ECLI:NL:RBNHO:2026:8120

Datum uitspraak
30-07-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
K/4104/12126052
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft met de rechtsvoorgangster van eiseres een kredietovereenkomst gesloten. De kredietovereenkomst is opgezegd en eiseres wil terugbetaling van het geleende bedrag met rente en kosten. De vordering wordt toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zaanstad

Zaaknummer: 12126052 \ CV EXPL 26-751 (PA)

Vonnis van 30 juli 2026

in de zaak van

ASSET MANAGING PARTNERS B.V.,

te Wassenaar,

eisende partij,

hierna te noemen: AMP,

gemachtigde: mr. R.G. Goossens,

tegen

[gedaagde] , VOORHEEN HANDELEND ONDER DE NAAM [naam],

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

De zaak in het kort

[gedaagde] heeft met de rechtsvoorgangster van AMP een kredietovereenkomst gesloten. De kredietovereenkomst is opgezegd en AMP wil terugbetaling van het geleende bedrag met rente en kosten. De vordering wordt toegewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 februari 2026

- de mondelinge conclusie van antwoord

- het tussenvonnis van 30 april 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 3 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] had tot 30 juni 2021 een eenmanszaak onder de naam [naam] . Met ingang van 30 juni 2021 is de onderneming voortgezet door [naam] B.V.

2.2.

Op 11 mei 2021 is tussen Qeld Bedrijfsleningen (hierna: Qeld) en [gedaagde] een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Qeld een bedrijfskrediet van € 27.000,00 aan [gedaagde] heeft verstrekt.

2.3.

In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

‘3 Beschrijving van de belangrijkste kenmerken van het kredietproduct

(…)

Het maandelijkse totaalbedrag bestaat uit een deel aflossing van het kredietbedrag van €1 687,50, en de betaling van het vaste maandelijkse prijs (zie punt 4). (…)

4 Tarieven en kosten

(…)

De maandelijkse prijs is €513,00. (…)

Bij een betalingsachterstand heeft de Kredietverstrekker het recht om vertragingsrente van 2,5% per maand in rekening te brengen.

Daarnaast kan er een vertragingsvergoeding van €20,- in rekening worden gebracht bij een betalingsachterstand van meer dan zes (6) dagen. (…)’

2.4.

[gedaagde] heeft verschillende termijnen niet betaald. Met een e-mail van 20 augustus 2025 is de overeenkomst door Qeld opgezegd en het openstaande saldo opgeëist.

2.5.

Omstreeks 16 september 2025 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen van € 100,00 per maand. [gedaagde] heeft in totaal een bedrag van € 400,00 betaald, waarna de betalingsregeling is geëindigd.

2.6.

Qeld heeft haar vordering op [gedaagde] op 6 november 2025 overgedragen (gecedeerd) aan AMP.

3 Het geschil

3.1.

AMP vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 23.339,08 vanaf 5 februari 2026 tot de dag van betaling.

3.2.

AMP legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in haar verplichting om de termijnen op tijd te betalen. Omdat [gedaagde] haar betalingsverplichtingen niet nakwam, heeft Qeld de kredietovereenkomst met [gedaagde] beëindigd en is zij het gehele verschuldigde bedrag van € 23.739,08, bestaande uit € 22.375,00 aan resterend hoofdsom, € 1.085,38 aan openstaande maandelijkse kosten en € 278,70 aan openstaande rente in één keer verschuldigd geworden. AMP vordert daarnaast de wettelijke handelsrente van € 1.036,68, berekend tot en met 3 februari 2026 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.224,99. [gedaagde] heeft nog een bedrag van € 400,00 betaald, waardoor de hoofdsom in deze procedure € 23.339,08 bedraagt. AMP verlaagt de vordering om haar moverende redenen tot € 25.000,00 en doet nadrukkelijk afstand van het meerdere.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat zij in 2024 ziek is geworden en niet meer kon werken. Haar bedrijf is daarna failliet verklaard. [gedaagde] voert verder aan dat zij te veel heeft betaald, dat de schuld haar veel stress geeft en dat zij tijd nodig heeft. [gedaagde] heeft zich aangemeld voor schuldhulpverlening bij de gemeente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

(Absolute) bevoegdheid

4.1.

Letterlijk lijkt AMP meer te vorderen dan wat zij bij de kantonrechter kan vorderen, € 25.000,00 op de datum dagvaarding. Zij schrijft namelijk dat zij naast het bedrag van € 25.000,00 ook een (piepklein) beetje rente vordert betreffende de periode voor de dag van dagvaarding, van 5 februari tot 9 februari 2026. De kantonrechter ziet dat als een kennelijke verschrijving omdat uit de rest van de dagvaarding blijkt dat AMP haar vordering per datum dagvaarding wenst te beperken tot € 25.000,00 en afstand doet van het meerdere.

Geen ambtshalve toetsing

4.2.

Vast staat dat sprake is van een zakelijk krediet dat [gedaagde] in het kader van de uitoefening van haar bedrijf heeft afgesloten. Dat betekent dat [gedaagde] bedrijfsmatig heeft gehandeld, waardoor ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht niet aan de orde is.

[gedaagde] moet de achterstand van € 23.339,08 betalen

4.3.

[gedaagde] is als degene voor wiens rekening de eenmanszaak werd gedreven gehouden tot nakoming van de verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst. Dat [gedaagde] een bedrag van € 42.000,00 heeft betaald, zoals zij stelt, is betwist en niet gebleken. AMP heeft bij dagvaarding1 een overzicht overgelegd van de betalingen door [gedaagde] . [gedaagde] erkent dat zij niet meer heeft betaald dan de bedragen die in het overzicht staan. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] € 42.000,00 heeft betaald. De kantonrechter stelt verder vast dat de kosten van het krediet duidelijk uit de overeenkomst blijken. Onder punt 3 van de overeenkomst staat namelijk dat het maandelijkse totaalbedrag bestaat uit een deel aflossing van het kredietbedrag en de betaling van de vaste maandelijkse prijs. Ook staan de betreffende bedragen in punt 3 en 4 van de overeenkomst vermeld. [gedaagde] had dus op de hoogte kunnen zijn van de kosten van het krediet.

4.4.

Vast staat dat [gedaagde] haar betalingsverplichtingen niet tijdig en niet volledig is nagekomen. AMP heeft met een e-mail van 20 augustus 2025 de overeenkomst rechtsgeldig beëindigd en het resterende bedrag is opeisbaar geworden. [gedaagde] heeft niet weersproken dat het restant van de lening op dat moment € 23.739,08 bedroeg. Na het treffen van een betalingsregeling heeft [gedaagde] in totaal nog € 400,00 betaald, zodat € 23.339,08 aan hoofdsom resteert. [gedaagde] heeft nog gesteld dat zij meer tijd nodig heeft om dit bedrag te betalen. Die stelling is in juridische zin echter niet genoeg om de vordering af te wijzen. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 23.339,08.

[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen

4.5.

Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, moet zij ook de wettelijke handelsrente betalen. Hiertegen is geen verweer gevoerd. Het bedrag van € 1.036,68 aan wettelijke handelsrente tot en met 4 februari 2026 wijst de kantonrechter toe, net als de wettelijke handelsrente vanaf 9 februari 2026 over de nog openstaande hoofdsom zoals hierna vermeld.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

4.6.

AMP vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.224,99 worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag

4.7.

Omdat de vordering beperkt is tot € 25.000,00 wordt dat bedrag toegewezen, te vermeerderen met de rente als hierna vermeld.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

4.8.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van AMP worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

157,49

- griffierecht

€

1.504,00

- salaris gemachtigde

€

1.154,00

(2 punten × € 577,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.959,49

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan AMP te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 23.339,08, met ingang van 9 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.959,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »