dat er op dit moment geen derden in het gehuurde aanwezig zijn, maar vanwege de voldoende aannemelijk gemaakte stelling van Woonbedrijf dat [gedaagde 1] de woning gedurende langere tijd in gebruik heeft gegeven aan derden, kan niet uitgesloten worden dat er op dit moment toch nog personen in de woning verblijven die daar jegens Woonbedrijf geen recht op hebben. Woonbedrijf heeft dus belang bij toewijzing van haar vordering tot ontruiming, ook voor zover gericht tegen de anderen. Als vervolgens blijkt dat er zich toch geen derden in het gehuurde bevinden, heeft er ook niemand last van deze veroordeling. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter ziet geen reden om een langere ontruimingstermijn toe te kennen, gelet op de omstandigheid dat [gedaagde 1] sinds de betekening van de kortgedingdagvaarding op 24 april 2026 rekening heeft kunnen houden met de eventuele uitkomst van deze procedure en naar alternatieven heeft kunnen zoeken.
de vordering tot het betalen van de huurachterstand en de huurtermijnen
Uit wat partijen daarover hebben gesteld, begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde 1] bij herhaling een huurachterstand van één maand heeft laten ontstaan doordat hij de huur niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de eerste van de maand, betaalt. Ten tijde van de mondelinge behandeling is de huur tot en met de maand juni 2026 voldaan, maar de huur voor de maand juli 2026 nog niet. Op dit moment is onduidelijk of [gedaagde 1] de huur voor juli 2026 (tijdig) zal betalen. De kantonrechter zal [gedaagde 1] veroordelen tot het betalen van de huurtermijnen, voor zover de termijnen niet tijdig zijn betaald, vanaf 1 juli 2026 totdat het gehuurde is ontruimd.
De gevorderde wettelijke rente is niet toewijsbaar. Sprake is van een huurovereenkomst gesloten tussen een verhuurder die handelt in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit en een huurder die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. De kantonrechter moet in dat geval over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de overeenkomst en de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken, ook in hun onderlinge samenhang, al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, moet het oneerlijke beding worden vernietigd en wordt de vordering afgewezen als deze is of kan worden gegrond op het beding. Het rentebeding zoals opgenomen in artikel 6.1.1. van de algemene voorwaarden is in overeenstemming met de wettelijke regeling van artikel 6:119 BW en is daarom op zichzelf niet oneerlijk. In combinatie met het boetebeding van artikel 14 van de algemene voorwaarden is het rentebeding echter wel oneerlijk omdat de boete ook ziet op de betalingsverplichting van de huurder. De mogelijkheid van het in rekening brengen van deze boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op en verstoort het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de huurder aanzienlijk. Dat geen boete is gevorderd, is niet van belang voor de beoordeling of het beding oneerlijk is. Naar verwachting zal de bodemrechter het rentebeding vernietigen en de gevorderde rente afwijzen.
uitvoerbaar bij voorraad
[gedaagde 1] voert verweer tegen de vordering om de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hij stelt in dit verband dat een ontruiming onomkeerbaar is als later in de bodemprocedure of in een eventueel hoger beroep anders wordt geoordeeld. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de veroordeling tot ontruiming verdraagt zich niet met de aard van de ontruimingsvordering in kort geding. Woonbedrijf heeft er, zoals hiervoor in het kader van de belangenafweging is overwogen, een zwaarder wegend belang bij dat de woning spoedig wordt ontruimd zodat zij het gehuurde kan verhuren aan een huurder die zich wel aan de verplichtingen uit de huurovereenkomst houdt. Daarbij past niet dat [gedaagde 1] in het gehuurde zou mogen blijven wonen totdat op een eventueel rechtsmiddel is beslist. Het is namelijk aan [gedaagde 1] zelf te wijten dat het tot een ontruiming is gekomen. Dit betekent dat het voor hem nadelige gevolg van de ontruiming geen reden kan zijn om de veroordeling(en) in het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De veroordelingen in dit vonnis zullen daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals ook het uitgangspunt in de wet is.
de proceskosten
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en worden daarom hoofdelijk in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van Woonbedrijf worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
154,09 |
|
|
- griffierecht |
€ |
350,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
865,00 |
|
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.513,09 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5 De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
veroordeelt (alle) gedaagden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en ontruimd te houden met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonbedrijf zijn, en de sleutels af te geven aan Woonbedrijf;
veroordeelt [gedaagde 1] om te betalen aan Woonbedrijf de per maand verschuldigde huurprijs, die op dit moment € 694,77 per maand bedraagt, voor zover de huurtermijnen niet (tijdig) zijn betaald, vanaf 1 juli 2026 tot het tijdstip waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
veroordeelt (alle) gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.513,09, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
veroordeelt (alle) gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Iding en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.