ECLI:NL:RBNNE:2026:4428

Datum uitspraak
01-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
LEE 26/3262 en LEE 26/3263
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen het aan hem opgelegde huisverbod. Het huisverbod heeft betrekking op de woning die [naam 2], zijn vader, huurt van Lefier. [naam 2] wordt hierna ook aangeduid als [bijnaam naam 2]. Bij beschikking gedateerd 25 september 2026 is aan eiser, voor zover hier van belang, medegedeeld dat: hij de woning op het adres [adres] op 25 september 2026 om 14:43 onmiddellijk diende te verlaten en die woning vanaf dat moment tot 5 oktober 2026 om 14:43 niet mag betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en dat Eiser gedurende deze periode geen contact mag opnemen met [naam 2].

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 26/3262 en LEE 26/3263

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam 1 uit plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. de Jong-van de Berkt)

en

de burgemeester van Stadskanaal

(gemachtigden: mrs. H.C. Krul en I.E. van Zalen)

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 25 september 2026;

- veroordeelt de burgemeester tot betaling van een proceskostenvergoeding aan eiser van € 2.802;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen het aan hem opgelegde huisverbod. Het huisverbod heeft betrekking op de woning die [naam 2] , zijn vader, huurt van Lefier. [naam 2] wordt hierna ook aangeduid als [bijnaam naam 2] . Bij beschikking gedateerd 25 september 2026 is aan eiser, voor zover hier van belang, medegedeeld dat:

  • hij de woning op het adres [adres] op 25 september 2026 om 14:43 onmiddellijk diende te verlaten en

  • die woning vanaf dat moment tot 5 oktober 2026 om 14:43 niet mag betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en

  • dat Eiser gedurende deze periode geen contact mag opnemen met [naam 2] .

1.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.

2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Nader onderzoek kon niet bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. Daarom is ook op het beroep van eiser beslist (LEE 26/3263). Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.

3. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot de beslissing is gekomen.

3.1.

De voorzieningenrechter heeft met partijen gesproken over de vraag of de burgemeester in deze specifieke situatie in redelijkheid een huisverbod heeft kunnen opleggen aan eiser. Daarbij is het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) besproken, dat is gedateerd 25 september 2026. In het bijzonder is daarbij aandacht besteed aan de signalen die hebben geleid tot het opleggen van het huisverbod en de relevante voorgeschiedenis.

3.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het betreft met name de actualiteit van de meldingen en de ernst van die meldingen in relatie tot de ernst van het vermoeden van een onmiddellijk gevaar voor [bijnaam naam 2] . De meldingen van april en mei van dit jaar zijn onvoldoende. De verbalisanten verklaren niet waarop de ernst van hun vermoeden is gebaseerd dat de veiligheid van [bijnaam naam 2] in geding is.

3.3.

Daarbij is, ex nunc toetsend, betrokken wat er is gebeurd sinds het opleggen van het huisverbod. Uit het dossier blijkt niet van acties gericht op zorg voor [bijnaam naam 2] . Niet aannemelijk is gemaakt dat er voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar heeft voorgedaan voor de veiligheid van [bijnaam naam 2] , noch dat dat gevaar zich momenteel voordoet.

3.4.

De proceskostenvergoeding is gebaseerd op drie punten à € 934,–.

3.5.

Partijen zijn ter zitting voorgelicht over het rechtsmiddel dat tegen deze uitspraak openstaat, voor zover daarbij is beslist in de hoofdzaak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026 door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.

de griffier is niet in staat dit proces-

voorzieningenrechter

verbaal mede te ondertekenen

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »