RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/004565-25
Uitspraakdatum: 12 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 22 en 28 september 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[de OvJ] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de verdachte, zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar, en de [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering) naar voren hebben gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich – samengevat – schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1
medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [de benadeelde partij 1] in de periode van
27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;
Feit 2
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [de benadeelde partij 1] in de periode van
27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;
Feit 3
medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [de benadeelde partij 2] in de periode van
27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;
Feit 4
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [de benadeelde partij 2] in de periode van
27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;
Feit 5
medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [de benadeelde partij 3] in de periode van
20 tot 21 juli 2024 in Andijk;
Feit 6
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [de benadeelde partij 3] in de periode van
20 tot 21 juli 2024 in Andijk;
Feit 7
medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [de benadeelde partij 4] op 16 maart 2024 in Bovenkarspel.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft zij gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van de gedachtestreepjes die zien op het gebruik van (een) vuurwapen(s) en mes(sen). Verder heeft zij gevorderd de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit partieel vrij te spreken van het schoppen van aangever [de benadeelde partij 1] en van de onder 5 ten laste gelegde diefstal van de schoenen van aangever [de benadeelde partij 3] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken van de onder 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daarnaast partiële vrijspraak van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten bepleit voor wat betreft het gebruik van (een) vuurwapen(s) en mes(sen). Op de verweren van de raadsman wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
Ten aanzien van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak feiten 1 tot en met 4
De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 tot en met 4 opgenomen gedachtestreepjes die zien op het gebruik en tonen van (een) vuurwapen(s) en (een) mes(sen), niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Hiervoor is redengevend dat aangevers [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] weliswaar hebben verklaard dat bij de tenlastegelegde feiten (een) vuurwapen(s) danwel (een) mes(sen) is/zijn getoond danwel gebruikt is/zijn, maar dit verder geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier.
De bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsoverwegingen
3.3.2.1. Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 5 en 6
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar wettig bewijs voorhanden is dat de verdachte (als medepleger) betrokkenheid bij de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft gehad, maar dat de verdachte wegens gebrek aan overtuiging moet worden vrijgesproken van deze feiten. De verdachte heeft namelijk van meet af aan ontkend dat hij bij deze feiten betrokken is geweest en hij past niet in een van de door de aangever opgegeven signalementen van de daders. De medeverdachten verklaren dat de verdachte aanwezig was bij het plegen van deze feiten, maar zij kunnen zich vergissen, aangezien veel delicten door hen zijn gepleegd en veel tijdsverloop is tussen het afleggen van hun verklaringen en de pleegdatum van de ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de aangifte van [de benadeelde partij 3] vast dat hij door drie jongens met geweld is beroofd van zijn telefoon en schoenen, waarbij de jongens hem alle drie geslagen en geschopt hebben en een van hen even weggeweest is om een pinnetje te halen om de simkaart uit zijn telefoon te halen. Zowel medeverdachte [de medeverdachte 1] als medeverdachte [de medeverdachte 2] heeft betrokkenheid bij de diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangever [de benadeelde partij 3] bekend en zij hebben beiden verklaard dat ook de verdachte erbij betrokken was. [de medeverdachte 2] heeft daarnaast verklaard dat de verdachte degene is geweest die de simkaart uit de telefoon van de aangever heeft gehaald. Zowel [de medeverdachte 2] als [de medeverdachte 1] verklaren dat de verdachte degene moet zijn geweest die even is weggeweest om het pinnetje te halen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de door de medeverdachten afgelegde verklaringen, omdat zij specifiek en gedetailleerd hebben verklaard, waarbij zij ook zichzelf hebben belast door over hun eigen rol bij de feiten te verklaren. Daarbij komt dat de verklaringen van de medeverdachten worden ondersteund door de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [de medeverdachte 1] (dossierpagina’s 357 e.v.), waaruit blijkt dat de verdachte rondom de tijdspanne van het plegen van de feiten meermaals telefonisch contact met [de medeverdachte 1] heeft gehad.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger betrokkenheid bij de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft gehad, waarbij het medeplegen in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
3.3.2.2. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 7
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij ter plaatse aanwezig was, op de uitkijk heeft gestaan en geen geweld heeft gepleegd tegen de aangever. De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte daarmee geen significante bijdrage aan dit ten laste gelegde feit heeft geleverd, waardoor zijn handelen niet als medeplegen kan worden aangemerkt. Hij moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van de aangifte stelt de rechtbank vast dat de aangever op 16 maart 2024 bij een [plaats] in Bovenkarspel door meerdere jongens met geweld is beroofd van zijn telefoon en een geldbedrag, waarbij hij door alle jongens is geslagen en geschopt.
De verdachte heeft ter terechtzitting van 22 september 2026 bekend dat hij ter plaatse aanwezig was tijdens het ten laste gelegde feit en dat hij alleen meegegaan is als support. De verklaring van de aangever dat alle personen die daar stonden geweld hebben gebruikt, wordt echter ondersteund door de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 3] . [de medeverdachte 3] heeft verklaard dat de verdachte, [de medeverdachte 2] en hijzelf de aangever alle drie hebben geslagen (dossierpagina’s 497-498). De rechtbank gaat er daarom, anders dan de verdediging, vanuit dat de verdachte ook geweld heeft gebruikt tegen de aangever. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger betrokkenheid bij het onder 7 ten laste gelegde feit heeft gehad, waarbij het medeplegen in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, ID-kaart, bankpassen en autosleutel, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 1] af te rennen en
- die [de benadeelde partij 1] (met kracht) te slaan en
- die [de benadeelde partij 1] meermaals (met kracht) te schoppen en
- met een knie op de schouder van die [de benadeelde partij 1] te drukken, terwijl die [de benadeelde partij 1] op de grond lag en
- die [de benadeelde partij 1] met ducttape vast te binden;
Feit 2
hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- die [de benadeelde partij 1] te dwingen op een bankje te gaan zitten, en
- de handen van die [de benadeelde partij 1] met ducttape aan elkaar vast te binden, en
- bij die [de benadeelde partij 1] te blijven zitten zodat hij niet kon vertrekken, en
- die [de benadeelde partij 1] te dwingen plaats te nemen achterin zijn eigen auto en vervolgens te gaan rondrijden;
Feit 3
hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, een rijbewijs, een zonnebril en autosleutel, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 2] af te rennen en
- met meerdere personen te wachten tot die [de benadeelde partij 2] het water uit kwam en
- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en
- tegen die [de benadeelde partij 2] te zeggen dat als hij zou meewerken er niets zou gebeuren en
- die [de benadeelde partij 2] met ducttape aan een bankje vast te binden.
Feit 4
hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [de benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en
beroofd gehouden, door
- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en naar een bankje te brengen, en
- die [de benadeelde partij 2] zijn handen met ducttape aan voornoemd bankje vast te maken, en
- die [de benadeelde partij 2] zijn enkels met ducttape aan elkaar vast te binden, en
- bij die [de benadeelde partij 2] te blijven zitten zodat hij niet kon weg kon gaan, en
- die [de benadeelde partij 2] plaats te laten nemen achterin zijn eigen auto.
Feit 5
hij in de periode van 20 tot 21 juli 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, schoenen en een telefoon, die aan [de benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 3] af te rennen en
- die [de benadeelde partij 3] meermaals te slaan, en
- die [de benadeelde partij 3] meermaals te schoppen, en
- aan die [de benadeelde partij 3] te hangen en hem naar de grond te werken, en
- ducttape op de mond van die [de benadeelde partij 3] te plakken, en
- de handen van die [de benadeelde partij 3] met ducttape achter zijn rug vast te binden;
Feit 6
hij in de periode van 20 tot 21 juli 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [de benadeelde partij 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- die [de benadeelde partij 3] zijn handen met ducttape achter zijn rug vast te binden en
- die [de benadeelde partij 3] zijn schoenen uit te trekken en
- die [de benadeelde partij 3] vast te pakken en naar een bankje te brengen, en
- bij die [de benadeelde partij 3] te blijven zitten en/of staan zodat hij niet kon weg kon gaan;
Feit 7
hij op 16 maart 2024 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met anderen, een Samsung telefoon en een geldbedrag van € 100,-, die aan [de benadeelde partij 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [de benadeelde partij 4] meermaals te slaan, en
- die [de benadeelde partij 4] meermaals te schoppen, en
- plakband op de mond van die [de benadeelde partij 4] te plakken, en
- die [de benadeelde partij 4] vast te pakken bij zijn armen en benen, en
- die [de benadeelde partij 4] vervolgens naar een andere plek proberen te slepen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd
houden;
Feiten 3 en 4, de eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd
houden;
Feiten 5 en 6, de eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd
houden;
Feit 7
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6 Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en een werkstraf voor de duur van 100 uren aan de verdachte op te leggen. Hij heeft gewezen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), het blanco strafblad van de verdachte, het feit dat de verdachte spijt heeft getoond en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting die geldt bij jeugdstrafrechtzaken. Verder heeft hij erop gewezen dat de verdachte, in elk geval bij twee feiten, een ondergeschikte rol heeft gehad.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van diefstallen met (bedreiging met) geweld en wederrechtelijke vrijheidsberovingen, gepleegd in het kader van zogenoemd ‘pedohunting’. Zij maakten via een sekssite of sociale media contact met drie slachtoffers waarbij de verdachten zich voordeden als een jonge vrouw en in die hoedanigheid drie van de slachtoffers ’s avonds laat naar een afgelegen plek lokten. Daar werden de slachtoffers opgewacht door een groep van drie of vier jongens met gezichtsbedekking door wie zij onder andere werden geslagen, geschopt en/of met ducttape werden vastgebonden. De slachtoffers zijn beroofd van hun persoonlijke eigendommen en met (bedreiging van) geweld gedwongen om op de afgesproken plek te blijven, terwijl de verdachten probeerden persoonlijke gegevens en/of geld afhandig te maken. Daarnaast is een vierde slachtoffer als gevolg van een vergissing slachtoffer van diefstal met (bedreiging met) geweld geworden, gepleegd door de verdachte samen met anderen. Dit slachtoffer was per toeval op de afgesproken plek en de verdachten dachten dat hij degene was met wie zij een afspraak hadden gemaakt.
Het spreekt voor zich dat dit een bijzonder angstige ervaring moet zijn geweest voor de slachtoffers. Dit blijkt ook uit de in de verzoeken tot schadevergoeding beschreven impact en de gevolgen voor de slachtoffers, zowel lichamelijk als mentaal. Een van de slachtoffers was zo bang op het moment dat de verdachten met gezichtsbedekking op hem af kwamen, dat hij uit angst in het water is gesprongen. Een ander slachtoffer heeft uit angst in zijn broek geplast. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. Daarnaast heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen. De verdachte heeft zich niet bekommerd over het welzijn van de slachtoffers en eventuele omstanders en heeft (kennelijk) zijn drang naar geldelijk gewin en behoefte om “erbij te horen”, laten prevaleren. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat de verdachte weliswaar geen leidende rol bij de feiten heeft gehad, maar dat hij wel onderdeel van de groep was bij de feitelijke uitvoering daarvan. De verdachte was telkens ter plaatse (met gezichtsbedekking op) en hij heeft zelf ook geweld gebruikt.
De rechtbank merkt tot slot nog op dat voor zover de verdachte handelde uit een moreel oordeel over het gedrag van de slachtoffers, duidelijk moet zijn dat dit geen enkele rechtvaardiging is voor wat hij heeft gedaan. In een rechtsstaat is het aan de politie onder leiding van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten op te sporen en ligt de beoordeling hiervan in handen van de onafhankelijke rechter. Alleen op die manier kunnen burgers worden beschermd tegen willekeur en wordt voor een ieder het recht op een eerlijk proces en beoordeling van hun zaak door de onafhankelijke rechter gewaarborgd. Eigenrichting ondermijnt onze rechtsstaat en levert een ernstig gevaar op voor de veiligheid in onze maatschappij.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van
26 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
- de over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapporten van 15 en 18 september 2026 van [raadsonderzoeker] als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad;
- wat door de heer [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de jeugdreclassering, ter terechtzitting van
22 september 2026 naar voren is gebracht.
De Raad adviseert de rechtbank om de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, en daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf. De Raad schat de kans op herhaling in als laag, omdat er weinig tot geen zorgen (meer) over de verdachte zijn. Hij heeft al langere tijd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen profiteren van ingezette hulpverlening, waaronder een coach, en hij heeft een positieve ontwikkeling laten zien. De verdachte laat inmiddels zien dat hij de juiste keuzes kan maken en de gevolgen van zijn acties inziet.
De jeugdreclassering heeft zich ter terechtzitting van 22 september 2026 bij het advies van de Raad aangesloten.
De redelijke termijn
De rechtbank neemt bij de straftoemeting verder in aanmerking dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. In artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt in deze zaak, waarin het jeugdstrafrecht is toegepast, geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De redelijke termijn in deze zaak is gestart op [datum] , te weten de dag van inverzekeringstelling van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat van voornoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Het eindvonnis wordt op 12 oktober 2026 gewezen. De rechtbank stelt de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op ruim vier maanden. De rechtbank ziet aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
De op te leggen straffen
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie kan volstaan. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om hiervan af te wijken gelet op het volgende.
De verdachte heeft in totaal 20 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarna is zijn voorlopige hechtenis met ingang van [datum] onder voorwaarden geschorst. De verdachte heeft zich tot op heden goed aan deze voorwaarden gehouden en een positieve ontwikkeling doorgemaakt, zoals door de Raad en de jeugdreclassering is toegelicht. Deze ontwikkeling zal worden doorbroken als hij weer terug naar jeugddetentie moet. De rechtbank is in dat licht bezien van oordeel dat het opleggen van een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie dan die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht geen pedagogische meerwaarde heeft en dat ook geen ander zwaarwegend belang is waardoor de verdachte opnieuw gedetineerd zou moeten raken. Hierbij neemt de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een jeugddetentie opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel beperkt is tot de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Verder zal de rechtbank een voorwaardelijk deel jeugddetentie aan de verdachte opleggen, met een proeftijd van één jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden om zich voor het einde daarvan opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De proeftijd wordt bepaald op één jaar (en niet de gebruikelijke twee jaar) gelet op de lange periode van schorsing en de daarbij gestelde strakke voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een forse onvoorwaardelijke werkstraf op zijn plaats is, om recht te doen aan de ernst van de feiten.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat – in lijn met de eis van de officier van justitie – aan de verdachte moet worden opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende jeugddetentie.
7 Vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] (feiten 3 en 4)
De vordering
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.720,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een (gestolen) zonnebril (€ 50,-), een nieuw rijbewijs (€ 50,-), daarvoor benodigde pasfoto’s (€ 20,-) en het gestolen geldbedrag (€ 1.500,-). De gestelde immateriële schade bestaat uit psychisch letsel
(€ 3.100,-).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het gestolen geldbedrag (€ 1.500,-) en de immateriële schade (€ 3.100,-) moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, waarbij hoofdelijke aansprakelijkheid wordt bepaald, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van alle materiële schadeposten en de immateriële schade primair verzocht de vordering af te wijzen en subsidiair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat causaal verband met de feiten ontbreekt en de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij meer subsidiair verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 50,-.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade bestaande uit het gestolen geldbedrag
(€ 1.500,-) rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. Deze is daarom voor toewijzing vatbaar.
Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op deze laatste grondslag. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.
Er is in deze zaak sprake van een diefstal met geweld en vrijheidsberoving van een aantal uren, waarbij de benadeelde partij ’s avonds laat, op een afgelegen donkere plek, is vastgepakt en met ducttape is vastgebonden. De verdachte en zijn medeverdachten hadden allen gezichtsbedekking op. Uit angst is de benadeelde partij in het water gesprongen.
Gelet op het voorgaande, brengen de aard en ernst van de normschending naar het oordeel van de rechtbank in dit geval met zich dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Bij het bepalen van de hoogte van de schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse Schaal is opgenomen voor persoonsaantastingen bij bedreigende situaties (in gevallen van diefstal en/of afpersing waarbij geweld wordt gebruikt jegens de benadeelde of daarmee wordt gedreigd).
De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie b (ernstig) met een bandbreedte tot € 3.000,-. Gelet op de ernst van het handelen van de verdachte en zijn mededaders en de (voor de hand liggende) gevolgen die dat voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank toewijzing van een bedrag van € 1.500,- billijk.
De vordering zal daarom tot een bedrag van € 3.000,- worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in die delen van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] (feiten 5 en 6)
De vordering
De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.927,99 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een (gestolen) iPhone 13 (€ 599,-) en aangeschafte beveiligingscamera’s (€ 328,99). De gestelde immateriële schade bestaat uit zowel lichamelijk als psychisch letsel (€ 5.000,-).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. Daarbij heeft zij gevorderd de hoofdelijke aansprakelijkheid te bepalen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, omdat de verdediging vrijspraak van deze feiten heeft bepleit. Subsidiair heeft hij de schadeposten betwist.
Ten aanzien van de iPhone 13 heeft hij gesteld dat, als wordt aangenomen dat tijdens het incident een telefoon is weggenomen, rekening moet worden gehouden met afschrijving en dat de dagwaarde moet worden vastgesteld op € 119,46. Ten aanzien van de aangeschafte beveiligingscamera’s heeft hij zich, onder verwijzing naar rechtspraak, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van rechtstreekse schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij gesteld dat geen geestelijk letsel kan worden vastgesteld en dat de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 500,-, gelet op het beperkte letsel van de benadeelde partij.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 5 en 6 bewezen verklaarde feiten en daarom voor toewijzing vatbaar is.
Ten aanzien van de aangeschafte beveiligingscamera’s overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt op grond van de aangifte en de toelichting op de vordering vast dat de benadeelde partij de beveiligingscamera’s heeft aangeschaft als gevolg van de onder 5 en 6 bewezen verklaarde feiten. Uit de aangifte blijkt dat de verdachte en zijn mededaders tijdens het plegen van de feiten het adres van de benadeelde partij hebben achterhaald en verschillende bedreigingen hebben geuit waardoor bij de benadeelde partij de reële angst is ontstaan dat zij hem thuis zouden komen opzoeken. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de aanschaf van de beveiligingscamera’s en de bewezen verklaarde feiten.
Bij het bepalen van de hoogte van de geleden schade houdt de rechtbank met betrekking tot de iPhone 13 rekening met afschrijving. Op grond van de onderbouwing van de vordering stelt de rechtbank vast dat de iPhone 13 op 6 november 2021 is aangeschaft voor € 1.056,- Volgens de afschrijvingslijst van de Consumentenbond wordt voor mobiele telefoons een afschrijving van 33% per jaar gehanteerd. De rechtbank stelt de dagwaarde gelet daarop vast op € 115,11. De materiële schade is daarom toewijsbaar tot een totaalbedrag van € 444,10 (iPhone 13 en beveiligingscamera’s).
Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering van de benadeelde partij en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.
Bij het bepalen van de hoogte van de schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal, categorie b (ernstig) met een bandbreedte tot € 3.000,-, als uitgangspunt. Gelet hierop en op de ernst van het handelen van de verdachte en zijn mededaders en de gevolgen die dat voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank toewijzing van een bedrag van € 1.500,- billijk.
De vordering zal daarom tot een bedrag van € 1.944,10 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in die delen van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 5 en 6 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] (feit 7)
De vordering
De benadeelde partij [de benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.861,63 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 7 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het gestolen geldbedrag (€ 100,-), kosten van het eigen risico van de zorgverzekering (€ 363,52), een mobiele telefoon (€ 368,-), een bril (€ 320,-), een bodywarmer (€ 74,90) en reiskosten (€ 35,21). De gestelde immateriële schade bestaat uit zowel lichamelijk als psychisch letsel (€ 1.600,-).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. Daarbij heeft zij gevorderd de hoofdelijke aansprakelijkheid te bepalen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, omdat de verdediging vrijspraak van dit feit heeft bepleit.
Subsidiair heeft de raadsman alle schadeposten, behalve de vordering ten aanzien van het eigen risico, betwist en gelet daarop verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen.
Ten aanzien van het geldbedrag heeft de raadsman gesteld dat op basis van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij dit geldbedrag daadwerkelijk bij zich had en is kwijtgeraakt als gevolg van het feit. Ten aanzien van de mobiele telefoon heeft hij gesteld dat geen aankoopbewijs is overgelegd, waardoor niet kan worden vastgesteld hoe lang de aangever de telefoon al in zijn bezit had en, rekening houdend met afschrijving, niet kan worden vastgesteld wat de dagwaarde van de telefoon was.
Ten aanzien van de bril heeft de raadsman gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat de bril als gevolg van het feit verloren is geraakt en daarmee onvoldoende causaal verband tussen de schade en het feit bestaat. Bovendien staan drie brillen op de overgelegde factuur en kan niet worden vastgesteld welke bril verloren zou zijn geraakt. Ten aanzien van de bodywarmer heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat de bodywarmer daadwerkelijk beschadigd is geraakt tijdens het feit en dat overigens een onderbouwing van het causale verband tussen de schade en het feit ontbreekt. Ten aanzien van de reiskosten heeft hij gesteld dat niet is gebleken dat de benadeelde partij gebruik heeft gemaakt van eigen vervoer en reiskosten heeft gemaakt, nu hij met de ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. Als laatst heeft de raadsman ten aanzien van de immateriële schade verzocht het bedrag te matigen tot € 500,-, gelet op de aard en ernst van het vastgestelde lichamelijk letsel en het ontbreken van een objectieve onderbouwing van psychisch letsel.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade bestaande uit het gestolen geldbedrag
(€ 100,-), de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering (€ 363,52) en een mobiele telefoon (€ 368,-) rechtstreeks voortvloeien uit het onder 7 bewezen verklaarde feit en voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de aangifte blijkt dat de aangever meteen heeft genoemd dat een bedrag van € 100,- was gestolen en ook medeverdachte [de medeverdachte 3] spreekt in zijn verklaring bij de politie op 6 februari 2025 over dit bedrag. De aangever heeft in zijn aangifte ook meteen het merk van zijn gestolen telefoon genoemd. Voornoemde schadeposten zijn daarom voor toewijzing vatbaar. Ook acht de rechtbank de vordering tot vergoeding van de bril toewijsbaar voor een bedrag van € 106,67 (te weten het totaalbedrag van de factuur van € 320,- gedeeld door de drie brillen op de factuur). Uit de aangifte blijkt dat de aangever ook meteen heeft genoemd dat zijn bril door de diefstal met geweld is kwijtgeraakt en dat hij later tevergeefs zijn bril heeft gezocht. De materiële schade is daarom toewijsbaar tot een totaalbedrag van € 938,19.
Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering van de benadeelde partij en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor.
De vordering zal daarom tot een bedrag van € 2.538,19 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd. Zo is niet onderbouwd dat bodywarmer is beschadigd doordat deze is weggegooid door de benadeelde partij. Verder is niet onderbouwd op welke reis (met reisdatum) de post reiskosten ziet. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de overige delen van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 7 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 312 Sr.
9 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 tot en met 7 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 180 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen jeugddetentie.
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, bestaande uit € 1.500,- als vergoeding voor de materiële en € 1.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.944,10 bestaande uit € 444,10 als vergoeding voor de materiële en € 1.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.944,10 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.538,19, bestaande uit € 938,19 als vergoeding voor de materiële en € 1.600,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.538,19, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. S. Ok en mr. J. Lintjer, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.C.W. Coesel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2026.
Bijlage 1
De tenlastelegging
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, ID-kaart, bankpassen en/of
autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 1] af te rennen en/of
- die [de benadeelde partij 1] meermaals (met kracht) te slaan en/of
- die [de benadeelde partij 1] meermaals (met kracht) te schoppen en/of
- met een knie op de schouder van die [de benadeelde partij 1] te drukken, terwijl die [de benadeelde partij 1] op de grond lag en/of
- aan die [de benadeelde partij 1] vuurwapen(s), althans op vuurwapen gelijkende voorwerpen, te tonen en op die [de benadeelde partij 1] te richten, en/of
- aan die [de benadeelde partij 1] mes(sen) te tonen en de punten van deze messen in zijn rug te drukken, en/of
- die [de benadeelde partij 1] met ducttape vast te binden;
Feit 2
hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [de benadeelde partij 1] te dwingen, onder bedreiging van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op een bankje te gaan zitten, en/of
- de handen van die [de benadeelde partij 1] met ducttape aan elkaar vast te binden, en/of
- bij die [de benadeelde partij 1] te blijven zitten zodat hij niet kon vertrekken, en/of
- die [de benadeelde partij 1] te dwingen plaats te nemen achterin zijn eigen auto en vervolgens te gaan rondrijden;
Feit 3
hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, een rijbewijs, een zonnebril en/of autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 2] af te rennen en/of
- met meerdere personen te wachten tot die [de benadeelde partij 2] het water uit kwam en/of
- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en/of
- tegen die [de benadeelde partij 2] te zeggen dat als hij zou meewerken er niets zou gebeuren en/of
- die [de benadeelde partij 2] met ducttape aan een bankje vast te binden, en/of
- aan die [de benadeelde partij 2] een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen;
Feit 4
hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of
beroofd gehouden, door
- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en naar een bankje te brengen, en/of
- die [de benadeelde partij 2] zijn handen met ducttape aan voornoemd bankje vast te maken, en/of
- die [de benadeelde partij 2] zijn enkels met ducttape aan elkaar vast te binden, en/of
- bij die [de benadeelde partij 2] te blijven zitten zodat hij niet kon weg kon gaan, en/of
- die [de benadeelde partij 2] plaats te laten nemen achterin zijn eigen auto en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [de benadeelde partij 2] te richten;
Feit 5
hij in of omstreeks de periode van 20 tot 21 juli 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, schoenen en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 3] af te rennen en/of
- die [de benadeelde partij 3] meermaals te slaan, en/of
- die [de benadeelde partij 3] meermaals te schoppen, en/of
- aan die [de benadeelde partij 3] te hangen en hem naar de grond te werken, en/of
- ducttape op de mond van die [de benadeelde partij 3] te plakken, en/of
- de handen van die [de benadeelde partij 3] met ducttape achter zijn rug vast te binden;
Feit 6
hij in of omstreeks de periode van 20 tot 21 juli 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [de benadeelde partij 3] zijn handen met ducttape achter zijn rug vast te binden en/of
- die [de benadeelde partij 3] zijn schoenen uit te trekken en/of
- die [de benadeelde partij 3] vast te pakken en naar een bankje te brengen, en/of
- bij die [de benadeelde partij 3] te blijven zitten en/of staan zodat hij niet kon weg kon gaan;
Feit 7
hij op of omstreeks 16 maart 2024 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Samsung telefoon en/of een geldbedrag van 100,-, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [de benadeelde partij 4] meermaals te slaan, en/of
- die [de benadeelde partij 4] meermaals te schoppen, en/of
- plakband op de mond van die [de benadeelde partij 4] te plakken, en/of
- die [de benadeelde partij 4] vast te pakken bij zijn armen en benen, en/of
- die [de benadeelde partij 4] vervolgens naar een andere plek (proberen) te slepen.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen
(…)