RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 274643103
zaaknummer: 12123652 BU VERZ 26-476
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 7 september 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats],
gemachtigde: WebLegal B.V..
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: VA023 – ‘23 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom’, verricht op 18 juni 2025, om 13:18 uur, op [adres] in Vledderveen, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter het beroep behandeld op de zitting van 7 september 2026. Daarbij was mr. R. Baltus aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie.
Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en legt hierna uit waarom dat het geval is.
Standpunten
3. Betrokkene betwist de gemeten snelheid te hebben gereden. De meting kan alleen als betrouwbaar worden aangemerkt als het meetmiddel voldoet aan de eisen. Dat moet controleerbaar zijn. Betrokkene heeft in administratief beroep verzocht om toezending van het NMI-rapport, maar dit is niet verstrekt. Tot op heden ontbreekt ieder stuk waaruit blijkt dat het gebruikte meetmiddel was gekeurd en correct functioneerde. Daarom kan de gedraging niet worden vastgesteld. Er wordt verzocht om de verbalisant te horen, of in elk geval betrokkene in de gelegenheid te stellen om de verbalisant vragen te stellen. Artikel 13a, derde lid, van de Wahv, dat regelt dat de proceskostenvergoeding uitsluitend aan de betrokkene uitbetaald wordt, is in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en levert mogelijk een schending van artikel 13 van het EVRM op. Verder is de bepaling in strijd met de artikelen 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
4. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat de NMi-verklaring ontbreekt, geen reden is voor twijfel aan de juistheid van de meting. Hij verwijst hierbij naar jurisprudentie.1 Volgens hem is het niet aannemelijk gemaakt dat het nodig is om vragen voor te leggen aan de verbalisant.
Overwegingen
5. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
De verbalisant verklaart dat het meetmiddel voor de meting is getest en is goedgekeurd en dat het op de voorgeschreven wijze is gebruikt en dat is in beginsel voldoende om de juistheid van de meting uit te gaan.2 Dat geen NMI-rapport is verstrekt of in het dossier zit, betekent niet dat getwijfeld moet worden aan de verklaring van de verbalisant, ook omdat eerder is geoordeeld dat dit niet tot de op het geding betrekking hebbende stukken behoort. De enkele betwisting van de overtreding is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de meting.
Betrokkene doet een beroep op de zogenoemde Keskin-jurisprudentie en wil vragen laten voorleggen aan de verbalisant.3 De kantonrechter oordeelt dat betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat daartoe noodzaak bestaat.4 De verkeersovertreding wordt vastgesteld.
6. De kantonrechter ziet geen reden voor matiging van de boete en verklaart het beroep ongegrond.
7. Daarom wijst hij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beroepsgronden daarover passeert hij dan ook.
Conclusie
De kantonrechter:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Waarvan proces-verbaal,
D.W. Veenstra, griffier mr. F. Sijens, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.