GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.361.227/01 |
|
CJIB-nummer |
: 261825579 |
|
Uitspraak d.d. |
: 7 september 2026 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 19 september 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor:
“niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 oktober 2023 om 11:42 uur op de A7 in Heerenveen met het voertuig met het kenteken [kenteken 1] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de betrokkene ontkent dat hij de gedraging heeft verricht. Voorts stelt de gemachtigde dat de ambtenaar ten onrechte heeft afgezien van staandehouding van de bestuurder. In het zaakoverzicht is het volgende opgenomen: “vervoeren jeugdige verdachte naar huisadres”. Dit is op zichzelf geen toereikende reden om van staandehouding af te zien. Niet blijkt dat de ambtenaren waren belast met het vervoeren van een arrestant. De ambtenaren hebben kilometers achter de betrokkene in een opvallend dienstvoertuig gereden. De ambtenaren hadden dus over kunnen gaan tot staandehouding. De ambtenaren hebben in strijd met artikel 5 van de Wahv gehandeld. Dit heeft de kantonrechter ten onrechte niet onderkend en daarom dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij, verbalisanten, zagen een personenauto welke een aanhangwagen trok voorzien van het kenteken [kenteken 2] voor ons opvallend dienstvoertuig van de rechter naar de linker rijstrook verplaatsen. Wij zagen dat de combinatie 112 km per uur reed volgens onze boordcomputer. Wij zagen dat nadat de combinatie een vrachtauto had ingehaald bleef de combinatie op de linkerrijstrook rijden terwijl wij zagen dat er op de rechterrijstrook ruimte genoeg was om weer naar de plaats op de weg te gaan. Namelijk de rechterrijstrook. Wij zagen dat de combinatie minimaal 2 tot 2.5 kilometer op de linkerrijstrook bleef rijden. Wij hebben geprobeerd door wel naar de rechterrijstrook te gaan om de aandacht van de bestuurder te trekken. Dit is ons niet gelukt. Wij zagen dat de bestuurder van de combinatie in totaal 2 keer de mogelijkheid had om naar de rechterrijstrook te gaan. Wij moesten met een klant bij de afslag Heerenveen van de snelweg af. Wij zagen dat de combinatie toen nog steeds op de linkerrijstrook reed. (…)
Geen staandehouding: telefonisch gehoord. Betrokkene vertelde dat hij wel had gereden daar. (…)
Verklaring betrokkene: geen verklaring.”
4. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 13 april 2024, waarin de ambtenaren onder meer het volgende verklaren:
“Wij, verbalisanten (…) en (…), waren op 20 oktober 2023 met noodhulp belast. Wij reden in een opvallend dienstvoertuig en waren in uniform gekleed. Wij, verbalisanten (…) en (…), reden op 20 oktober 2023, op de A7 achter betrokken combinatie. Wij zagen dat deze combinatie veel te snel reed. Wij zagen dat deze combinatie langdurig, tussen de 2 en 2,5 kilometer op de linkerrijstrook (rijstrook 1) bleef rijden. De combinatie reed 112 kilometer per uur, gemeten op ons geijkte boordsnelheidsmeter van ons opvallend dienstvoertuig. Wij reden op de A7. De snelheid op de A7 is voor een personenauto met aanhangwagen 90 kilometer per uur. Wij hebben met ons opvallend dienstvoertuig nog geprobeerd de aandacht van de bestuurder van de combinatie te trekken door wel in de ruimtes waar mogelijk was op de rechterrijstrook te gaan rijden. Tevens hebben wij lichtsignalen gegeven. Echter bleef de combinatie op de linkerrijstrook rijden. Wij zagen dat de combinatie snelheid bleef houden. Op het moment van constateren, vervoerden wij een jeugdige verdachte. Wij gingen op dat moment met de verdachte naar zijn huisadres, omdat wij met de ouders in gesprek zouden gaan. Die verdachte is dus onze “KLANT” zoals hij in het proces-verbaal omschreven stond. Dat was de reden dat wij niet verder door konden rijden om achter de betrokken combinatie te rijden. Wij konden niet langer met onze verdachte achter de combinatie aanrijden en hebben daardoor geen staandehouding kunnen verrichten. Ik, verbalisant (…), heb de betrokken eigenaar en tevens bestuurder telefonisch gesproken. Daarbij heb ik hem de cautie gegeven. Ik vroeg hem of hij of iemand op de dag, datum tijd op de A7 had gereden met een aanhangwagen. Ik hoorde hem zeggen dat hij zelf had gereden. Ik heb de betrokkene verteld wat onze bevindingen waren. Ik hoorde hem vragen waar wij dan achter hem hadden gereden omdat hij niet van mening was een opvallend politievoertuig gezien te hebben. Ik heb hem verteld waar wij achter zijn voertuig hadden gereden. Tevens heb ik hem verteld wat wij gedaan hadden om zijn aandacht te trekken. Hierop heb ik ook gezegd dat de bestuurder dan blijkbaar niet met autorijden bezig was geweest omdat wij echt geprobeerd hebben zijn aandacht te trekken met een opvallend dienstvoertuig. Ik heb de eigenaar horen zeggen dat hij inderdaad op de A7 gereden had.”
5. De gemachtigde van de betrokkene ontkent dat de betrokkene de gedraging heeft verricht, maar geeft hiervoor geen argumenten. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
6. Ten aanzien van het standpunt dat de ambtenaren ten onrechte van staandehouding hebben afgezien, overweegt het hof het volgende.
7. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het standpunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Het hof is van oordeel dat blijkens de verklaringen van de ambtenaren zich ten tijde van de gedraging, gezien de aard van de taak waarmee de ambtenaren belast waren, geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan.
9. Indien er geen reële mogelijkheid bestaat tot staandehouding van de bestuurder, dan is de ambtenaar niet verplicht een onderzoek in te stellen naar de identiteit van de bestuurder en kan de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Gelet op het beginsel dat de administratieve sanctie indien redelijkerwijs mogelijk aan de bestuurder wordt opgelegd, staat het de ambtenaar echter wel vrij om de identiteit van de bestuurder (na onderzoek) alsnog te trachten te achterhalen en de sanctie aan de bestuurder op te leggen (vgl. het arrest van het hof van 20 maart 2024, ECLI:NL:GHARL: 2024:2006).
10. Eén van de betrokken ambtenaren verklaart dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met de eigenaar van het voertuig. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat ten tijde van de gedraging de eigenaar tevens de bestuurder van het betrokken voertuig was. De ambtenaar heeft dus tijdens het telefonisch gesprek alsnog de identiteit van de bestuurder vastgesteld en daarom terecht de sanctie aan de bestuurder, in dit geval tevens de kentekenhouder, opgelegd. De stelling van de gemachtigde dat de ambtenaren in strijd met artikel 5 van de Wahv hebben gehandeld, volgt het hof dan ook niet.
11. Het hof stelt vast dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding voordeed en dat daarom op kenteken mocht worden bekeurd. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat op kenteken mocht worden bekeurd, nu dit in onderhavige situatie niet is gebeurd. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek.
12. De gronden treffen geen doel. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter bevestigen, zij het - vanwege het onder 11. geconstateerde motiveringsgebrek - met verbetering van gronden. Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om een vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.