RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-084870-26
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-182822-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van
8 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd in [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Sneek, althans in de gemeente Súdwest-Fryslân, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een goed en/of een middel op de (voor)band van een personenauto (Opel Mokka, [kenteken] ) te leggen en/of (vervolgens) met open vuur in aanraking te brengen en/of tot ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een personenauto (Opel Mokka,
[kenteken] ) en/of de in die personenauto aanwezige goederen en/of een woning aan de [adres 2] en/of de in die woning aanwezige goederen en/of een schutting te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer] , althans de in voorgenoemde woning bevindende personen te duchten was.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er beelden zijn van de brandstichting. Daarnaast zijn er verschillende camerabeelden uit de omgeving waar de brand is gesticht waarop een persoon op een fiets te zien is. Aan de hand van het signalement van de persoon op de verschillende beelden, de kleding die de persoon op de beelden droeg en de getuigenverklaring van [getuige 1] kan geconcludeerd worden dat de persoon op de beelden van de brandstichting en de persoon op de andere camerabeelden dezelfde persoon is. Ook kan geconcludeerd worden dat verdachte de persoon is geweest die op voornoemde beelden te zien is en dus degene is geweest die de brand heeft gesticht. Verbalisant [verbalisant] ziet vlak nadat de auto in brand is gestoken, een persoon fietsen die hij herkent als verdachte. Hij ziet ook dat verdachte een opvallende Aldi tas bij zich heeft. Verbalisant [verbalisant] stelt vast dat er grote gelijkenissen bestaan ten aanzien van de neus en het gezicht van de persoon die op de beelden te zien is en van verdachte. Verbalisant [verbalisant] ziet verdachte een dag na de brandstichting. Zij herkent de broek die verdachte draagt en de Aldi tas die hij bij zich heeft van de beelden van de brandstichting. Twee andere verbalisanten hebben verdachte een dag na de brandstichting zien fietsen en zien gelijkenissen met de fiets waarop de brandstichter een dag eerder fietste. Daarnaast is er een tip binnengekomen via Meld Misdaad Anoniem waarbij de naam van verdachte is genoemd en ook aangeefster heeft berichten gekregen waarin werd aangegeven dat verdachte degene zou zijn geweest die de brand heeft gesticht. Verdachte heeft verklaard dat hij ergens anders was ten tijde van de brandstichting en dat er een persoon is die op hem lijkt. Dit is onderzocht. Uit het dossier blijkt dat verdachte geen sluitend alibi heeft en dat de door verdachte genoemde persoon weliswaar gelijkenissen met hem vertoont maar dat zijn huidskleur veel lichter is. De door verdachte aangedragen alternatieve scenarios zijn dan ook niet aannemelijk geworden. De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat door de brand forse schade is ontstaan aan de auto en de schutting. Daarbij was ook gevaar voor de woning en de in de woning aanwezige goederen te duchten aangezien de auto dicht naast de woning geparkeerd stond. Ook kan bewezen worden dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van een ander te duchten was. Aangeefster was aanwezig in de woning ten tijde van de brand en een omstander heeft haar gealarmeerd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit aangezien verdachte stellig ontkent dat hij de brandstichting heeft gepleegd. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 18 maart 2026, opgenomen op pagina 100 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met onderzoeksnummer NN1R026037 van 9 juni 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Op 18 maart 2026 bevond ik mij in mijn woning aan de [adres 2] te Sneek. Mijn auto, een Opel Mokka met kenteken [kenteken] , stond op de oprit naast de woning geparkeerd. Ik hoorde gebonk op de ruit aan de voorzijde van de woning. Een vrouw schreeuwde dat mijn auto in de brand stond. Ik zag dat onder de motorkap rook en vlammen vandaan kwamen. Ik ben de woning ingegaan, aangezien ik bang was dat de auto mogelijk zou exploderen. Op enig moment stond de oprit zwart van de rook. De auto is bijna volledig uitgebrand. Ik zag dat ik na de brand schade had aan mijn voordeur en de deurbelcamera. Ook zag ik dat het naambordje was gesmolten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2026, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Ter plaatse zagen wij dat het voertuig in de brand stond. Wij zagen vlammen van twee à drie meter hoog. Wij zagen dat er veel zwarte rookontwikkeling was. Wij hoorden de OVD-B van de brandweer zeggen dat het voertuig zo snel mogelijk bij de woning weg moest in verband met de veiligheid. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag op de camerabeelden van de deurbelcamera een manspersoon richting de bestuurderszijde van het voertuig lopen. Ik zag dat de manspersoon een object op het voorwiel van de bestuurderszijde plaatste. Ik zag dat de manspersoon dit object aanstak. Ik zag vervolgens vlammen. De manspersoon kan ik als volgt omschrijven:
-
licht getinte huidskleur;
-
muts;
-
zwartkleurige capuchon;
-
oranjekleurige jas met een zwartkleurig logo "FJ" op de rugzijde;
-
zwartkleurige broek;
-
Aldi tas in zijn linkerhand.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 19 maart 2026, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Op 18 maart 2026 liep ik op de [straat 1] richting de [straat 2] in Sneek. Ik zag dat er een man op ons af liep. Ik zag dat deze man een oranje werkjas uittrok en in een oude shopper stopte. Ik zag ook dat hij een muts af deed en in diezelfde tas deed. De man had donkere kleding aan onder de oranje jas. De man had een spitse haakneus. Ik zag dat de man op de fiets stapte. Ik zag dat de man richting de [straat 3] fietste.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2026, opgenomen op pagina 283 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 18 maart 2026 omstreeks 13:45 uur fietste ik in Sneek over de [straat 3] . Ik zag vanuit de andere richting een fietser naderen, gaande in de richting van het centrum. De bestuurder herkende ik ambtshalve als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1978. Ik heb hem goed bekeken en ik keek nog eens achterom. Ik zag dat de licht getinte [verdachte] op een zwarte elektrische fiets fietste met de batterij boven het achterwiel en net onder de bagagedrager. Ik zag dat [verdachte] in het zwart gekleed was. Ik zag dat hij een muts droeg met daarover een capuchon. Ik zag dat [verdachte] in zijn rechterhand een blauw witte Aldi tas droeg ter hoogte van het stuur. Ik zag dat [verdachte] uit de richting kwam fietsen, daar waar ik optische en geluidssignalen hoorde. Ik las dat er een brandstichting was en dat er een signalement was. Ik las in het signalement dat het om een licht getinte man ging met zwarte kleding en een Aldi tas in zijn hand.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 22 maart 2026, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op de still van de camerabeelden van de ringdeurbel is te zien dat er een soort vouw zit in de jas in het logo. Op de foto van de jas die werd aangetroffen op 18 maart tussen 14:00 uur en 14:15 uur nabij de Watertoren in Sneek is te zien dat ook hier een soort van vouw zit op dezelfde plek.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2026, opgenomen op pagina 176 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 19 maart 2026 reden wij ter hoogte van de Aldi in Sneek. Ik, [verbalisant] , zag de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik kan hem als volgt omschrijven:
-
zwart gekleurde trainingsbroek met witte lijnen op de zijkanten van de broek;
-
Aldi bigshopper tas.
Ik, [verbalisant] , herken de trainingsbroek en de Aldi bigshopper tas van de camerabeelden die gemaakt zijn van de brandstichting op de [adres 2] in Sneek.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2026, opgenomen op pagina 181 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 19 maart 2026 zagen wij dat [verdachte] op een elektrische fiets stapte. Wij zagen dat hij aan zijn stuur een Aldi tas meevoerde. Wij zagen dat hij zijn fiets plaatste in een fietsenrek en wegliep bij zijn fiets. Wij zagen dat dit een elektrische donkerblauwe damesfiets betrof met een accu in bagagedrager, een grijze sticker op het achterspatbord, een Axa hangslot om de zadelpen en een open kettingkast. Aan de voorzijde ontbreekt een spatbord. Op de videobeelden van de [adres 3] te Sneek zag ik, [verbalisant] , de verdachte met een oranje jas en een Aldi tas aan het stuur fietsen. Ik zag dat de verdachte fietste op een elektrische damesfiets, donker van kleur, geen spatbord aan de voorzijde, met een open kettingkast, accu aan de achterzijde van de fiets, een grijskleurige sticker aan de achterzijde en een Axa ketting om de zadelpen. Gezien de uiterlijke kenmerken van de fiets, zag ik zeer veel overeenkomsten met de fiets waarop de verdachte zich op 18 maart 2026 verplaatste en de fiets waar [verdachte] op fietste op 19 maart 2026.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 22 maart 2026, opgenomen op pagina 192 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Onderstaande linker foto is een still van de ringdeurbel van de aangever van de autobrand op de [adres 2] te Sneek. Op 22 maart 2026 heb ik na het verhoor een foto gemaakt van verdachte [verdachte] . Ik zie overeenkomsten qua vorm en grootte van de neus en ik zie ook dat de onderlip iets naar voren staat in vergelijking met de bovenlip.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 juli 2026, opgenomen in het aanvullende proces-verbaal horend bij voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 18 maart 2026 omstreeks 14:42 uur (de rechtbank begrijpt: 13:42 uur) werd een personenauto in brand gestoken. Deze personenauto stond geparkeerd op de oprit van de woning aan de [adres 2] te Sneek, op een geschatte afstand van 1 meter vanaf de schutting. De oprit is 4.20 meter breed. De personenauto is 1.79 meter breed. Op het moment dat de politie ter plaatse kwam zagen zij 2 tot 3 meter hoge vlammen uit de auto komen. De bewoonster was op dat moment thuis. Zij was kort daarvoor gewaarschuwd door een getuige. De personenauto brandde nagenoeg geheel uit. Daarnaast was er brandschade aan de schutting tussen percelen [adres 4] en [adres 2] en het naambordje en de Ring deurbel bevestigd naast de voordeur van de woning aan de [adres 2] waren deels gesmolten.
Bewijsoverwegingen
Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat de persoon die op de beelden van de brandstichting te zien is, dezelfde persoon is als die kort na de brandstichting al fietsend te zien is op de beelden en die door verbalisant [verbalisant] is herkend als verdachte. De oranje jas die de brandstichter op de beelden draagt en volgens getuige [getuige 1] heeft uitgetrokken, is kort na de brand ook aangetroffen nabij de Watertoren in Sneek. Verdachte beschikt daarnaast over een fiets die sterke gelijkenis vertoont met de fiets waarop de persoon die de brand heeft gesticht fietst. Ook de uiterlijke kenmerken van verdachte en de persoon op de beelden van de Ring deurbel komen overeen, net als de broek en de Aldi tas die verdachte kort na de brandstichting bij zich draagt. Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die de auto van aangeefster in brand heeft gestoken.
De auto van aangeefster is bijna volledig uitgebrand. Daarnaast heeft de brand schade veroorzaakt aan de schutting, de voordeur, de deurbelcamera en het naambordje op de woning van aangeefster. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De rechtbank overweegt daartoe dat aangeefster thuis was op het moment van de brand. Zij bevond zich beneden in de woning. Aangeefster had niet door dat haar auto in de brand stond, een getuige heeft haar gewaarschuwd door op de ramen te kloppen. De rechtbank stelt verder vast dat de auto van aangeefster direct naast de woning, op de oprit, stond geparkeerd. Dat de auto dichtbij de woning van aangeefster stond, blijkt ook uit het feit dat er brandschade is ontstaan aan de voordeur, de deurbelcamera en het naambordje van aangeefster. De deurbelcamera en het naambordje bevonden zich naast de voordeur. Op het moment dat de politie ter plaatse kwam, zagen zij twee tot drie meter hoge vlammen uit de auto komen en daarnaast was er sprake van een hevige rookontwikkeling. De brandweer heeft aangegeven dat de auto zo snel mogelijk van de oprit gehaald moest worden in verband met de veiligheid. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van de door verdachte gestichte brand eveneens levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor aangeefster.
De rechtbank overweegt verder dat verdachte bij de politie een aantal alternatieve scenarios naar voren heeft gebracht. Zo heeft verdachte verklaard dat hij op de dag van de brand aan het werk was in de tuin van getuige [getuige 2] en dat hij die dag twee keer bij getuige [getuige 3] is geweest. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat er een persoon is die erg veel op hem zou lijken. De politie heeft de door verdachte aangedragen alternatieve scenarios onderzocht en de rechtbank concludeert op basis van dat onderzoek dat de alternatieve scenarios niet aannemelijk zijn geworden. Zo heeft getuige [getuige 2] verklaard dat verdachte niet op 18 maart 2026 maar de dag ervoor in haar tuin heeft gewerkt. Zij heeft verdachte op 18 maart 2026 niet gezien. Haar verklaring wordt bevestigd door haar man en haar schoonzoon. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte op 18 maart 2026 rond 12:30 of 12:45 uur bij hem was en rond 13:00 uur weer is vertrokken en dat verdachte tussen 14:45 uur en 15:00 uur bij hem is geweest. Op het tijdstip van de brandstichting was verdachte dus niet bij getuige [getuige 3] . Ook
is uit het onderzoek gebleken dat de persoon die op verdachte zou lijken weliswaar gelijkenissen met verdachte vertoont, maar dat zijn huidskleur veel lichter is dan de huidskleur van verdachte. Het onderzoek bevat overigens ook geen andere aanwijzingen dat deze persoon betrokken zou zijn geweest bij de brandstichting.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 18 maart 2026 te Sneek opzettelijk brand heeft gesticht, door een goed op de voorband van een personenauto (Opel Mokka, [kenteken] ) te leggen en vervolgens met open vuur in aanraking te brengen en tot ontbranding te brengen, terwijl daarvan
-
gemeen gevaar voor goederen, te weten een personenauto en de in die personenauto aanwezige goederen en een woning aan de [adres 2] en de in die woning aanwezige goederen en een schutting te duchten was en
-
levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer] , te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een straf kan worden opgelegd met een substantieel voorwaardelijk deel. De door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen aan de voorwaardelijke straf worden gekoppeld.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering van 16 juli 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting, terwijl daarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Verdachte heeft de auto van aangeefster, die op de oprit naast haar woning stond, in de brand gestoken. De auto van aangeefster is bijna volledig uitgebrand. Ook de schutting, de voordeur, de deurbelcamera en het naambordje hebben brandschade opgelopen. Op het moment van de brandstichting was aangeefster thuis. Zij had pas door dat haar auto in brand stond, nadat zij werd gewaarschuwd door een buurtbewoner.
Verdachte heeft met zijn handelen een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd. Een brand kan zich snel uitbreiden, grote vormen aannemen en daardoor een onbeheersbaar karakter krijgen. Dat er niet nog meer schade is ontstaan aan de woning en omliggende woningen, en dat er geen doden of (ernstig) gewonden zijn gevallen, is te danken aan het ingrijpen van de brandweer en de politie. Daarnaast heeft verdachte angst aangejaagd bij aangeefster. Zij heeft immers verklaard dat ze bang was dat de auto zou exploderen. Ook heeft verdachte met zijn handelen ervoor gezorgd dat aangeefster veel schade heeft gehad. Door de ontkennende houding van verdachte heeft aangeefster bovendien geen antwoord gekregen op de vraag waarom haar dit is overkomen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Justitiële documentatie
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank neemt wel in aanmerking dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de reclassering. Uit dit rapport volgt dat verdachte op zeventienjarige leeftijd voor het eerst in aanraking kwam met politie en justitie. In de jaren daarna volgden meerdere veroordelingen voor verschillende soorten delicten. De reclassering constateert dat er sprake is van een patroon van delicten gepleegd onder invloed van alcohol en/of drugs. Verdachte is afgekeurd voor werk, ontvangt een WIA-uitkering en staat onder bewind. Hij zou in het verleden gediagnosticeerd zijn met ADHD. Gelet op de delictgeschiedenis van verdachte, zijn leefsituatie, zijn
psychosociaal functioneren en zijn houding schat de reclassering de kans op herhaling in als hoog. Sinds verdachte in detentie zit in onderhavige zaak lijkt er echter een voorzichtige verandering te hebben plaatsgevonden in de motivatie van verdachte om te komen tot een gedragsverandering. In het verleden werkte verdachte onvoldoende mee aan ambulante behandeling en was hij voornamelijk extrinsiek gemotiveerd voor een klinische behandeling. Nu lijkt er ook sprake te zijn van een intrinsieke motivatie bij verdachte. Hij wil zijn leven beteren, wil werken aan zijn middelengebruik en zijn gedrag en hij is gemotiveerd voor een klinische opname.
De reclassering ziet een forensisch klinische behandeling als enige passende interventie om een gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen en de kans op herhaling te beperken. Naar verwachting kan hieraan binnen een forensische verslavingskliniek worden gewerkt en ook aan het doorbreken van zijn problematische middelengebruik. De reclassering adviseert een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen waar verdachte zich, na de klinische opname, aan dient te houden. Die bijzondere voorwaarden houden, kort gezegd, in dat verdachte zich moet melden bij de reclassering, zich ambulant laat behandelen en begeleiden, geen verdovende middelen gebruikt en dagbesteding heeft.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andere modaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen aan verdachte en aan die voorwaardelijke straf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. Hoewel verdachte ter terechtzitting geen blijk heeft gegeven van intrinsieke motivatie om mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde klinische opname, blijkt uit het rapport van de reclassering dat verdachte ten tijde van het gesprek met de reclassering wel gemotiveerd was om mee te werken aan een dergelijke opname, terwijl verdachte ook bij de reclassering iedere betrokkenheid bij de brandstichting heeft ontkend. De rechtbank overweegt daarnaast dat er sprake is geweest van een intakegesprek bij de Piet Roorda kliniek en dat inmiddels is gebleken dat verdachte in die kliniek terecht kan zodra daar plek is. De rechtbank maakt daaruit op dat ook ten tijde van die intake sprake moet zijn geweest van motivatie bij verdachte om mee te werken aan een klinische opname. De rechtbank acht oplegging van de bijzondere voorwaarden ook van belang om in te zetten op een gedragsverandering bij verdachte en om het patroon van problematisch middelengebruik te doorbreken.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden. De rechtbank zal de proeftijd vaststellen op drie jaren en, zoals hiervoor al overwogen, de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbinden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 13 oktober 2025 van de politierechter in de rechtbank
Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 28 oktober
2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 21 juli 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de eerdere veroordeling ziet op andersoortige delicten dan waar het in onderhavige zaak om gaat. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de proeftijd te verlengen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de tenuitvoerlegging gelasten van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vordering af te wijzen of de proeftijd te verlengen.
Toepassing van wetsartikelen
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, te weten 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
-
dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Verslavingszorg Noord-Nederland op het adres [adres 5] ;
-
dat de veroordeelde zich voor maximaal 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling dient zich in ieder geval te richten op verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en agressiebeheersing. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of een verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
-
dat de veroordeelde zich laat behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling en bepaalt waar de behandeling zich op dient te richten;
-
dat de veroordeelde geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles op dit verbod. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
dat de veroordeelde geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles op dit verbod. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
-
dat de veroordeelde zich laat begeleiden door Wender of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18 182822-25:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 13 oktober 2025, te weten een gevangenisstraf van één maand.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. J. Teertstra en mr. E.S. Van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. A. Niklasch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 september 2026.
Mr. E.S. Van den Berg en mr. A. Niklasch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.