ECLI:NL:RBNHO:2026:7647

Datum uitspraak
16-07-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
K/4104/12096716
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van het restant factuurbedrag toe. Prijsbeding is niet transparant maar ook niet oneerlijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zaanstad

Zaaknummer: 12096716 \ CV EXPL 26-532 (PA)

Vonnis van 16 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: H.A.M. Over de Vest,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 januari 2025- de conclusie van antwoord, met aanvullend antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft een geneeskundige behandelovereenkomst met [eiser] gesloten betreffende ambulante psychologische hulp. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemeen Leveringsvoorwaarden GGZ.

2.2.

Op 22 maart 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] een factuur gezonden ter hoogte van € 983,17. [eiser] heeft deze factuur verminderd tot een bedrag van € 629,23.

2.3.

[gedaagde] heeft een bedrag van € 385,00 betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 292,63, met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde] een bedrag van € 292,63 aan [eiser] moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is en motiveert dat als volgt.

4.2.

De geneeskundige behandelingsovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt, is gesloten tussen [eiser] als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld en/of de vordering is erkend, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.

Informatieplichten

4.3.

Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelingsovereenkomst op grond van artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgezonderd van toetsing.

Het prijsbeding

4.4.

Het prijsbeding moet wel ambtshalve getoetst worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Op grond van artikel 4 lid 2 van deze richtlijn zijn kernbedingen (zoals het prijsbeding) echter uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid mits deze transparant zijn.

4.5.

Uit de toelichting van [eiser] volgt dat de kosten van de behandeling(en) door [eiser] worden berekend overeenkomstig de geldende tarievenlijst, zoals deze door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is vastgesteld en gepubliceerd.

4.6.

De kantonrechter oordeelt dat het prijsbeding niet transparant is, omdat daarin een vindplaats naar de toepasselijke tarievenlijst van de NZa ontbreekt. Weliswaar stelt [eiser] dat deze kosten op de website van NZa staan vermeld, maar het is de vraag of de patiënt in staat is om op basis van deze tarievenlijst de prijs voor de behandeling vast te stellen. Echter, omdat [eiser] de behandelingskosten berekent aan de hand van de door de NZa vastgestelde tarieven is naar het oordeel van de kantonrechter per definitie geen sprake van een oneerlijk beding. Het prijsbeding wordt dus in stand gelaten.

De behandelovereenkomst

4.7.

Vast staat dat tussen partijen een behandelovereenkomst is gesloten en dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde] heeft niet geklaagd over de aan hem verleende zorg, zodat hij [eiser] in beginsel moet betalen voor de door haar verleende behandeling.

4.8.

[gedaagde] is echter van mening dat het door [eiser] in rekening gebrachte bedrag te hoog is en dat [eiser] hem bij het aangaan van de overeenkomst onvoldoende heeft geïnformeerd. Hij maakt onder meer bezwaar tegen de in het factuurbedrag doorberekende tijd en heeft aangevoerd dat hij had aangenomen dat de kosten lager zouden zijn.

Factuur [nummer 1]

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] voldoende toegelicht en onderbouwd dat de aan de factuur ten grondslag liggende zorg aan [gedaagde] is verleend. Bij conclusie van dupliek heeft [eiser] verwezen naar haar eerder gegeven toelichting per e-mail van 3 april 2025. [eiser] heeft toegelicht dat een afspraak een vaste duur heeft. Als de behandeling langer of korter duurt, blijft de tijd hetzelfde staan. Verder heeft zij toegelicht dat de ingevulde vragenlijst is beoordeeld door een psycholoog ter voorbereiding van de intake, dat een triage gesprek heeft plaatsgevonden en dat er een intake en screening is geweest. [eiser] heeft daarbij eveneens toegelicht dat zij geen contract heeft met zorgverzekeraars en dat zij de tarieven niet zelf vaststelt, maar dat deze worden vastgesteld door de NZa. Dit allemaal is door [gedaagde] niet weersproken. De omstandigheid dat een andere zorginstelling volgens [gedaagde] goedkoper is dan [eiser] kan zo zijn, maar zegt niets over de vraag of de betreffende zorg door [eiser] aan [gedaagde] is verleend.

4.10.

[eiser] heeft verder voldoende gesteld dat zij bij niet-gecontracteerde zorg de prijs voor de behandeling achteraf aanpast aan de vergoeding die de verzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt (door creditering van het meerdere). Voorwaarde daarvoor is wel dat de patiënt zijn factuur indient bij de verzekeraar en de specificatie daarvan aan [eiser] stuurt. In dat geval dient de patiënt alleen de van de verzekeraar ontvangen vergoeding aan [eiser] te voldoen, eventueel nog vermeerderd met het verrekende eigen risico. Onbetwist is gebleven dat zij deze wijze van factureren voorafgaand aan de behandeling op haar website, telefonisch en bij de afspraakbevestiging steeds heeft vermeld. Vast staat dat [gedaagde] het door hem ontvangen bedrag van de zorgverzekeraar en de specificatie daarvan niet heeft (door)betaald/doorgestuurd aan [eiser] . Dat had hij wel moeten doen. Aan de stelling van [gedaagde] dat hem is verzekerd dat hij alleen zijn eigen risico moest betalen, gaat de kantonrechter voorbij omdat dit niet is onderbouwd.

4.11.

De conclusie van het bovenstaande is dat de kantonrechter de vordering tot betaling van € 244,23 toewijst.

Factuur [nummer 2]

4.12.

Ten overvloede merkt de kantonrechter het volgende op. [gedaagde] maakt een punt over de door hem ontvangen factuur ter hoogte van € 133,17. [eiser] vordert in deze procedure echter geen betaling van die factuur, zodat de kantonrechter daarover niet hoeft te beslissen. Overigens blijkt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie dat [eiser] deze factuur inmiddels heeft gecrediteerd. [gedaagde] hoeft deze factuur daarom niet te betalen.

De wettelijke rente

4.13.

De gevorderde rente wordt, zoals hierna vermeld, toegewezen omdat [gedaagde] in verzuim is.

De buitengerechtelijke incassokosten

4.14.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen omdat voldaan is aan de daarvoor geldende vereisten. Daarom zal een bedrag van € 48,40 worden toegewezen.

Proceskosten

4.15.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

145,45

- griffierecht

€

139,00

- salaris gemachtigde

€

174,00

(2 punten × € 87,00)

- nakosten

€

43,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

501,95

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 292,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 244,23, met ingang van 30 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 501,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »