ECLI:NL:RBNHO:2026:8686

Datum uitspraak
12-06-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/15/377933
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing vanwege zorgen over de relatie tussen de minderjarige en haar ouders, haar emotie-regulatieproblematiek, haar haar mentale gesteldheid en haar schoolgang. Inzetten op het voorbereiden van de thuisplaatsing bij de vader en het starten van de hulpverlening.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Alkmaar

Zaaknummer: C/15/377933 / JU RK 26-759

Datum uitspraak: 12 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd te Haarlem,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. N. Hendriksen, kantoorhoudende te Alkmaar,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Alkmaar.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van 12 mei 2026 met bijlagen, waaronder het raadsrapport van 11 mei 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder;

- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] verblijft op de gesloten groep [groep] van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] in [plaats] .

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 maart 2026 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 juni 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking van 16 maart 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Bij beschikking van 26 maart 2026 is de machtiging verleend tot 16 juni 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum] . Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. Bij [de minderjarige] speelt emotieregulatieproblematiek en zij heeft moeite met het verwerken van afwijzing en teleurstellingen. Zij raakt hierdoor snel in conflict met anderen en als gevolg hiervan is haar relatie met de moeder ernstig verstoord geraakt. Zonder blijvende ondersteuning en verandering in belangrijke relaties, bestaat het risico dat zij opnieuw ontregelt en haar ontwikkeling stagneert. Hoewel de ouders bereid zijn de nodige hulpverlening aan te gaan, is dat nog pril en lijken de ouders de oorzaak van de ontstane problematiek overwegend bij [de minderjarige] leggen. De Raad vindt daarom regievoering vanuit de GI noodzakelijk. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden nodig om toe te werken naar een thuisplaatsing bij de vader.

4 De standpunten

4.1.

De GI staat achter het verzoek van de Raad. Belangrijke doelen van de ondertoezichtstelling zijn systeemtherapie en therapie voor het reguleren van de emoties van [de minderjarige] en de schoolgang van [de minderjarige] . [de minderjarige] is erg gemotiveerd en de GI denkt dat zij hierin veel kan bereiken. De GI gaat nog met de ouders en [de minderjarige] bespreken of diagnostiek nodig is. De vader is betrokken en bereikbaar voor de GI en met hem zijn goede afspraken gemaakt. De GI is positief over de thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader. Als het mogelijk is, kan [de minderjarige] ook eerder terug naar de vader dan de verzochte termijn van drie maanden. Mocht het toch niet goed gaan bij de vader thuis, kan vanuit de ondertoezichtstelling het traject voor begeleid wonen opgestart worden. Dat is ook met de ouders en [de minderjarige] besproken.

4.2.

De moeder heeft ingestemd met het verzoek. Zij snapt dat wordt geprobeerd om [de minderjarige] weer bij de vader te laten wonen maar ziet ook het risico dat het dan weer fout gaat. Zij vindt het daarom belangrijk dat de GI betrokken blijft zodat, mocht het nodig zijn, het traject voor begeleid wonen opgestart kan worden.

4.3.

De vader en de advocaat hebben ingestemd met het verzoek. De vader heeft begrip voor de verzochte termijn voor de machtiging tot uithuisplaatsing maar zou het fijn vinden als [de minderjarige] al eerder thuis komt wonen. Het is goed als de ondertoezichtstelling blijft als vangnet en daardoor toezicht en hulp beschikbaar is, in het belang van [de minderjarige] .

5 De mening van [de minderjarige]

5.1.

heeft verteld dat het goed met haar gaat. De schoolinschrijving is geregeld en zij is gemotiveerd om weer naar school te gaan. De GI staat in contact met de school en de zorg op school is goed geregeld. Het contact met de moeder is verbeterd en het contact met haar beide ouders is goed nu. Op 15 juni 2026 gaat ze naar de open groep van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . Zij vindt het fijn dat op de groep altijd iemand aanwezig is om mee te praten als zij daar behoefte aan heeft. Als zij naar de vader gaat, is het belangrijk om duidelijke afspraken te maken over zijn beschikbaarheid. [de minderjarige] vindt het fijn dat de GI langer betrokken blijft. Zij vindt de verzochte termijn van drie maanden voor de uithuisplaatsing wel lang.

6 De beoordeling

6.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

6.2.

Bij [de minderjarige] is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, gelegen in zorgen over de relatie tussen [de minderjarige] en de ouders, haar emotieregulatie-problematiek, haar mentale gesteldheid en de schoolgang van [de minderjarige] . De dynamiek tussen de moeder en [de minderjarige] is verstoord (geweest), wat in het verleden heeft geleid tot onveiligheid in de thuissituatie. Ook tussen [de minderjarige] en de vader hebben escalaties plaatsgevonden en er bestaan zorgen over de mate van beschikbaarheid van de vader voor [de minderjarige] . [de minderjarige] ervaart moeite met het reguleren van haar emoties en kan snel boos worden wanneer zij zich niet gehoord of begrepen voelt. Ook bestaan er zorgen over de mentale gesteldheid van [de minderjarige] en gezien wordt dat zij zich snel afgewezen voelt. Tot slot is [de minderjarige] al twee jaar niet naar school geweest.

6.3.

Op 16 maart 2026 is [de minderjarige] met spoed uit huis geplaatst op een gesloten groep vanwege het zeer zelfbepalende en grensoverschrijdende gedrag van [de minderjarige] en omdat zij weigerde in gesprek te gaan met hulpverlening en alle hulpverlening afhield. Het is de kinderrechter duidelijk dat inmiddels sprake is van een positieve ontwikkeling bij [de minderjarige] . Zij is tot rust gekomen op de groep en houdt zich aan de afspraken. Ook het contact met de moeder is verbeterd. [de minderjarige] heeft zich ingeschreven voor een opleiding en is gemotiveerd om weer naar school te gaan.

6.4.

[de minderjarige] heeft de – begrijpelijke – wens om weer bij de vader te wonen. De vader heeft deze wens ook en heeft aangegeven dat [de minderjarige] weer bij hem kan wonen. Gezien de zorgen is het van belang dat een thuisplaatsing van [de minderjarige] zorgvuldig voorbereid wordt. De kinderrechter is met de Raad en de GI van oordeel dat hiervoor eerst een tussenstap nodig is, namelijk een verblijf op de open groep van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . Op deze manier kunnen de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de vader geleidelijk uitgebouwd worden en kan gestart worden met de nodige hulpverlening.

6.5.

De komende periode is het nodig dat systeemtherapie voor [de minderjarige] en de ouders en emotieregulatie-therapie voor [de minderjarige] wordt ingezet. Ook moet het verloop van de schoolgang en de thuisplaatsing van [de minderjarige] gemonitord worden. De betrokkenheid van de GI is noodzakelijk om regie te voeren op de hulpverlening en zicht te houden op de ontwikkeling en belangen van [de minderjarige] .

6.6.

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum] en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van drie maanden, te weten tot 12 september 2026.

6.7.

De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.3

6.8.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 12 juni 2026 tot [datum] ;

7.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 12 juni 2026 tot 12 september 2026;

7.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Maat, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 29 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »