ECLI:NL:RBNHO:2026:13961

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
HAA 25/3536
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het beroep van eiseres 2 is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat er geen strijd is met het Parapluplan wonen en dat het college de toepassing van artikel 3.2.4 van het Parapluplan parkeerregels - partiële herziening en de afwijking van het bestemmingsplan deugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep van de andere eisers is dus ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/3536

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen

1 [eiser] , uit [plaats 1] ,

2) [B.V. 1] ., uit [plaats 2] ,

3) [eiser(es) 1] , handelend onder de naam [naam bedrijf 1], uit [plaats 1] ,

4) [eiser(es) 2] en [eiser(es) 3] , handelend onder de naam [naam bedrijf 2], uit [plaats 1] ,

eisers

(gemachtigde: R.P. Bosman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

(gemachtigde: mr. T. Janssens).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [B.V. 2] ., uit Heemstede, vergunninghouder

(gemachtigden: L. Buur en G. Molenkamp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het bouwproject ‘De nieuwe Kom, kavel M, Marktgebouw’ bestaande uit een bibliotheek, horeca en 47 appartementen op het perceel achter de [adres] te [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres 2 niet-ontvankelijk is, omdat niet binnen de daartoe gestelde termijn is aangetoond dat op bevoegde wijze namens haar beroep is ingesteld. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat er geen strijd is met artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Parapluplan wonen en dat de toepassing van artikel 3.2.4 van het Parapluplan parkeerregels - partiële herziening en de afwijking van het bestemmingsplan Nieuw-Vennep Centrum 2010 deugdelijk zijn gemotiveerd. Het beroep van de andere eisers is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 24 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwproject. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft namens het college de omgevingsvergunning met het besluit van 11 december 2024 verleend. Met het bestreden besluit van 2 juli 2025, ondertekend op 3 juli 2025, op het bezwaar van eisers heeft het college het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften voor het onderdeel ‘parkeren’ niet overgenomen en voor het overige wel overgenomen en het besluit van 11 december 2024, onder verbetering van de motivering, in stand gelaten.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben daarna een nader stuk ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [eiser] , de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 1] , door [naam 2] en door [naam 3] , en de gemachtigden van vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit en de vaststaande feiten

3. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning gekregen om een bibliotheek, horeca en 47 appartementen te realiseren op het perceel achter de [adres] te [plaats 1] . Dit perceel valt onder het bestemmingsplan Nieuw-Vennep Centrum 2010, het Parapluplan wonen en het Parapluplan parkeerregels - partiële herziening. Deze plannen maken deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer. Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming Centrum-1. De gronden met deze bestemming zijn onder andere bestemd voor educatieve, sociale en culturele voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, horeca tot en met categorie 3 en wonen vanaf de eerste verdieping. Voor deze bestemming geldt ter plaatse van de woontoren een maximale bouwhoogte van 27 meter en voor het overige een maximale bouwhoogte van 15 meter.

3.1.

Met het bestreden besluit heeft het college, mede onder verwijzing naar het advies van de commissie, de verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gehandhaafd. Het bouwproject is getoetst aan het beeldkwaliteitsplan en voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwproject is niet in strijd met artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Parapluplan wonen, omdat de woningen bestemd zijn voor bewoning door één huishouden. Het bouwproject is wel in strijd met artikel 6.2.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan, omdat de maximale basisbouwhoogte van 15 meter en de maximale bouwhoogte van de woontoren van 27 meter worden overschreden. Omdat het bouwproject voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, kan volgens het college worden meegewerkt aan de afwijking van het bestemmingplan. Het bouwproject is ook in strijd met het Parapluplan parkeerregels, omdat er onvoldoende ruimte is om op eigen terrein te parkeren. Uit de berekening van de parkeerbehoefte volgens het Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 (herziening 2025) blijkt dat voor de bewoners van de woningen de parkeerbehoefte 41 parkeerplaatsen is en voor bezoekers van de woningen, horeca en bibliotheek de maximale parkeerbehoefte 14 parkeerplaatsen is. Het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein is vanwege financiële en ruimtelijke redenen niet mogelijk. De parkeeroplossing voor de eigenaren en de huurders van de woningen is gevonden in de bestaande parkeergarage van Ymere. Daar is nog parkeercapaciteit aanwezig en vergunninghouder koopt daar 50 parkeerplaatsen. Aan de koop of huur van een woning is de verplichting verbonden een parkeerplaats te kopen (bij koopwoningen) of te huren (bij huurwoningen) in deze parkeergarage. De koppeling tussen woning en parkeerplaats is juridisch gewaarborgd met een kettingbeding. De benodigde parkeerplaatsen voor bezoekers van de woningen, horeca en bibliotheek zijn beschikbaar in de openbare ruimte. Het aan de omgevingsvergunning toegevoegde vergunningvoorschrift horeca bepaalt dat in de horecavoorziening van het project de vestiging is toegestaan van horeca van maximaal categorie 3 van de Staat van horeca-activiteiten.

3.2.

Eisers zijn eigenaar van of gevestigd op percelen in de nabije omgeving van het bouwproject.

Beroep van [naam 4] ingetrokken

4. De gemachtigde van eisers heeft ook namens [naam 4] beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij het bestreden besluit is [naam 4] niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de niet-ontvankelijkverklaring zijn geen gronden aangevoerd en de gemachtigde heeft ter zitting aangegeven deze niet te bestrijden. De rechtbank acht het beroep van [naam 4] daarmee ter zitting ingetrokken.

Is eiseres 2 ontvankelijk in haar beroep?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres 2 niet-ontvankelijk is op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van dit artikel kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Artikel 6:5 van de Awb vereist onder andere dat het beroepschrift wordt ondertekend. Ondertekening dient als bewijs dat het beroepschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf ondertekend maar alleen door degene die stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is dit bewijs daarmee niet geleverd als bij het beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. De bestuursrechter kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb een machtiging verlangen van een gemachtigde. In dit geval is bij het beroepschrift weliswaar een machtiging van eiseres 2 gevoegd, maar daaruit blijkt niet dat degene die deze machtiging heeft ondertekend, bevoegd is om haar te vertegenwoordigen. De rechtbank heeft aan de gemachtigde op 25 september 2025 een termijn van vier weken gesteld om een uittreksel uit het handelsregister toe te sturen waaruit blijkt wie als bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen. Daarbij is vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als deze gegevens niet binnen de termijn worden toegestuurd. Bij brief van 23 oktober 2025 heeft de gemachtigde een uittreksel uit het handelsregister betreffende een andere vennootschap toegestuurd, waaruit niet blijkt dat de machtiging door een daartoe bevoegd bestuurder van eiseres 2 is ondertekend. Daarmee is het verzuim niet hersteld.

Toezending advies bezwaarschriftencommissie

6. Eisers hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat het college het advies van de bezwaarschriftencommissie, ondanks herhaalde verzoeken, niet aan hen heeft toegezonden. Bij de doorzending door de rechtbank aan eisers van de door het college overgelegde op de zaak betrekking hebbende stukken, hebben eisers het advies alsnog ontvangen. Ter zitting hebben eisers bevestigd dat de verzending van het advies daarmee geen geschilpunt meer is.

Is het bestreden besluit in strijd met artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Parapluplan wonen?

7. Artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Parapluplan wonen luidt: ‘Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen: het gebruik van de woning voor de huisvesting van meer dan één huishouden.’

7.1.

Eisers voeren aan dat uit de indeling en oppervlakten (86 m2 en 107 m2) van de twee woningen op de vierde verdieping valt te herleiden dat het aannemelijk is dat de woningen door twee huishoudens gebruikt kunnen worden. Dit wordt ook bevestigd door de manier waarop de woningen te koop worden aangeboden. In de verkooptekst van het project ‘Marktgebouw’ wordt gesproken over de mogelijkheid om in deze woningen met twee huishoudens samen te wonen in één woning met ieder een eigen slaap- en badkamer, een gedeelde woonkamer, twee buitenruimtes en een berging. Dit is in strijd met artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Parapluplan wonen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt namelijk dat niet alleen moet worden gekeken of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht.1

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Parapluplan wonen. De tekst van de advertentie waar eisers naar verwijzen is inmiddels aangepast. Vergunninghouder heeft ook uitdrukkelijk aangegeven dat het de bedoeling is dat alle woningen door één huishouden zullen worden bewoond. Deze bedoeling blijkt ook uit het feit dat de woning feitelijk is ingericht als één woning met twee slaapkamers en twee badkamers. Bouwkundig beschikken de appartementen over één voordeur, één gemeenschappelijke woonkamer, één gemeenschappelijke keuken en één gemeenschappelijke berging. De woning krijgt één huisnummer en heeft één aansluiting voor de nutsvoorzieningen. De kopers sluiten één koopovereenkomst en moeten fiscaal partners zijn. Als één van de woningen wordt bewoond door meer dan één huishouden, is dit in strijd met artikel 3.3, aanhef en onder a, van het Parapluplan wonen en zal het college in beginsel handhavend moeten optreden, aangezien de omgevingsvergunning niet strekt tot afwijking van deze bepaling. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft het college de toepassing van artikel 3.2.4 van het Parapluplan parkeerregels deugdelijk gemotiveerd?

8. Artikel 3.2.1 van het Parapluplan parkeerregels luidt: ‘Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een wijziging van het gebruik van gronden of bouwwerken geldt, dat op eigen terrein in voldoende mate ruimte moet zijn gereserveerd en ingericht en in stand worden gehouden voor het parkeren, stallen, laden en/of lossen van voertuigen overeenkomstig het geldende parkeerbeleid van Haarlemmermeer.’

Artikel 3.2.4, aanhef en onder a, van het Parapluplan parkeerregels luidt: ‘Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1: voor wat betreft het parkeren op eigen terrein: indien op andere wijze in voldoende mate ruimte wordt gereserveerd, ingericht en in stand wordt gehouden voor het parkeren, stallen, laden en/of lossen van voertuigen, overeenkomstig het geldende parkeerbeleid van Haarlemmermeer.’

Parkeerruimte niet te allen tijde beschikbaar?

8.1.

Eisers voeren aan dat het niet duidelijk is of de parkeerplaatsen in de parkeergarage te allen tijde beschikbaar en ingericht blijven voor het bouwproject. Volgens eisers zouden de parkeerplaatsen ook door andere gebruikers gebruikt kunnen worden en is de parkeergarage meer dan vol door meerdere projecten die gebruik maken van de parkeergarage. Op 2 september 2008 is een vrijstelling van de toen geldende bestemmingsplannen verleend voor een bouwproject van 68 woningen, bedrijfsruimten en een ontmoetingscentrum. De parkeerbehoefte hiervan zou moeten zijn voorzien in de parkeergarage en dient voor dit doel beschikbaar te blijven. Daarnaast is op 21 april 2017 een omgevingsvergunning verleend voor 104 woningen. Voor deze woningen wordt ook in de parkeerbehoefte voorzien in de parkeergarage. Dat de bewoners van deze woningen nu in de openbare ruimte parkeren waardoor de garage leegstaat, is een situatie waartegen het college handhavend had moeten optreden. Door de eerder verleende vrijstelling en omgevingsvergunning is er dus feitelijk geen capaciteit in de parkeergarage. Daarnaast is het volgens eisers niet duidelijk waarom het college geen nadere eisen heeft gesteld aan de ruimte en inrichting voor het parkeren. Dit had het college in het bestreden besluit moeten motiveren.

8.2.

De rechtbank kan de motivering van het college op dit punt volgen. Het betreft een niet-openbare parkeergarage. Het project uit 2008 heeft een parkeerbehoefte van 138 parkeerplaatsen en in de onderbouwing van de vrijstelling voor dat project is opgenomen dat in deze behoefte wordt voorzien door de parkeergarage. Daarnaast zijn in 2017 104 woningen vergund waarvan de bewoners ook in de parkeergarage mogen parkeren. In de onderbouwing van de omgevingsvergunning voor dit project staat dat de parkeerbehoefte 138 parkeerplaatsen bedraagt, maar is niet vermeld waar in deze parkeerbehoefte wordt voorzien. Het college heeft later met een telling vastgesteld dat de parkeergarage grotendeels leegstaat, omdat de bewoners op straat parkeren. In de omgeving van de parkeergarage kan namelijk sinds 2016/2017 gratis op straat worden geparkeerd. Voor zover eisers stellen dat het college daartegen handhavend zou moeten optreden, geldt dat dit geen optie is, omdat in de vrijstelling van 2008 en de omgevingsvergunning van 2017 het parkeren in de parkeergarage niet als verplichting is opgelegd. In de parkeergarage zijn dus voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om in de parkeerbehoefte van het onderhavige bouwproject te voorzien. Het college heeft daarom met de omgevingsvergunning van 26 oktober 2023 45 parkeerplaatsen, die voor het project uit 2008 waren gereserveerd, voor het onderhavige bouwproject gereserveerd. Er zijn daardoor nog 138 parkeerplaatsen beschikbaar voor de andere twee projecten. Aan de koop dan wel huur van een van de woningen in het onderhavige bouwproject is de verplichting verbonden om ook een parkeerplaats in de parkeergarage te kopen of te huren. Door deze verplichting is gegarandeerd dat de eigenaar/huurder de exclusieve beschikking heeft over een eigen parkeerplaats. De koppeling tussen woning en parkeerplaats is bij doorverkoop van de woning gewaarborgd in een kettingbeding dat in de koopovereenkomst is opgenomen. Door de koppeling tussen de woningen en de parkeerplaatsen wordt dubbelgebruik voorkomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Onjuiste parkeernorm?

8.3.

Eisers hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat het college in de parkeerbalans geen rekening heeft gehouden met de parkeerbehoefte van de horeca en de bibliotheek en ten onrechte een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats voor alle woningen heeft gehanteerd. Daarnaast voeren eisers aan dat het college ten onrechte een lagere parkeernorm heeft gehanteerd vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde treinstation. Het college is uitgegaan van een afstand van minder dan 1.200 meter, terwijl de daadwerkelijke afstand 1.224 meter is.

8.4.

De rechtbank is van oordeel dat de motivering van het college ook op dit punt is te volgen. Eisers hebben ter zitting erkend dat het college in bezwaar niet is uitgegaan van een parkeernorm van 1,1 voor alle woningen van het project, maar mede aan de hand van de oppervlakte van de woningen verschillende parkeernormen heeft gehanteerd. Eisers hebben daarnaast ter zitting erkend dat het college ook rekening heeft gehouden met de parkeerbehoefte van de horeca en de bibliotheek. De beroepsgrond is daarmee alleen nog gericht tegen de bandbreedte waar het college van uit is gegaan. Volgens het Handboek is de bandbreedte een factor die mede de te hanteren parkeernorm bepaalt. De rechtbank overweegt dat uit het Handboek volgt dat om de bandbreedte te bepalen moet worden gekeken naar de hemelsbrede afstand van de ontwikkeling tot de dichtstbijzijnde HOV-halte of het dichtstbijzijnde treinstation. Het Handboek verzet zich niet tegen het standpunt van het college dat moet worden uitgegaan van de kortste afstand tussen het gebouw en het treinstation. Eisers hebben ter zitting gesteld dat moet worden gemeten van de entree van het gebouw tot de ticketmachine, maar hebben niet onderbouwd dat de afstand bij andere bouwprojecten zo is gemeten. Het college mocht dus bij het bepalen van de parkeerbehoefte uitgaan van de bandbreedte gemiddeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

De toets aan het beeldkwaliteitsplan

9. Eisers hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat de supervisor heeft getoetst aan het verkeerde beeldkwaliteitsplan, dat het bouwproject niet past binnen het geldende beeldkwaliteitsplan en dat er daardoor geen deugdelijk welstandsadvies ligt. De supervisor had moeten toetsen aan het beeldkwaliteitsplan ‘Actualisatie Beeldkwaliteitsplan Nieuwe Kom in Nieuw-Vennep 2022’ en niet aan het beeldkwaliteitsplan ‘Nieuw-Vennep Centrum/Nieuwe Kom’. Eisers hebben daarnaast ter zitting aangevoerd dat de gemeenteraad, mede gezien de afwijking van het beeldkwaliteitsplan, een bindend advies had moeten geven.

9.1.

De rechtbank overweegt dat het college in het bestreden besluit heeft onderkend dat in het primaire besluit van 11 december 2024 ten onrechte is vermeld dat aan het niet meer geldende beeldkwaliteitsplan is getoetst. In het bestreden besluit is dit hersteld, hetgeen eisers ter zitting hebben erkend. Eisers hebben verder niet met een tegenrapport of anderszins concreet onderbouwd waarom het welstandsadvies van de supervisor niet deugdelijk zou zijn. De enkele stelling dat de bouwhoogte van het bouwproject hoger is dan het bestemmingsplan toestaat, is daartoe onvoldoende, aangezien de supervisor met deze omstandigheid rekening heeft gehouden. De rechtbank overweegt verder dat voor zover eisers stellen dat de gemeenteraad een bindend advies had moeten geven, zij niet hebben onderbouwd uit welke bepaling dit volgt. De beroepsgrond slaagt niet.

Het toestaan van horeca

10. Eisers hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat bij de aanvraag niet is gespecificeerd welke categorie horeca-activiteiten in het project wordt gevestigd. Zonder deze specificatie kan niet worden uitgesloten dat categorie 4 van de Staat van horeca-activiteiten in het bouwproject gevestigd wordt, terwijl het bestemmingsplan maximaal categorie 3 toestaat.

10.1.

Het college heeft in het bestreden besluit een vergunningvoorschrift aan de verleende omgevingsvergunning toegevoegd dat inhoudt dat de vestiging van horeca van maximaal categorie 3 van de Staat van horeca-activiteiten is toegestaan. Eisers hebben ter zitting erkend dat hun bezwaren met dit voorschrift zijn weggenomen. De rechtbank stelt vast dat de aard van de beoogde horeca-activiteiten daarmee geen geschilpunt meer is.

De hoogte van de woontoren

11. Eisers hebben in hun beroepschrift aangevoerd dat de hoogte van de woontoren strijdig is met de maximaal toegestane hoogte van 27 meter volgens het bestemmingsplan.

11.1.

De rechtbank overweegt dat de bouwhoogte van de woontoren de maximaal toegestane bouwhoogte van 27 meter met 0,4 meter overschrijdt. In het primaire besluit is deze overschrijding niet vermeld, maar, zoals eisers ter zitting hebben erkend, heeft het college dit in het besluit op bezwaar hersteld door de vergunning voor deze overschrijding alsnog te motiveren. De rechtbank kan de motivering van het college dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties volgen. Zoals het college heeft toegelicht, is de overschrijding zeer marginaal en leidt deze niet tot een onevenredige aantasting van de beeldkwaliteit of het uitzicht van de omgeving. Verder komt de bouwhoogte boven de 27 meter uit door de vorm van het dak en de minimale doorgang onder de dakconstructie. Het dak wordt van onder verlicht en vormt daarmee een herkenningspunt voor de omgeving, aldus het college. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep van eiseres 2 is niet-ontvankelijk. Het beroep van de andere eisers is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Gelet op de niet-ontvankelijkheid en ongegrondheid, krijgen eisers het griffierecht niet terug en krijgen zij geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres 2 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van de andere eisers ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »