RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4118
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Den Haag, de inspecteur
(gemachtigde: mr. [naam 1] ).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2018, de daarbij opgelegde boete en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag, de boete en de belastingrente. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de aanslag, de boete en de belastingrentebeschikking terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag, de boete en de belastingrentebeschikking allemaal moeten worden vernietigd. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen heeft.
Procesverloop
2. De inspecteur heeft met dagtekening 26 maart 2025 aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 901.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 370 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een verzuimboete van € 385 opgelegd.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 september 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 2] .
De rechtbank heeft het onderzoek aan het einde van de zitting geschorst om partijen de mogelijkheid te geven om te verkennen of zij er samen uit zouden kunnen komen (voor meerdere jaren). De rechtbank heeft op 17 april 2026 een bericht van de inspecteur ontvangen, waarin stond dat er geen aanleiding was om tot een compromis te komen. De rechtbank heeft partijen op 15 mei 2026 bericht dat zij het onderzoek heeft gesloten.
Feiten
3.
De inspecteur heeft met dagtekening 15 januari 2018 een voorlopige aanslag IB/PVV 2018 opgelegd aan belanghebbende. Het aanslagbiljet vermeldt een te ontvangen bedrag van € 2.288.
De inspecteur heeft met dagtekening 28 februari 2019 een uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2018 aan belanghebbende verzonden. In de brief staat aangegeven dat de aangifte vóór 1 mei 2019 binnen moet zijn.
Op 17 april 2019 heeft de inspecteur een uitstelverzoek voor het doen van aangifte van belanghebbende ontvangen. Met dagtekening 10 mei 2019 is uitstel verleend tot 1 september 2019.
Op 20 augustus 2019 heeft de inspecteur een (tweede) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen. Met dagtekening 17 september 2019 is (verder) uitstel verleend tot 1 december 2019.
Op 28 oktober 2019 heeft de inspecteur een (derde) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen. Met dagtekening 21 november 2019 is (verder) uitstel verleend tot 1 februari 2020.
Op 15 januari 2020 heeft de inspecteur een (vierde) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen. Bij brief van 3 februari 2020 is aan belanghebbende medegedeeld dat geen (nader) uitstel zal worden verleend.
De inspecteur heeft met dagtekening 21 februari 2020 een herinnering tot het doen van aangifte aan belanghebbende verzonden. Hierin staat aangegeven dat de aangifte vóór 7 maart 2020 binnen moet zijn.
Op 20 april 2020 heeft de inspecteur een (vijfde) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen. Met dagtekening 11 mei 2020 heeft de inspecteur belanghebbende uitstel verleend tot 1 juli 2020.
In de periode vanaf 29 juni 2020 tot en met 13 januari 2022 heeft de inspecteur nog zes uitstelverzoeken van belanghebbende ontvangen. Daarop is steeds uitstel verleend, laatstelijk (op 13 januari 2022) tot 1 april 2022.
Op 18 maart 2022 heeft de inspecteur een (twaalfde) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen. Bij brief van 5 april 2022 is aan belanghebbende medegedeeld dat er geen (nader) uitstel zal worden verleend.
Op 5 april 2022 heeft de inspecteur een (dertiende) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen Met dagtekening 28 april 2022 heeft de inspecteur belanghebbende uitstel verleend tot 1 augustus 2022.
De inspecteur heeft met dagtekening 30 mei 2022 een aanmaning aan belanghebbende gestuurd. De aanmaningsbrief begint met de zin: ‘U hebt uitstel gekregen tot 1 augustus 2022.’. Daarna schrijft de inspecteur dat hij op 21 februari 2020 een herinnering heeft gestuurd, maar dat de aangifte nog niet binnen is. Ten slotte merkt de inspecteur op dat de aangifte vóór 14 juni 2022 binnen moet zijn.
Op 26 juli 2022 heeft de inspecteur een (veertiende) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen Bij brief van 11 augustus 2022 is aan belanghebbende medegedeeld dat er geen (nader) uitstel zal worden verleend, omdat belanghebbende al een aanmaning heeft gekregen.
Op 31 augustus 2022 heeft de inspecteur een (vijftiende) uitstelverzoek van belanghebbende ontvangen Bij brief van 22 september 2022 is aan belanghebbende medegedeeld dat er geen (nader) uitstel zal worden verleend, omdat belanghebbende al een aanmaning heeft gekregen.
De inspecteur heeft met dagtekening 26 maart 2025 ambtshalve een aanslag
vastgesteld. Tegelijk met deze aanslag heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd en heeft hij belastingrente in rekening gebracht (zie 2.1.).
Beoordeling door de rechtbank
4. In geschil is of de aanslag, boete en belastingrentebeschikking juist zijn vastgesteld. De inspecteur is van mening van wel, belanghebbende van niet.
5. De rechtbank heeft allereerst ambtshalve bekeken of de termijn voor het opleggen van de verzuimboete mogelijk is overschreden.1 De rechtbank heeft de inspecteur in dat kader ter zitting gevraagd hoe hij aankijkt tegen het verleende uitstel en wat in dat licht de betekenis is van de aanmaningsbrief. Daarop heeft de inspecteur aangegeven dat hij in de veronderstelling verkeert dat het verleende uitstel met de aanmaningsbrief van 30 mei 2022 is ingetrokken.
6. De rechtbank heeft de inspecteur daarop het volgende voorgehouden. De dagtekening van het aanslagbiljet (en dus ook van de boete) is 26 maart 2025. Normaal gesproken heeft de inspecteur tot 3 jaar na het belastingjaar de tijd om de aanslag op te leggen.2 Voor belastingjaar 2018 heeft de inspecteur dus in ieder geval de tijd tot en met 31 december 2021. In dit geval is er op verzoek (meerdere keren) uitstel verleend en kenbaar verleend uitstel verlengt de aanslagtermijn.3 Het uitstel dat laatstelijk (op 28 april 2022) is verleend, liep tot 1 augustus 2022. De rechtbank constateert dat de inspecteur de aanslag alleen tijdig zou hebben opgelegd als (bijna) de volledige periode vanaf 1 mei 2019 (zie 3.2.) tot 1 augustus 2022 aangemerkt kan worden als kenbaar verleend uitstel. . Er zou dan namelijk voor de duur van in totaal 3 jaar en 3 maanden aan uitstel zijn verleend. Als de rechtbank die periode optelt bij de reguliere aanslagtermijn komt de rechtbank uit op 31 maart 2025; dat was dan dus de allerlaatste dag geweest om de boete op te leggen. De boete is op 26 maart 2025 opgelegd, dus dat zou dan nog net binnen de termijn zijn.
7. De inspecteur heeft echter aangegeven dat het uitstel is ingetrokken met de aanmaningsbrief, dus per 30 mei 2022. Als de rechtbank dat zou volgen en ambtshalve toetst of de inspecteur de boete nog wel op kon leggen, komt zij tot de conclusie dat de boete buiten de termijn is opgelegd en moet worden vernietigd. In de visie van de inspecteur is er immers in totaal slechts voor de duur van 3 jaar en (bijna) 1 maand uitstel verleend, zodat de aanslagtermijn is afgelopen op 30 januari 2025. Op de zitting heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van dit standpunt ook met partijen besproken. Daarop heeft de inspecteur desgevraagd aangegeven dat indien de boete inderdaad buiten de termijn is opgelegd, dat dan ook voor de aanslag en de belastingrentebeschikking moet gelden en dat deze dan eveneens moeten worden vernietigd.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de vaststaande feiten zijn er in dit geval twee routes te bewandelen. 1) De eerste route heeft als startpunt het uitgangspunt dat de inspecteur ook hanteert, namelijk dat het eerder verleende uitstel met de aanmaningsbrief van 30 mei 2022 is ingetrokken. Daarmee eindigt dan ook het rechtsgevolg van verleend uitstel voor de aanslagtermijn: die wordt dan niet (verder) meer verlengd. In dit scenario is de aanmaning als zodanig gewoon rechtsgeldig. Daarnaast houdt de aanmaningsbrief (impliciet) ook de intrekking van het eerder verleende uitstel (tot 1 augustus 2022) in.4 De uiterste termijn voor het indienen van de aangifte was, conform de aanmaning, in dit scenario dus 13 juni 2022. Omdat belanghebbende op die datum geen aangifte had gedaan, heeft belanghebbende het beboetbare feit van artikel 67a van de AWR begaan. De boete moet desondanks worden vernietigd, omdat de rechtbank ambtshalve heeft vastgesteld dat de boete buiten de termijn is opgelegd (zie 7.). Plat gezegd is er in dit scenario te weinig uitstel verleend om de aanslagtermijn voldoende te verlengen.2) De tweede route heeft als startpunt het uitgangspunt dat het tot 1 augustus 2022 verleende uitstel gewoon is blijven bestaan. Dit scenario lijkt de beste papieren te hebben. In de eerste plaats voorziet de wet niet in de intrekking van een eenmaal verleend uitstel (zie artikel 9, tweede lid van de AWR). Ook zwijgt de wet over de gevolgen van de aanmaning en de daarin gestelde termijn voor een eerder verleend uitstel. De wetssystematiek lijkt erop te wijzen dat het uitstel eerst komt, en dan (eventueel) de aanmaning. In de tweede plaats kan uit de jurisprudentie van de Hoge Raad worden afgeleid dat de beoordeling van de vraag of er uitstel is verleend, een tamelijk rechtlijnige is. Er is uitstel verleend of niet, en als het maar op verzoek is gebeurd dan telt het mee voor de verlenging van de aanslagtermijn, of het uitstel nu zin had of niet.5In de aanmaningsbrief van 30 mei 2022 is verder niets gezegd over de intrekking van het verleende uitstel, terwijl dat juist wel voor de hand had gelegen (aangezien de inspecteur het verleende uitstel in de eerste zin uitdrukkelijk bevestigt). Deze opvatting zou betekenen dat de aanmaning van 30 mei 2022 juridisch ongeldig is, omdat iemand alleen rechtsgeldig kan worden aangemaand als hij de eerder gestelde uiterste indieningstermijn niet heeft gehaald.6 Belanghebbende was op het moment van de aanmaning nog niet in verzuim, omdat de uitsteltermijn nog helemaal niet was verstreken. Dat zou betekenen dat de aanmaning juridisch niet bestaat en dus geen rechtsgevolgen heeft. Dit scenario leidt ertoe dat de boete ten onrechte is opgelegd, omdat er niet (rechtsgeldig) is aangemaand terwijl dat wel een vereiste voor de oplegging van de verzuimboete is.7
9. Voor beide scenario’s is volgens de rechtbank iets te zeggen. Gelet op de omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat de eerste route moet worden gevolgd. Voor de rechtbank weegt het namelijk zwaar wat de indruk is die een belastingplichtige redelijkerwijs krijgt als hij een aanmaning met boetedreiging ontvangt. De mogelijk verstrekkende rechtsgevolgen en de vrij korte reactietermijn (2 weken) die je als belastingplichtige in de aanmaning krijgt, maken dat het niet aan de belastingplichtige kan worden tegengeworpen dat hij gaat denken dat het eerder verleende uitstel met de aanmaning wel eens kan zijn ingetrokken. Het zou volgens de rechtbank onredelijk zijn om achteraf nadelige rechtsgevolgen te verbinden aan het op deze manier interpreteren van die aanmaning. Bovendien heeft de inspecteur in dit geval zelf verdedigd dat die interpretatie de juiste is (zie 7.) en heeft hij de rechtsgevolgen daarvan vervolgens op de zitting en later nogmaals (in zijn brief van 17 april 2026) aanvaard. De goede procesorde zou zich dan ook verzetten tegen een andersluidend oordeel.
10. Gelet op het voorgaande is de boete, net als de aanslag en de belastingrentebeschikking, buiten de aanslagtermijn opgelegd.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslag, de boete en de belastingrentebeschikking moeten worden vernietigd.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. Op de zitting is met partijen besproken dat deze proceskosten moeten worden vastgesteld op € 59,60 (reiskosten).
De rechtbank heeft ambtshalve bekeken of de redelijke termijn van berechting is overschreden, aangezien er een boete in het spel was. Belanghebbende moet binnen 2 jaar na de aanvang van de ‘vervolging’ een uitspraak van de rechtbank hebben en dat is hier niet gelukt. De rechtbank merkt daarbij op dat zij als aanvangsmoment het verstrijken van de uiterste termijn uit de aanmaning neemt, te weten 14 juni 2022. Nu de inspecteur had aangekondigd dat er bij het niet halen van die termijn een boete zou volgen, mocht belanghebbende er op dat moment redelijkerwijs van uit gaan dat hem inderdaad een boete boven het hoofd hing. De uitspraak van de rechtbank is 4 jaar en bijna 4 maanden daarna gedaan, dus we hebben hier te maken met een overschrijding van 2 jaar en 4 maanden. Deze overschrijding kan niet meer gecompenseerd worden door wat van de boete af te halen (de rechtbank heeft immers geoordeeld dat de boete geheel moet worden vernietigd). Omdat de boete lager was dan € 1.000, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.8
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag, de verzuimboete en de belastingrentebeschikking;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 59,60.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
|
griffier |
rechter |
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.