RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2546 WIA
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026 in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
(gemachtigde: E.H.J.A. Olthof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij vraagt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van verzoekster of hij een voorlopige voorziening toewijst.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepszaak (bodemzaak) niet.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 1 mei 2025 heeft het Uwv besloten dat verzoekster met ingang van 22 februari 2025 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en daarbij het primaire besluit gehandhaafd. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De beroepszaak is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer LEE 26 / 2545 WIA.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 september 2026 via een digitale verbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het Uwv.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat hij inhoudelijk op het verzoek in kan gaan. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, ligt de lat hoog en is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden betaald. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat zij door haar medische situatie niet in staat is om zonder problemen in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Verzoekster stelt dat haar financiële situatie op dit moment zeer ernstig is en dat er grote onzekerheid is over haar toekomstige inkomen. Zij woont bij een vriendin, omdat zij de kosten van haar eigen woning niet langer kon dragen. Verzoekster geeft aan dat zij ook kosten maakt voor medisch onderzoek en behandeling. Omdat de beroepsprocedure geruime tijd kan duren, bestaat het risico dat zij gedurende die periode onvoldoende middelen heeft om rond te komen. Verzoekster vraagt aan de voorzieningenrechter om passende tijdelijke maatregelen treffen totdat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan.
5. De voorzieningenrechter heeft verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang nader te onderbouwen. Daarbij is verzoekster ook gevraagd of zij een aanvraag om een bijstandsuitkering heeft ingediend.
6. Op 25 augustus 2026 heeft verzoekster een nadere toelichting gegeven. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij door de ernstige financiële situatie haar woning definitief moest verlaten. De huurovereenkomst is inmiddels beëindigd. Verzoekster verblijft nog bij haar vriendin. Verzoekster stelt dat zij met haar huidige netto-inkomen niet meer in haar basisbehoeften kan voorzien. Door de inhoudingen op haar uitkering houdt zij maar een nettobedrag van € 899,91 over. Verzoekster geeft aan dat haar financiële middelen inmiddels volledig zijn uitgeput door de kosten van levensonderhoud en de hoge medische kosten die zij heeft moeten maken. Verzoekster heeft zich gewend tot de gemeente Noordenveld, maar zij heeft geen reguliere bijstandsuitkering ontvangen. Wel kreeg zij van de gemeente een eenmalig bedrag en is zij voor aanvullende voorzieningen doorverwezen naar het Uwv.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Voor dit oordeel overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8 Verzoekster heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op deze uitkering wordt een aanzienlijk bedrag ingehouden. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het Uwv hierin een onjuiste berekening heeft gemaakt. Ter zitting is besproken dat verzoekster zelf bij de Belastingdienst moet zijn als er teveel aan loonheffing wordt ingehouden op haar uitkering. Verzoekster kan, eventueel met behulp van haar boekhouder, te zijner tijd belastingaangifte doen in verband met deze loonheffingskorting, dan wel een voorlopige aanslag vragen.
9. Verder neemt de voorzieningenrechter bij de beoordeling mee dat uit de toelichting van de gemachtigde van het Uwv ter zitting over de uitkeringssituatie van verzoekster kan worden geconcludeerd dat verzoekster niet op korte termijn geen uitkering meer heeft. Verzoekster heeft namelijk recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op het moment dat haar ZW-uitkering stopt, dan krijgt zij weer een WW-uitkering. Het hangt van de ziekmeldingssituatie van verzoekster af hoe één en ander precies zal gaan, maar het recht op een WW-uitkering zal bestaan tot rond het einde van het jaar 2027.
8. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat er voor verzoekster nog de mogelijkheid is om een aanvraag in te dienen voor een algemene bijstandsuitkering. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat het haar niet duidelijk was dat zij deze aanvraag kon indienen bij de gemeente. De Participatiewet biedt echter een vangnet waarmee in beginsel in alle gevallen een minimaal noodzakelijk inkomen wordt gewaarborgd. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid, de voorliggende voorziening, nog geen gebruik gemaakt en het is niet vast komen te staan dat verzoekster geen recht heeft op deze uitkering.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, waardoor verzoekster de uitspraak in de beroepsprocedure niet zou kunnen afwachten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.