RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271142789
zaaknummer: 12133813 BU VERZ 26-525
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 18 september 2026
in de zaak van
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: M. Rijnbout, Bezwaartegenverkeersboetes.nl.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder van een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken’, verricht op 28 december 2024, om 14:49 uur, op de Tuorrebout in Burgum, gemeente Tytsjerksteradiel, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 18 september 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. S. Heling.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene voert aan dat hij op de oprit bij zijn vriendin stond te wachten en dat zij eraan kwam. Hij heeft dus niet getoeterd of anders overdreven lawaai gemaakt. Gemachtigde voert daarnaast aan dat uit het zaakoverzicht blijkt dat de ambtenaar niet in het bezit is van een akte van beëdiging. Hij verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, waarin is geoordeeld dat wanneer er geen nieuwe akte openbaar is gemaakt, de bevoegdheid van de ambtenaar om ambtsedige verklaringen op te stellen niet vastgesteld kan worden. Tot slot voert gemachtigde aan dat de boete ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd, nu uit de verklaring van de verbalisant op geen enkele wijze blijkt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouden was.
4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Zij heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Staandehouding
5. Wat betreft het verweer dat betrokkene ten onrechte niet is staande gehouden, overweegt de kantonrechter als volgt. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
In het zaakoverzicht verklaart de verbalisant dat hij betrokkene niet heeft staande gehouden, nu hij de constatering deed vanuit een privévoertuig, waarbij hij niet de mogelijkheid had om een stopteken te geven.
De kantonrechter is van oordeel dat deze verklaring voldoende is om te concluderen dat er geen reële mogelijkheid was om betrokkene staande te houden. Het rijden in een privévoertuig houdt doorgaans in dat middelen tot staandehouding, zoals een stoptransparant of optische en geluidssignalen, niet voorhanden zijn. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het de verbalisant in dit geval was toegestaan om met toepassing van artikel 5 van de Wahv de boete aan de betrokkene als kentekenhouder op te leggen.
Bevoegdheid van de ambtenaar
6. Over het verweer van gemachtigde over het ontbreken van een akte van beëdiging van de betrokken verbalisant, overweegt de kantonrechter als volgt. De uitspraak van deze rechtbank waar de gemachtigde naar verwijst, is geen vergelijkbaar geval. In de jurisprudentie is bepaald dat de akte van aanstelling of beëdiging van de verbalisant geen deel uitmaakt van de stukken in een Wahv-procedure en dat het ontbreken daarvan niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat een verbalisant onbevoegd is om een boete op te leggen. Er moet sprake zijn van een onderbouwd verweer dat twijfel zaait over de bevoegdheid van de verbalisant. Dat verweer was er wel in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak waarop betrokkene doelt1. In dit geval is er niet zo’n onderbouwd verweer, zodat de kantonrechter niet twijfelt aan de bevoegdheid van de verbalisant.
Verhoging boetes per 1 maart 2024
7. De kantonrechter kent verder de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland waar gemachtigde naar verwijst, waarin die kantonrechter heeft geoordeeld dat de verhoging van de boetebedragen per 1 maart 2024 wél onverbindend is, omdat er strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De kantonrechter sluit zich echter niet bij dat oordeel aan. Hij ziet geen reden en ook geen ruimte om te concluderen dat er strijd is met het evenredigheidsbeginsel, gelet op de arresten van het hof van 31 juli 20252 en 19 juni 2026.3 De verhoging is immers een politiek-bestuurlijke keuze, waarbij slechts een terughoudende toets past. De kantonrechter is van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie die toets kan doorstaan.
De gedraging
8. De kantonrechter stelt tot slot vast dat door betrokkene geen inhoudelijk verweer is gevoerd over de gedraging. Hij twijfelt dan ook niet aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht en de beschikbare gegevens. De gedraging kan worden vastgesteld. In het verweer van betrokkene zijn verder geen omstandigheden gelegen die aanleiding geven tot een wijziging van de boete. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Waarvan proces-verbaal,
R. de Hoop, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.