RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C18/197914 / PR RK 20-103
beslissing van de meervoudige kamer van 17 april 2020
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van
[naam] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.
1 Procesverloop
Bij brief van 16 maart 2020 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking vande wrakingskamer in de procedure met nummer C/18/197043/PRRK 20-33.
2 Overwegingen
Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker zijn verzoek doet in de procedure met nummer C/18/197043/PRRK 20-33.
De zaak waarin het verzoek tot wraking is gedaan is inmiddels geëindigd met een beslissing van 16 maart 2020. Dat betekent dat er op die datum, die ook de datum van het onderhavige wrakingsverzoek betreft, niet langer sprake was van “een rechter die de zaak behandelt” in de zin van artikel 36 Rv. Nu niet aan dit formele vereiste voor wraking is voldaan zal verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Tot een mondelinge behandeling behoeft derhalve niet te worden overgegaan.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;
beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker en aan
de wrakingskamer.
Deze beslissing is gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, W.P. Claus en L.T. de Jonge, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken door mr. W.P. Claus op 17 april 2020.
coll: js (319)