ECLI:NL:RBNHO:2026:14204

Datum uitspraak
10-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
HAA 25/1794
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de weigering van een vergunning aan eiseres voor het opgraven van het lichaam van haar overleden dochter. Eiseres is het niet eens met de weigering van de vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid, bij afweging van alle betrokken belangen, heeft kunnen beslissen dat de grafrust gerespecteerd dient te worden en hij de vergunning heeft kunnen weigeren.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/1794

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.H. van Gerwen),

en

de burgemeester van de gemeente Bloemendaal , de burgemeester

(gemachtigden: mr. A. Jager, F.W.A. Heeres en G. de Graaf).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

[naam 1] uit [plaats 2] ( [land 1] ), bijgestaan door zijn gemachtigde: C.W. van de Ven,

[naam 2] uit [plaats 3] ,

[naam 3] uit [plaats 4]

en

Stichting Grafzorg Nederland uit Velp (vertegenwoordigd door [naam 4] , directeur).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een vergunning aan eiseres voor het opgraven van het lichaam van haar overleden dochter. Eiseres is het niet eens met de weigering van de vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de vergunning.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 3 juni 2024 een aanvraag ingediend om het begraven lichaam van haar overleden dochter over te mogen brengen naar het buitenland. De burgemeester heeft dit verzoek opgevat als een aanvraag voor een vergunning om opgraving van de overleden dochter van eiseres. Op 2 september 2024 heeft eiseres de aanvraag gewijzigd naar een aanvraag voor een vergunning om haar overleden dochter op te graven waarna een crematie plaatsvindt.

2.1.

Bij besluit van 11 september 2024 (het primaire besluit) heeft de burgemeester besloten de gevraagde vergunning te verlenen. De heer [naam 1] (verder: [naam 1] ), mevrouw [naam 2] (verder: [naam 2] ) en mevrouw [naam 3] (verder: [naam 3] ) hebben bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 11 februari 2025 heeft de burgemeester het advies van de commissie bezwaarschriften gemeente [plaats 5] (hierna: de commissie) van 31 januari 2025 overgenomen en de bezwaren van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] gegrond verklaard en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partijen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben ook schriftelijk gereageerd.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van de burgemeester, [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, [naam 2] en [naam 3] .

2.5.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 11 augustus 2026 aanvullende stukken van eiseres ontvangen. De rechtbank ziet in de overgelegde stukken van eiseres geen aanleiding tot heropening van het onderzoek.

Eiseres heeft in deze stukken onder meer gewezen op de duur van de procedure. Voor zover eiseres hiermee heeft beoogd te betogen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat zij daar schadevergoeding voor vraagt, overweegt de rechtbank als volgt. De behandeling van zaken als deze, met een bezwaar- en beroepstermijn mag maximaal twee jaar in beslag mag nemen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd, voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. In dit geval geldt dat het eerste bezwaarschrift is ingediend op 1 oktober 2024 dus de redelijke termijn voor de behandeling loopt tot 1 oktober 2026 en is nog niet overschreden. Daarom bestaat geen grond voor schadevergoeding.

De bij brief van 11 augustus 2026 ingediende stukken blijven dan ook buiten beschouwing en blijven in het dossier opgenomen op grond van artikel 2.16, derde en vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.

Relevante feiten en omstandigheden

3. Eiseres is de moeder van [naam 5] . [naam 5] is op [datum 1] overleden (hierna: de overledene) en op [datum 2] begraven op de Algemene Begraafplaats [plaats 5] .

3.1.

[naam 1] is de weduwnaar van de overledene. [naam 2] heeft gesteld een nichtje van de overledene te zijn. [naam 3] heeft gesteld een vriendin van de overledene te zijn. De Stichting Grafzorg Nederland is de rechthebbende op het graf van de overledene. Stichting Grafzorg Nederland heeft eiseres gemachtigd om namens haar zeggenschap uit te oefenen over het graf als bedoeld in onder andere artikel 29, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging (hierna: de Wlb) en toestemming verleend voor opgraving.

3.2.

Eiseres wil het begraven lichaam van de overledene laten opgraven om het te laten cremeren en de as mee te nemen naar [land 2] . [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] zijn het hier niet mee eens. Zij willen dat de grafrust van de overledene wordt gerespecteerd en willen de mogelijkheid behouden haar graf in [plaats 5] te kunnen bezoeken.

3.3.

De overledene heeft in een handgeschreven codicil van 30 april 2019, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“ [inhoud codicil] ”.

Standpunten van partijen

4. De burgemeester heeft er bij de besluitvorming op gewezen dat het belang van grafrust groot is en als uitgangspunt geldt en dat de grafrusttermijn van 10 jaar in dit geval nog niet voorbij is. De burgemeester vindt dat in dit geval de grafrust moet prevaleren. De burgemeester heeft daarbij opgemerkt dat het duidelijk is dat eiseres alleen het beste wil voor de overledene en haar rustplaats en dat eiseres in het diepste geraakt is door het overlijden van haar dochter en alles daaromheen. De burgemeester heeft bij de belangenafweging geconcludeerd dat het belang dat is gediend met het opgraven van de overledene niet zwaar genoeg weegt om de belangenafweging in het voordeel van eiseres te doen uitvallen. Daarbij heeft de burgemeester meegewogen dat het gemis van de overledene bij de andere nabestaanden (eveneens) zwaar drukt en dat zij hebben aangegeven het graf van de overledene in [plaats 5] te bezoeken en te willen blijven bezoeken. Dat wordt bij opgraving en crematie voor hen onmogelijk gemaakt. Volgens de burgemeester is dat een zeer zwaarwegend belang. Verder ziet de burgemeester niet in dat de huidige begraafplaats in strijd zou zijn met de laatste wens van de overledene. De burgemeester heeft eveneens betrokken dat niet is gebleken dat er redenen zijn aan het onderhoud en het voortbestaan van het graf te twijfelen. De evidente lijdensdruk bij eiseres weegt naar het oordeel van de burgemeester niet zwaar genoeg om af te wijken van het uitgangspunt van het respecteren van de grafrust en daarmee afbreuk te doen aan de belangen van de andere nabestaanden en mogelijk ook aan de wil van de overledene zelf.

5. Eiseres betoogt dat de burgemeester haar een vergunning had moeten verlenen. In het bestreden besluit ontbreekt volgens eiseres een correcte belangenafweging, waardoor sprake is van een onzorgvuldig besluit en een ondeugdelijke motivering. Volgens eiseres wegen haar belangen wel degelijk zwaarder en is de opgraving juist in lijn met de wil van de overledene. Eiseres voert aan dat zij zwaar lijdt onder de omstandigheid dat de overledene niet opgegraven en gecremeerd mag worden en daarom kan van de grafrusttermijn van 10 jaar worden afgeweken, aldus eiseres. Eiseres heeft niet alleen zorgen dat het graf niet in stand zou blijven, maar ook dat het graf van de overledene niet wordt bezocht en zij als moeder van de overledene niet dichtbij (het lichaam van) haar dochter kan zijn. Eiseres heeft erop gewezen dat artsen haar hebben geadviseerd om vanwege een auto-immuunziekte uit Nederland weg te gaan. Dit is voor eiseres onmogelijk zonder medeneming van het lichaam van de overledene. Eiseres wil naar haar familie in [land 2] gaan, waar ook vrijwel alle nabestaanden van de overledene zich volgens eiseres bevinden.Eiseres betwist dat [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] een belang hebben dat dient te worden meegewogen. Eiseres weerspreekt dat zij het graf van de overledene bezoeken en willen blijven bezoeken. Daar is onvoldoende onderzoek naar gedaan. Volgens eiseres zijn deze nabestaanden vijanden van haar die wraak op haar willen nemen. In de stukken wordt onjuiste informatie gebruikt over de band tussen de overledene en deze nabestaanden. Voorts stelt eiseres dat in strijd is gehandeld met de wil van de overledene. De wil van de overledene ziet erop dat haar overblijfselen onderdeel van de natuur zouden worden op een plek buiten Nederland. Omdat in de natuur volgens eiseres logischerwijs geen kist begraven kan en mag worden, ziet dit dus op de as van de overledene, aldus eiseres. De overledene had wel degelijk een wens om gecremeerd te worden, aldus eiseres.

6. [naam 1] heeft aangevoerd dat hij het graf van zijn echtgenote wil kunnen blijven bezoeken en gesteld dat de plek waar zij in overleg begraven is precies is zoals zij die aan hem had beschreven: een natuurlijke, rustige en open omgeving. [naam 2] heeft verklaard dat zij een nichtje is van de overledene, dat zij intensief contact met de overledene had van haar 25e tot haar 35e levensjaar en dat zij aanwezig was op het sterfbed van de overledene. [naam 3] heeft verklaard een vriendin van de overledene te zijn geweest, met wie zij tot haar overlijden een sterke band had. Zowel [naam 2] als [naam 3] hebben erop gewezen dat zij beiden als bruidsmeisje aanwezig waren op de bruiloft van de overledene en [naam 1] . Ook hebben zij aangevoerd dat zij het graf van de overledene willen kunnen blijven bezoeken. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben erop gewezen dat de overledene begraven is overeenkomstig haar wens. Volgens hen heeft de overledene nooit gesproken over cremeren en wilde zij begraven worden op een natuurlijke plek zoals waar ze nu ligt begraven. Daarbij is gewezen op het codicil dat de overledene kort voor haar overlijden heeft opgesteld.

Beoordeling door de rechtbank

7. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wlb wordt een begraven lichaam van een overledene slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven. Wanneer sprake is van een particulier graf is naast een vergunning ook de toestemming van de rechthebbende op het graf nodig.

7.1.

Uit het stelsel van de Wlb volgt dat de burgemeester een vergunning slechts dan verleent, wanneer er belangen zijn die zwaarder wegen dan de belangen die de wetgever tot het algemene verbod tot opgraving hebben geleid. Tot deze laatste groep belangen horen het belang van de volksgezondheid, de eerbied voor de stoffelijke overblijfselen van gestorvenen en, in verband daarmee, voor de grafrust.1 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is van oordeel dat het belang van de grafrust groot is en als uitgangspunt moet worden genomen.2

7.2.

De rechtbank stelt voorop dat het gaat om een verdrietige zaak, waarbij duidelijk is dat eiseres een enorme lijdensdruk ervaart door het overlijden van haar dochter. Eiseres heeft daar uitvoerig verslag van gedaan en gesteld dat zij lijdt onder de omstandigheid dat de overledene niet opgegraven mag worden. De burgemeester heeft blijkens de inhoud van het besluit oog gehad voor dit belang. Daarnaast spelen de belangen van de andere nabestaanden, te weten [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid, bij afweging van alle betrokken belangen, heeft kunnen beslissen dat de grafrust gerespecteerd dient te worden en hij de vergunning heeft kunnen weigeren. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

7.3.

De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de band tussen de overledene en de andere nabestaanden. [naam 1] is de weduwnaar van de overledene en daarmee net als de moeder, familielid in de eerste graad. Aan de enkele stelling van eiseres dat zijn relatie met de overledene niet goed was, gaat de rechtbank voorbij. Eiseres heeft voorts niet weersproken dat [naam 2] en [naam 3] bruidsmeisjes waren bij het huwelijk in december 2018. Dat hun band met de overledene zou zijn verslechterd na het huwelijk is weliswaar door eiseres gesteld, maar niet verder onderbouwd. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] , en de stelling dat zij tot het laatst met de overledene (nauw) contact hadden. Die verklaringen komen geloofwaardig over. Evenmin heeft de rechtbank reden te twijfelen aan de verklaring dat zij het graf van de overledene bezoeken en evenmin aan de door hen uitgesproken wens dat te willen continueren.

7.4.

Het voorgaande betekent dat ook [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De belangen van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] als nabestaanden zijn door de burgemeester terecht betrokken bij de belangenafweging.

7.5.

Tussen partijen is niet in debat dat, in geval van opgraving, crematie en medeneming van de overblijfselen van de overledene naar [land 2] , de andere nabestaanden de mogelijkheid haar graf te blijven bezoeken wordt ontnomen omdat zij niet in [land 2] wonen. Gelet op de band die de andere nabestaanden met de overledene hadden, is dat als een zwaarwegend belang aan te merken en terecht door de burgemeester op die wijze meegewogen. Dat wordt niet anders door de enkele stelling van eiseres dat sprake zou zijn van wraak jegens haar. De rechtbank gaat hieraan voorbij nu voor de juistheid van die stelling geen enkele aanwijzing in het dossier is te vinden.

7.6.

De rechtbank overweegt verder dat niet gebleken is dat de wens van de overledene niet is opgevolgd met de plaatsing in het huidige graf op de begraafplaats in [plaats 5] . De commissie bezwaarschriften concludeert na de hoorzitting in bezwaar dat eiseres en [naam 1] in goed overleg deze plek hebben uitgekozen, wat als zodanig niet is betwist. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier een beeld naar voren komt van de overledene als een intelligente vrouw, die haar voorkeur heeft neergelegd in een codicil dat kort voor haar overlijden is opgesteld. In het codicil is niets vermeld over cremeren. De overledene heeft de bewoordingen ‘ [inhoud codicil]’ gebruikt. Het opstellen van dit codicil wijst er op dat de overledene zich bewust heeft bezig gehouden met haar begrafenis. De rechtbank ziet ook geen aanwijzingen aan te nemen dat de begrafenis in 2019, waarbij eiseres ook aanwezig was, in strijd met de wensen van de overledene heeft plaatsgevonden. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de overledene de wens had dat haar lichaam na overlijden op enig moment naar [land 2] overgebracht zouden worden. Ook voor de uitleg van eiseres over wat de overledene heeft bedoeld met ‘[inhoud codicil] ’ zijn geen aanwijzingen te vinden.Daarbij overweegt de rechtbank over de gestelde feitelijke onmogelijkheid voor eiseres om het graf te blijven bezoeken als zij naar [land 2] verhuist als volgt. Voor zover al sprake is van een absoluut feitelijke onmogelijkheid is het de keuze van eiseres om tot verhuizing over te gaan. Die omstandigheid is mogelijk te begrijpen maar daarom niet als doorslaggevend aan te merken.

7.7.

Voor zover eiseres zorgen heeft geuit over het onderhoud en het voortbestaan van het graf heeft de Stichting Grafzorg Nederland hierover voldoende duidelijkheid en zekerheid gegeven. Dit kan derhalve geen gewicht in de schaal leggen bij de belangenafweging.

7.8.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de burgemeester gelet op het voorgaande een afweging van de relevante belangen heeft verricht en in redelijkheid overwegende betekenis heeft mogen toekennen aan het belang van het uitgangspunt van het respecteren van de grafrust. Eiseres krijgt dus geen gelijk.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen grond voor de door eiseres overige gevorderde schadevergoeding en evenmin voor een proceskostenveroordeling. Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzitter, en mr. I.S. Burggraaff en mr. A.R. ten Berge, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »