ECLI:NL:RBNHO:2026:13972

Datum uitspraak
12-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
15/005539-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Medeplegen van drie diefstallen met geweld, waarvan twee feiten gepaard gingen met wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd in het kader van zogenoemd ‘pedohunting’. Overschrijding redelijke termijn. Oplegging van een jeugddetentie van 168 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en een (onvoorwaardelijke) werkstraf van 140 uren. Vorderingen benadeelde partijen deels (hoofdelijk) toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/005539-25

Uitspraakdatum: 12 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen met gesloten deuren van 23 en 28 september 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[de OvJ] .

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door:

  • de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.A. Docter, advocaat te Alkmaar;

  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

  • [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering 1] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering 2] , namens De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering).

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich – samengevat – schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1

medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [de benadeelde partij 1] in de periode van

27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;

Feit 2

medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [de benadeelde partij 1] in de periode van

27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;

Feit 3

medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld van [de benadeelde partij 2] in de periode van

27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;

Feit 4

medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [de benadeelde partij 2] in de periode van

27 tot 28 oktober 2024 in Andijk;

Feit 5

medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld [de benadeelde partij 3] op 16 maart 2024 in Bovenkarspel.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft zij gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van de gedachtestreepjes die zien op het gebruik van (een) vuurwapen(s) en mes(sen). Verder heeft zij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van het schoppen van aangever [de benadeelde partij 1] .

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken van het onder 5 ten laste gelegde feit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op het gronddelict, te weten de diefstal met geweld, niet kan worden bewezen, omdat de verdachte geen wetenschap had van de diefstal van de goederen en met een andere intentie naar de afgesproken plek is gekomen. Het ging de verdachte niet om het wegnemen van goederen/geld, maar om het confronteren van aangever [de benadeelde partij 3] met het feit dat hij met een minderjarig meisje wilde afspreken.

Daarnaast heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten bepleit voor wat betreft het gebruik van (een) vuurwapen(s) en mes(sen) en ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit ook voor wat betreft het schoppen van aangever [de benadeelde partij 1] .

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Partiële vrijspraak feiten 1 tot en met 4

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 tot en met 4 opgenomen gedachtestreepjes die zien op het gebruik en tonen van (een) vuurwapen(s) en (een) mes(sen), niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Hiervoor is redengevend dat aangevers [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] weliswaar hebben verklaard dat bij de tenlastegelegde feiten (een) vuurwapen(s) danwel (een) mes(sen) is/zijn getoond danwel is/zijn gebruikt, maar dit verder geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde schoppen van aangever [de benadeelde partij 1] overweegt de rechtbank dat aangever [de benadeelde partij 1] in zijn aangifte heeft verklaard dat de daders met hun knie op zijn schouder drukten, maar hij heeft niets verklaard over schoppen. Ook overigens bevat dit dossier hiervoor geen bewijs. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte eveneens worden vrijgesproken.

3.3.2

De bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 5

Aan de verdachte wordt verweten dat hij als medepleger (namelijk “tezamen en in vereniging”) betrokkenheid bij de onder 5 ten laste gelegde diefstal met geweld heeft gehad.

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen ter verwezenlijking van het grondfeit, in dit geval diefstal met geweld. Dit is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Voor medeplegen is verder vereist dat bij de verdachte sprake is geweest van dubbel opzet. Bewezen moet kunnen worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de onderlinge samenwerking enerzijds en de verwezenlijking van het grondfeit anderzijds. Voor opzet is minimaal voorwaardelijk opzet vereist.

Medeplegen diefstal met geweld

De rechtbank stelt op grond van de aangifte vast dat de aangever op 16 maart 2024 nabij het [plaats] in Bovenkarspel door meerdere jongens met geweld beroofd is van zijn telefoon en een geldbedrag, waarbij deze jongens tijdens de mishandeling zeiden: “Trek zijn bodywarmer maar uit.” De verdachte heeft verklaard dat hij bij dit tenlastegelegde feit aanwezig was en ook zelf geweld heeft gebruikt tegen de aangever. De verdachte heeft verder gezien dat door een van de medeverdachten, waarschijnlijk [de medeverdachte] , in de zakken van de aangever werd gevoeld. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij meermaals over “dit soort evenementen”- die al hadden plaatsgevonden – had gehoord, het hemzelf niet ging om geld en spullen, maar dat hij wel had gehoord dat het over geld ging en dat hij vooraf wist dat [de medeverdachte] degene was die zich bezig hield met het financiële gedeelte.

Naar het oordeel van de rechtbank valt uit deze vastgestelde feiten, in onderling samenhang bezien, naar de uiterlijke verschijningsvorm voldoende af te leiden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de ten laste gelegde diefstal van de telefoon en het geldbedrag. De verdachte was ter plaatse en maakte onderdeel uit van de groep die op dat moment geweld pleegde tegen het slachtoffer. Met zijn aanwezigheid aldaar en zijn bijdrage aan het geweld, wetende dat een van de medeverdachten ( [de medeverdachte] ) een financiële rol vervulde bij het plegen van “dit soort evenementen” en dat het dus (ook) ging om financieel gewin/geld, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer ook beroofd zou worden, wat uiteindelijk is gebeurd. Dat de verdachte zelf niet de intentie zou hebben gehad om het slachtoffer te beroven, maakt – wat daar ook van zij – in dit geval dan ook niet dat hij er niet van uit mocht gaan dat dat wel zou gebeuren. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, ID-kaart, bankpassen en autosleutel, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 1] af te rennen en

- die [de benadeelde partij 1] (met kracht) te slaan en

- met een knie op de schouder van die [de benadeelde partij 1] te drukken, terwijl die [de benadeelde partij 1] op de grond lag en

- die [de benadeelde partij 1] met ducttape vast te binden;

Feit 2

hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- die [de benadeelde partij 1] te dwingen op een bankje te gaan zitten, en

- de handen van die [de benadeelde partij 1] met ducttape aan elkaar vast te binden, en

- bij die [de benadeelde partij 1] te blijven zitten zodat hij niet kon vertrekken, en

- die [de benadeelde partij 1] te dwingen plaats te nemen achterin zijn eigen auto en vervolgens te gaan rondrijden;

Feit 3

hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, een rijbewijs, een zonnebril en autosleutel, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 2] af te rennen en

- met meerdere personen te wachten tot die [de benadeelde partij 2] het water uit kwam en

- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en

- tegen die [de benadeelde partij 2] te zeggen dat als hij zou meewerken er niets zou gebeuren en

- die [de benadeelde partij 2] met ducttape aan een bankje vast te binden.

Feit 4

hij in de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [de benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en

beroofd gehouden, door

- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en naar een bankje te brengen, en

- die [de benadeelde partij 2] zijn handen met ducttape aan voornoemd bankje vast te maken, en

- die [de benadeelde partij 2] zijn enkels met ducttape aan elkaar vast te binden, en

- bij die [de benadeelde partij 2] te blijven zitten zodat hij niet kon weg kon gaan, en

- die [de benadeelde partij 2] plaats te laten nemen achterin zijn eigen auto.

Feit 5

hij op 16 maart 2024 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, tezamen en in vereniging met anderen, een Samsung telefoon en een geldbedrag van € 100,-, die aan [de benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [de benadeelde partij 3] meermaals te slaan, en

- die [de benadeelde partij 3] meermaals te schoppen, en

- plakband op de mond van die [de benadeelde partij 3] te plakken, en

- die [de benadeelde partij 3] vast te pakken bij zijn armen en benen, en

- die [de benadeelde partij 3] vervolgens naar een andere plek (proberen) te slepen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd

houden;

Feiten 3 en 4, de eendaadse samenloop van:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd

houden;

Feit 5

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 168 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 140 uren wordt opgelegd.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht een werkstraf (van bijvoorbeeld 120 uren) aan de verdachte op te leggen, eventueel aangevuld met een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van één jaar. Zij heeft gewezen op het advies van de Raad, het blanco strafblad van de verdachte, het feit dat de verdachte spijt heeft getoond (onder andere door excuusbrieven aan de slachtoffers te sturen) en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting die geldt in jeugdstrafrechtzaken. Verder heeft zij er op gewezen dat de verdachte een ondersteunende rol en dus geen leidende rol heeft gehad.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het plegen van diefstallen met (bedreiging met) geweld en wederrechtelijke vrijheidsberovingen, gepleegd in het kader van zogenoemd ‘pedohunting’. Zij maakten via een sekssite contact met twee slachtoffers waarbij de verdachten zich voordeden als een jonge vrouw en in die hoedanigheid de slachtoffers ’s avonds laat naar een afgelegen plek lokten. Daar werden de slachtoffers opgewacht door een groep jongens met gezichtsbedekking door wie zij onder andere werden geslagen, geschopt en/of met ducttape werden vastgebonden. De slachtoffers zijn beroofd van hun persoonlijke eigendommen en met (bedreiging van) geweld gedwongen om op de afgesproken plek te blijven, terwijl de verdachten probeerden persoonlijke gegevens en/of geld afhandig te maken. Daarnaast is een derde slachtoffer als gevolg van een vergissing slachtoffer van diefstal met (bedreiging met) geweld geworden, gepleegd door de verdachte samen met anderen. Dit slachtoffer was per toeval op de afgesproken plek en de verdachten dachten dat hij degene was met wie zij een afspraak hadden gemaakt.

Het spreekt voor zich dat dit een bijzonder angstige ervaring moet zijn geweest voor de slachtoffers. Dit blijkt ook uit de in de verzoeken tot schadevergoeding beschreven impact en gevolgen voor de slachtoffers, zowel lichamelijk als mentaal. Een van de slachtoffers was zo bang op het moment dat de verdachten met gezichtsbedekking op hem af kwamen, dat hij uit angst in het water is gesprongen. Een ander slachtoffer heeft uit angst in zijn broek geplast. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. Daarnaast heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen. De verdachte heeft zich niet bekommerd over het welzijn van de slachtoffers en eventuele omstanders en heeft (kennelijk) zijn drang naar geldelijk gewin en behoefte om “erbij te horen”, laten prevaleren. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat de verdachte weliswaar geen leidende rol bij de feiten heeft gehad, maar dat hij wel onderdeel van de groep was bij de feitelijke uitvoering daarvan. De verdachte was telkens ter plaatse (met gezichtsbedekking op) en hij heeft zelf ook geweld gebruikt.

De rechtbank merkt tot slot nog op dat voor zover de verdachte handelde uit een moreel oordeel over het gedrag van de slachtoffers, duidelijk moet zijn dat dit geen enkele rechtvaardiging is voor wat hij heeft gedaan. In een rechtsstaat is het aan de politie onder leiding van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten op te sporen en ligt de beoordeling hiervan in handen van de onafhankelijke rechter. Alleen op die manier kunnen burgers worden beschermd tegen willekeur en wordt voor een ieder het recht op een eerlijk proces en beoordeling van hun zaak door de onafhankelijke rechter gewaarborgd. Eigenrichting ondermijnt onze rechtsstaat en levert een ernstig gevaar op voor de veiligheid in onze maatschappij.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van

26 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 9 september 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad, en wat namens de Raad ter aanvulling daarop ter terechtzitting van 23 september 2026 naar voren is gebracht;

- wat namens de jeugdreclassering ter terechtzitting van 23 september 2026 naar voren is gebracht.

De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf. De Raad schat de kans op herhaling in als (heel) laag, omdat er geen zorgen meer zijn over de verdachte: de verdachte werkt fulltime, sport veel, heeft een positief toekomstperspectief, heeft betrokken ouders en een goede opvoedsituatie. Daarnaast vindt de Raad de houding van de verdachte ten opzichte van de ten laste gelegde feiten positief. Hij toont spijt en neemt verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld door excuusbrieven aan de slachtoffers te schrijven. Verder heeft de verdachte in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op positieve wijze een traject bij [jeugdhulpinstantie] doorlopen, waarin aandacht is geweest voor zorgen die er destijds waren, te weten met betrekking tot het vergroten van vaardigheden en het aangaan en onderhouden van prosociale contacten. Er zijn geen zorgen over zijn huidige vrienden. De Raad acht een voorwaardelijke jeugddetentie wel geïndiceerd, zodat er een externe prikkel blijft bestaan om andere keuzes te blijven maken en niet opnieuw voor eigen rechter te gaan spelen. Daarbij volstaat een proeftijd voor de duur van één jaar.

De jeugdreclassering heeft zich ter terechtzitting van 23 september 2026 bij het advies van de Raad aangesloten.

De redelijke termijn

De rechtbank neemt bij de straftoemeting verder in aanmerking dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. In artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt in deze zaak, waarin het jeugdstrafrecht is toegepast, geldt dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De redelijke termijn in deze zaak is gestart op [datum] , te weten de dag van inverzekeringstelling van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat van voornoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Het eindvonnis wordt op 12 oktober 2026 gewezen. De rechtbank stelt de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op ruim vier maanden. De rechtbank ziet aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren door vermindering van de straf.

De op te leggen straffen

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie kan volstaan. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om hiervan af te wijken gelet op het volgende.

De verdachte heeft in totaal 18 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarna is zijn voorlopige hechtenis met ingang van [datum] onder voorwaarden geschorst. De verdachte heeft zich tot op heden goed aan deze voorwaarden gehouden en een positieve ontwikkeling doorgemaakt, die zal worden doorbroken als hij weer terug naar jeugddetentie moet. De rechtbank is in dat licht bezien van oordeel dat het opleggen van een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie dan die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht geen pedagogische meerwaarde heeft en dat er ook geen ander zwaarwegend belang is waardoor de verdachte opnieuw gedetineerd zou moeten raken. Ook neemt de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een jeugddetentie opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel beperkt is tot de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Verder zal de rechtbank de jeugddetentie voorwaardelijk aan de verdachte opleggen, met een proeftijd van één jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden om zich voor het einde daarvan opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De proeftijd wordt bepaald op één jaar (en niet de gebruikelijke twee jaar) gelet op de lange periode van schorsing en de daarbij gestelde strakke voorwaarden.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een forse onvoorwaardelijke werkstraf op zijn plaats is, om recht te doen aan de ernst van de feiten.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat – in lijn met de eis van de officier van justitie – aan de verdachte moet worden opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 168 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende jeugddetentie.

7 Vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] (feiten 3 en 4)

De vordering

De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.720,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit een (gestolen) zonnebril (€ 50,-), een nieuw rijbewijs (€ 50,-), daarvoor benodigde pasfoto’s (€ 20,-) en het gestolen geldbedrag (€ 1.500,-). De gestelde immateriële schade bestaat uit psychisch letsel

(€ 3.100,-).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het gestolen geldbedrag (€ 1.500,-) en de immateriële schade (€ 3.100,-) moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, waarbij hoofdelijke aansprakelijkheid wordt bepaald, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de zonnebril en het rijbewijs moet worden afgewezen wegens het ontbreken van onderbouwing van de schade. Verder heeft zij zich met betrekking tot de materiële schadeposten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw primair verzocht de vordering af te wijzen, subsidiair de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren en meer subsidiair de schade te begroten op € 500,-

Verder heeft de raadsvrouw verzocht geen hoofdelijke aansprakelijkheid te bepalen, omdat het onwenselijk is als de verdachte contact met de medeverdachten moet hebben met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade bestaande uit het gestolen geldbedrag

(€ 1.500,-) rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. Deze is daarom voor toewijzing vatbaar.

Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op deze laatste grondslag. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.

Er is in deze zaak sprake van een diefstal met geweld en vrijheidsberoving van een aantal uur, waarbij de benadeelde partij ’s avonds laat, op een afgelegen donkere plek, is vastgepakt en met ducttape is vastgebonden. De verdachte en zijn medeverdachten hadden allen gezichtsbedekking op. Uit angst is de benadeelde partij in het water gesprongen.

Gelet op het voorgaande, brengen de aard en ernst van de normschending naar het oordeel van de rechtbank in dit geval met zich mee dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Bij het bepalen van de hoogte van de schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse Schaal is opgenomen voor persoonsaantastingen bij bedreigende situaties (in gevallen van diefstal en/of afpersing waarbij geweld wordt gebruikt jegens de benadeelde of daarmee wordt gedreigd). De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie b (ernstig) met een bandbreedte tot € 3.000,-. Gelet op de ernst van het handelen van de verdachte en zijn mededaders en de gevolgen die dat voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank toewijzing van een bedrag van € 1.500,- billijk. De vordering zal daarom tot een bedrag van € 3.000,- worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

28 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in die delen van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de bewezen verklaarde feiten en daarom jegens de benadeelde partij voor de gehele schade aansprakelijk is. Op grond van artikel 6:102, eerste lid, BW in samenhang gelezen met artikel 6:166 BW zijn de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk verbonden tot vergoeding van de geleden schade. Wat door de verdediging is aangevoerd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het regelen van de onderlinge draagplicht van de daders kan via (professionele) derden, daarvoor is persoonlijk contact niet nodig. Gelet daarop, zal de rechtbank bepalen dat het toegewezen deel van de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk wordt opgelegd en bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

7.2.

Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] (feit 5)

De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.861,63 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het gestolen geldbedrag (€ 100,-), kosten van het eigen risico van de zorgverzekering (€ 363,52), een mobiele telefoon (€ 368,-), en bril (€ 320,-), een bodywarmer (€ 74,90) en reiskosten (€ 35,21). De gestelde immateriële schade bestaat uit zowel lichamelijk als psychisch letsel (€ 1.600,-).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum. Daarbij heeft zij gevorderd de hoofdelijke aansprakelijkheid te bepalen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van de bodywarmer verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 39,90. Voor het overige heeft zij de vordering niet betwist. De raadsvrouw heeft verzocht geen hoofdelijke aansprakelijkheid te bepalen, omdat het onwenselijk is als de verdachte contact met de medeverdachten moet hebben met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade bestaande uit het gestolen geldbedrag

(€ 100,-), de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering (€ 363,52) en een mobiele telefoon (€ 368,-) rechtstreeks voortvloeien uit het onder 5 bewezen verklaarde feit en voldoende zijn onderbouwd. Deze schadeposten zijn daarom voor toewijzing vatbaar. Ook acht de rechtbank de vordering tot vergoeding van de bril toewijsbaar voor een bedrag van

€ 106,67 (te weten het totaalbedrag van de factuur van € 320,- gedeeld door de drie brillen op de factuur). De materiële schade is daarom toewijsbaar tot een totaalbedrag van € 938,19.

Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, waardoor een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering van de benadeelde partij en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade van € 1.600,- billijk voor.

De vordering zal daarom tot een bedrag van € 2.538,19 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid verwijst de rechtbank naar de overweging die in dit vonnis is opgenomen bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] onder 7.1.. Gelet daarop, bepaalt de rechtbank dat indien een (van de) medeverdachte(n) het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd. Zo is niet onderbouwd dat bodywarmer is beschadigd doordat deze is weggegooid door de benadeelde partij. Verder is niet onderbouwd op welke reis (met reisdatum) de post reiskosten ziet. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de overige delen van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 5 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 tot en met 5 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 168 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 150 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 140 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 70 dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, bestaande uit € 1.500,- als vergoeding voor de materiële en € 1.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.538,19, bestaande uit € 938,19 als vergoeding voor de materiële en € 1.600,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.538,19, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Mireku, voorzitter,

mr. S. Ok en mr. J. Lintjer, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.C.W. Coesel,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2026.

Bijlage 1

De tenlastelegging

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, ID-kaart, bankpassen en/of

autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 1] af te rennen en/of

- die [de benadeelde partij 1] meermaals (met kracht) te slaan en/of

- die [de benadeelde partij 1] meermaals (met kracht) te schoppen en/of

- met een knie op de schouder van die [de benadeelde partij 1] te drukken, terwijl die [de benadeelde partij 1] op de grond lag en/of

- aan die [de benadeelde partij 1] vuurwapen(s), althans op vuurwapen gelijkende voorwerpen, te tonen en op die [de benadeelde partij 1] te richten, en/of

- aan die [de benadeelde partij 1] mes(sen) te tonen en de punten van deze messen in zijn rug te drukken, en/of

- die [de benadeelde partij 1] met ducttape vast te binden;

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [de benadeelde partij 1] te dwingen, onder bedreiging van een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op een bankje te gaan zitten, en/of

- de handen van die [de benadeelde partij 1] met ducttape aan elkaar vast te binden, en/of

- bij die [de benadeelde partij 1] te blijven zitten zodat hij niet kon vertrekken, en/of

- die [de benadeelde partij 1] te dwingen plaats te nemen achterin zijn eigen auto en vervolgens te gaan rondrijden;

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, een telefoon, een portemonnee, een rijbewijs, een zonnebril en/of autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl

deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met gezichtsbedekking op die [de benadeelde partij 2] af te rennen en/of

- met meerdere personen te wachten tot die [de benadeelde partij 2] het water uit kwam en/of

- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en/of

- tegen die [de benadeelde partij 2] te zeggen dat als hij zou meewerken er niets zou gebeuren en/of

- die [de benadeelde partij 2] met ducttape aan een bankje vast te binden, en/of

- aan die [de benadeelde partij 2] een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen;

Feit 4

hij in of omstreeks de periode van 27 tot 28 oktober 2024 te Andijk, gemeente Medemblik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of

beroofd gehouden, door

- die [de benadeelde partij 2] vast te pakken en naar een bankje te brengen, en/of

- die [de benadeelde partij 2] zijn handen met ducttape aan voornoemd bankje vast te maken, en/of

- die [de benadeelde partij 2] zijn enkels met ducttape aan elkaar vast te binden, en/of

- bij die [de benadeelde partij 2] te blijven zitten zodat hij niet kon weg kon gaan, en/of

- die [de benadeelde partij 2] plaats te laten nemen achterin zijn eigen auto en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [de benadeelde partij 2] te richten;

Feit 5

hij op of omstreeks 16 maart 2024 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Samsung telefoon en/of een geldbedrag van 100,-, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [de benadeelde partij 3] meermaals te slaan, en/of

- die [de benadeelde partij 3] meermaals te schoppen, en/of

- plakband op de mond van die [de benadeelde partij 3] te plakken, en/of

- die [de benadeelde partij 3] vast te pakken bij zijn armen en benen, en/of

- die [de benadeelde partij 3] vervolgens naar een andere plek (proberen) te slepen.

Bijlage 2

De bewijsmiddelen

(…)

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »