ECLI:NL:RBNNE:2026:4258

Datum uitspraak
25-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
18.336381.25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van mishandeling van zijn kinderen vanwege onvoldoende bewijs. Daarnaast is hij vrijgesproken van het plegen van ontucht met één van zijn kinderen wegens het gebrek aan steunbewijs waardoor niet is voldaan aan de bewijsminimumregel.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.336381.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 september 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.I. Veenstra, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 januari 2025 te Anna Paulowna en/of Ter Apel, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal

in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2024

Ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige kind [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 door die [slachtoffer 1]

  • bij haar borsten en/of billen aan te raken en/of te betasten en/of

  • bij/op haar mond en/of wang, in elk geval haar gezicht te kussen en/of

in de periode van 1 juli 2024 tot en met 1 januari 2025,

met een kind in de leeftijd van zestien tot achttien jaren, te weten die (voornoemde) [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

  • bij haar borsten en/of billen aan te raken en/of te betasten en/of

  • bij/op haar mond en/of wang, in elk geval haar gezicht te kussen

terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes kind, een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte, een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of een aan verdachte ondergeschikt kind;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 januari 2025 te Anna Paulowna en/of Ter Apel, in elk geval in Nederland

meermalen, althans eenmaal

  • [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2007) en/of

  • [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2011) en/of

  • [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2005) heeft mishandeld

  • door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] met zijn hand en/of een riem op/tegen het lichaam te slaan en/of

  • een aansteker op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te drukken en/of houden terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kind(eren).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Feit 1 kan wettig en overtuigend bewezen worden op grond van de aangifte, welke consistent en betrouwbaar is, en deze wordt ondersteund door de gesprekken met de hulpverlening en de medische stukken. De periode kan worden ingekort tot de periode van september 2021 tot en met oktober 2024.

Feit 2 kan wettig en overtuigend bewezen worden op grond van de drie verklaringen van de slachtoffers waarin zij ook verklaren over het geweld tegen alle drie de kinderen van de verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 en 2 wegens het ontbreken van voldoende bewijs en de ontkenning door verdachte. Voor feit 1 ligt er alleen de aangifte maar ontbreekt het aan onafhankelijk steunbewijs. De andere verklaringen en de rapportages van de hulpverlening zijn gebaseerd op hetgeen aangeefster heeft verteld.

Met betrekking tot feit 2 liggen er meerdere verklaringen, maar deze lopen uiteen over de aard en frequentie van de vermeende mishandelingen. Ook worden er geen concrete momenten genoemd door aangevers. De littekens op de fotos geven niet de oorzaak voor deze littekens.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Met betrekking tot feit 1.

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen betrokken waren bij de ten laste gelegde ontuchtige handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Dit betekent dat - in een geval als het onderhavige, waarin door verdachte wordt ontkend dat ontuchtige handelingen zijn gepleegd en er geen getuigen van zijn - de rechtbank moet bepalen of voor de verklaring van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.

In het dossier bevinden zich een verklaring van een hulpverlener en medische rapportages. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit geen steunbewijs worden geput. Daar waar gesproken wordt over het ten laste gelegde, volgt dit uit hetgeen aangeefster aan hen heeft verteld. En daarmee zijn deze verklaringen te herleiden tot één bron, namelijk aangeefster. Ook anderszins kan in het dossier geen steunbewijs worden gevonden voor het onder 1 tenlastegelegde. De enkele verklaring van aangeefster is ontoereikend om tot een bewezenverklaring te komen. Vanwege een gebrek aan steunbewijs is niet voldaan aan de bewijsminimumregel.

Met betrekking tot feit 2.

Aan verdachte is (impliciet cumulatief) ten laste gelegd dat hij drie van zijn kinderen meermalen en op verschillende momenten heeft mishandeld. Alle drie de kinderen hebben hierover een verklaring afgelegd bij de politie. Verdachte heeft te allen tijde stellig ontkend zijn kinderen te hebben mishandeld. De rechtbank overweegt met betrekking tot de verklaringen van de kinderen dat zij hebben verklaard dat verdachte hen heeft mishandeld, onder meer door hen te slaan, maar dat de kinderen weinig specifiek over de mishandelingen zelf hebben verklaard. Uit de verklaringen volgen geen handelingen welke concreet in de tijd te plaatsen zijn. Daarnaast is er geen objectief bewijs voorhanden wat de verklaringen van de kinderen ondersteunt. De fotos in het dossier van de littekens van mogelijke brandplekken en mishandelingen bij [slachtoffer 1] zijn onvoldoende concreet en niet onderzocht door een deskundige. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat een van de tenlastegelegde mishandelingen heeft plaatsgevonden .

Het voorgaande leidt ertoe dat hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

Ten aanzien van de feiten 1 en 2.

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 7.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. J. Teertstra en mr. K. Bunk rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2026.

Mr. K. Bunk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »