ECLI:NL:RBNHO:2026:13613

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/15/368843
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad, artikel 2:8 BW, directe schade aandeelhouder. Aandeelhouders hebben samen besloten een gezamenlijke onderneming te staken en liquideren. Een aandeelhouder zet de bedrijfsactiviteit buiten de mede-aandeelhouder om via een andere onderneming voort, zonder zijn mede-aandeelhouder een eerder besproken vergoeding te betalen. Schadevergoeding ex aequo et bono. De reconventionele vordering mee te werken aan een turboliquidatie van de gezamenlijke onderneming wordt afgewezen. Ontbreken van aandeelhoudersbesluit tot dividenduitkering. Balanstest en uitkeringstoets.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/368843 / HA ZA 25-498

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] , Verenigd Koninkrijk,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaten: mr. N.B.A. Verhoeven en mr. J. van der Grinten,

tegen

1 HOME DECOR TRADING B.V.,

te Haarlem,2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

beiden te [plaats 2] , Spanje,

gedaagde partijen in conventie,

eisers in reconventie,

hierna samen te noemen HDT c.s. en afzonderlijk ‘HDT’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’,

advocaten: mr. K.M.M. van Wees en mr. O. Hennis.

De zaak in het kort

Een bestuurder/aandeelhouder zegt schade te lijden, omdat zijn mede-bestuurder/-aandeelhouder (zakenpartner) met gebruik van kennis, goodwill en domeinnamen van hun beider onderneming en zonder hem uit te kopen of een vergoeding te betalen de bedrijfsactiviteit van de onderneming via een andere onderneming heeft voortgezet. De zakenpartner betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld en dat eiser schade lijdt, want ze hadden samen besloten de onderneming te liquideren.

De rechtbank oordeelt dat de zakenpartner wel een schadevergoeding moet betalen, maar komt op een veel lager bedrag dan gevorderd. De vorderingen op de andere onderneming en de bestuurder daarvan (de echtgenote van de zakenpartner) worden afgewezen, evenals de reconventionele vorderingen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 april 2026 en de daarin genoemde stukken

- akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde 2] met producties 38 t/m 40

- akte overlegging producties van de zijde van [eiser] met producties 32 t/m 34

- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026 waarbij mr. Verhoeven en mr. Van Wees voornoemd spreekaantekeningen hebben overgelegd. HDT en [gedaagde 3] hebben hun reconventionele vorderingen ingetrokken. Mr. Van Wees heeft een aanvullende spreeknotitie ‘schadedebat’ overgelegd en de griffier heeft voor het overige aantekeningen gemaakt.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde 2] hebben in 2019 samen MaMa Trading B.V. (hierna: MaMa Trading) opgericht, zijn gezamenlijk bevoegd bestuurders en houden ieder 50% van de aandelen in MaMa Trading. MaMa Trading exploiteerde een onderneming die online klamboes verkocht onder de handelsnaam Bambulah.

2.2.

[gedaagde 3] is de echtgenote van [gedaagde 2] en enig aandeelhouder en bestuurder van HDT. Zij heeft begin 2023 HDT opgericht als een webshop voor met name tafelbenodigdheden en -decoratie onder de handelsnaam Zapurah. Vanaf 2019 plaatste [gedaagde 3] in overleg met MaMa Trading berichten over Bambulah op Instagram en vanaf medio 2022 verzorgde [gedaagde 3] de klantenservice van MaMa Trading via HDT.

2.3.

Begin maart 2024 heeft [gedaagde 2] aan [eiser] voorgehouden dat hij het merendeel van het werk voor MaMa Trading deed en hij daarvoor een vaste vergoeding van € 100.000 passend vond. Bij e-mail van 3 maart 2024 heeft [eiser] onder meer als volgt gereageerd:

Niet geheel onbelangrijk is dat we met de organisatie nog niet op het financiële niveau zijn dat we dit [een vaste managementvergoeding, toevoeging rechtbank] ons kunnen veroorloven. Kijk naar de payout vorig jaar en wat er gevraagd wordt plus increase CS [rechtbank: customer service], als ik het over vorig jaar projecteer zou ik in principe voor niets werken. Jij wordt dan een manager die fixed pay krijgt, dat is simpelweg geen optie. We zijn op of over het omslagpunt dat Bambulah voor ons beiden jaarlijks een payout heeft die dit allemaal waard maakt, maar nog niet meer dan dat. We moeten gewoon nog 4/5 jaar stappen maken om op het punt te komen dat dit financieel mogelijk is. Ik zie je overzicht, maar dit is wel onder voorwaarden dat we de targets halen en 40,5% marge. Ik hoop het en we gaan ervoor, maar kan het je vertellen op 1 januari 2025.

2.4.

Bij e-mail van 20 april 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] voorgehouden dat hij hem ook kan uitkopen:

Met betrekking tot een acceptabel bod: Make me an Offer I cannot Refuse. Ik sta hier zeker open voor, omdat dit voor mij ook zeker z’n voordelen kan

hebben.

Voor de duidelijkheid: Een, voor mij, acceptabel bod moet duidelijk:

- De tijd, energie, toegevoegde waarde en financiële investeringen van de afgelopen 5 jaar weerspiegelen:

- Plus de upside voor de komende 5 jaar, in lijn met het overzicht in je eigen voorstel, totale uitbetaling hier: 3.042.500 Euro:

- Plus de opgebouwde van Goodwill, Voorraad en Cashpositie:

- Plus het feit dat Bambulah duidelijk op een pivotal punt staat om geld te gaan genereren. Deze maand is daar een zeer duidelijk bewijs van met +60%. […]

Andere alternatieven:

- Eruit komen met een voorstel, zoals hierboven die voor beiden werkt:

- Huidige situatie blijft ongewijzigd:

- Naar de markt brengen en zien wat we ervoor krijgen:

- Enkel strikt noodzakelijke kosten, magazijn leegverkopen, en stekker eruit trekken. Hierbij houdt Bambulah op te bestaan voor beiden.

2.5.

[eiser] en [gedaagde 2] hebben vervolgens een winstverdeling afgesproken met 2/3e voor [gedaagde 2] en 1/3e voor [eiser] , met een plafond van € 125.000 verschil.

2.6.

Begin augustus 2024 heeft [gedaagde 2] € 120.000 van MaMa Trading aan zichzelf overgemaakt onder vermelding van “dividend”. [gedaagde 2] heeft vervolgens [eiser] gevraagd op welke rekening hij zijn deel wilde ontvangen, maar [eiser] was niet eens met een (tussentijdse) winstuitkering. Op 19 augustus 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 2] elkaar gesproken over het al dan niet terugstorten van het bedrag en verder over hun samenwerking in het algemeen. Over dit telefoongesprek heeft [gedaagde 2] de volgende dag aan [eiser] geschreven:

Hi [eiser],

Natuurlijk hebben ook bij mij alle scenario’s diverse malen door m’n hoofd gespookt de afgelopen tijd.

Maar toen je gisteren aangaf dat je geen andere optie ziet dan de site op zwart te zetten, de boel af te tuigen en de leveranciers te informeren, moest ik wel even slikken.

Te meer ook omdat ik merk dat je een onrealistische verwachting lijkt te hebben van een eventuele uitkoopsom.

Je noemde gisteren een bedrag van 500.000 euro voor het verleden plus een extra bedrag met inachtneming van 3-5 jaren van 25-30% groei. En dat alles op basis van een bedrijf wat dit jaar voor het eerst redelijk draait (alle voorgaande jaren zien er enkel een beetje florissant uit omdat geen van beiden een salaris heeft ontvangen, maar zou je dat normaliseren in voorgaande jaren. dan is 2024 waarschijnlijk het eerste jaar met een lichte plus).

Met dit soort verwachtingen blijft die deur dus definitief gesloten.

Ik zal dus gaan nadenken over wat verder te gaan doen, want Bambulah is/was mijn broodwinning, dus we moeten het wel nog eens worden over een datum wanneer de site uit de lucht gaat en hoe we de afhandeling gaan doen van klanten nadat de boel op zwart staat.

[…]

Ik hoor graag hoe jij de afwikkeling ziet qua tijdlijn, wat te doen met de voorraad, hoe de overige cash te verdelen, wat eventueel nog op rekening te houden, etc.

2.7.

Na afloop van het telefoongesprek heeft [gedaagde 2] diezelfde dag de volledige website van Bambulah gekopieerd en geëxporteerd.

2.8.

Bij e-mail van 25 augustus 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde 2] onder meer het volgende geschreven:

Het was te merken in de call van 19 Augustus dat je dit niet zag aankomen, echter heb ik dit meer dan duidelijk aangeven in de laatste communicaties.

Kort overzicht van de afgelopen 10 maanden en climax:

In Griekenland heb ik met [naam echtgenote [eiser] , toevoeging rechtbank] duidelijk besproken en besloten dat op de huidige voet verder gaan met Bambulah geen optie meer is. De wijze van samenwerken is niet gezond meer, letterlijk & figuurlijk.

Het begon mij persoonlijke steeds meer te raken en daardoor een steeds groter effect op mijn gezin. Dit is voor mij absoluut niet acceptabel, en dit moest hoe dan ook, stoppen.

[…]

De laatste 10 maanden en met name de laatste maand zijn er dingen gezegd, acties

ondernomen en lange discussies geweest, waarbij ik simpelweg geen weg voorwaarts meer zag in onze samenwerking. Het onderlinge vertrouwen en wederzijdse respect zijn door meerdere zaken compleet ondermijnd, waardoor ik geen andere keuze meer zag dan te zeggen; tot hier en niet verder.

[…]

Tijdens onze call kwam dit namelijk […] omhoog dat een tussenbetaling, nu, meer dan gewenst zou zijn jou. Zoals ik tijdens de call aangaf “ken” ik je privé situatie en zou ik het compleet begrijpen als je een tussentijdse betaling zou willen om deze reden, echter had het gewoon besproken moeten worden. Dan zou ik er absoluut in mee gaan, zeker omdat de cashflow er is. Dit soort dingen normaal zijn als er vertrouwen en respect is binnen een bedrijfje met 2 man.

Kopen Bambulah:

Je geeft aan dat kopen niet mogelijk is van jouw kant, voor een voor mij acceptabel

bedrag.[…] Dit moet voor mij terugkomen in een bedrag anders is het, het “weggeven” van de “Goose with the Golden Eggs” tegen een doosje normale eieren. Ik zou mezelf ‘s ochtends niet in de spiegel kunnen aankijken als ik dat zou doen, dus moet het een acceptabel bod zijn. Anders slacht ik liever de gans en eet ieder z’n helft op. Lees; het stop zetten van Bambulah en wat erover blijft wordt, naar rat[…]o, verdeeld.

[eiser] heeft de e-mail afgesloten met een voorstel afspraken te maken waarmee de samenwerking toch kan worden voortgezet.

2.9.

[gedaagde 2] heeft bij e-mail van 27 augustus 2024 onder meer geantwoord:

Ik denk dat we er goed aan doen om het besluit te nemen om onze samenwerking op een professionele en vriendschappelijk manier te beëindigen. Zoals je zelf eigenlijk ook al reeds hebt aangegeven.

[…]

Na afronding van de verkopen en het aflossen van alle verplichtingen, verdelen we de resterende cash (na betaling van jouw 60.000 euro) en activa volgens onze aandelenverhouding. Wat mij betreft doen we het restant gewoon 50-50 verdelen en niet 67%-33%.

[…]

Het overdragen van deze taken aan een derde partij zal samengaan met een

overdrachtsperiode en het delen van al deze kennis waar ik niet op zit te wachten,

temeer ook omdat het nog maar te bezien valt of er überhaupt iemand geïnteresseerd is. Daarom zie ik verkoop niet als een realistische optie.

En jouw uitkopen zal een no-go zijn, omdat we veel te veel uit elkaar liggen op basis van de getallen die je eerder hebt genoemd.

De enige haalbare weg lijkt mij dus om het bedrijf af te wikkelen, de boedel te verdelen, en ieder onze eigen weg te gaan.

Ik ben moe en uitgestreden, wil tijd voor mezelf en zal moeten nadenken over hoe nu verder. Wellicht gaan we terug naar Nigeria, maar misschien ook wel naar Bali en word ik daar voor een tijdje padelcoach. Ik zal ergens weer aan de slag moeten.

[gedaagde 3] [ [gedaagde 3] , toevoeging rechtbank] is nog bereid om tegen dezelfde vergoeding de maand september door te werken en ik zal ook nog tot eind september doen wat noodzakelijk is en proberen te zorgen dat we nog zoveel mogelijk binnenhalen.

2.10.

Bij e-mail van 28 augustus 2024 heeft [eiser] instemmend gereageerd:

Email lijkt me geheel duidelijk en hiermee akkoord.

Het snel, pijnloos en respectvol afwikkelen van Bambulah is voor mij ook het doel nu. […]

Zou je mijn deel morgen kunnen overmaken naar mijn Singapore account met kenmerk: Dividend

Op 29 augustus 2024 heeft [gedaagde 2] € 60.000 van MaMa Trading aan [eiser] overgemaakt.

2.11.

In september 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 2] e-mails opgesteld om leveranciers te informeren dat zij hebben besloten Bambulah niet voort te zetten en op 1 november 2025 de Bambulah-website uit de lucht te halen. Bij e-mail van 17 september 2024 hebben zij deze e-mail aan Fidelity Fulfilment gestuurd, een leverancier van MaMa Trading en HDT (hierna: de leverancier). Daarvoor had [gedaagde 2] al telefonisch contact met deze leverancier.

2.12.

De leverancier heeft de volgende dag [eiser] op het algemene

e-mailadres van MaMa Trading als volgt geantwoord:

Dag [gedaagde 2], ([eiser] niet in cc)

Dank. Voor de praktische zaken;

- aan onze kant behouden we de Bambulah overeenkomst/account en hernoemen deze naar je nieuwe naam en KvK

- tarieven Bambulah blijven van toepassing

Voor mijn Interne communicatie is de kern van de boodschap dat jij een doorstart maakt. En dat wij aangaande Bambulah geen contact meer hebben met [eiser] (die was al beperkt).

[gedaagde 2] heeft naar aanleiding van vragen van [eiser] richting de leverancier gereageerd, met [eiser] in kopie, dat ‘eventuele wijzigingen met betrekking tot overeenkomsten of operaties onder de officiële structuur van Bambulah moeten blijven totdat de overgang volledig is afgerond’ en dat op dat moment geen sprake is van een doorstart.

2.13.

Op 1 november 2024 is de Bambulah-website offline gegaan. Op 5 november 2024 is een nieuwe website van HDT voor een webshop genaamd ‘Nusarah’ online gegaan. HDT zou via Nusarah met name klamboes gaan verkopen.

2.14.

Voor de Nusarah-website heeft HDT gebruik gemaakt van de diensten van dezelfde websitebouwer en technisch tekenaar als MaMa Trading. De eerste versie van de Nusarah-website bevatte (blog)teksten die (ook volgens gedaagden) tenminste sterk vergelijkbaar waren met de teksten op de Bambulah-website. Op enig moment stond op de Nusarah-website naast [gedaagde 2] ook [eiser] als eigenaar vermeld en stonden het KvK-nummer, e-mailadres en btw-nummer van MaMa Trading vermeld.

2.15.

Bij e-mail van 17 november 2024 heeft [eiser] op een e-mail van [gedaagde 2] van 13 november 2026 (in niet vetgedrukt tekst) onder meer als volgt - in vetgedrukte tekst - gereageerd:

Hi [eiser],

Sinds jij medio september voorstelde een turbo liquidatie te starten voor MaMa Trading BV, ben ik hieraan actief aan het werken met als doel afronding voor 31 december 2024.

Dit traject is inmiddels een aardig eind gevorderd, maar er zijn nog een paar essentiële zaken die wachten op jouw formele medewerking.

Het is tevens mijn intentie om de liquidatie van Bambulah/ MaMa Trading b.v. voor het einde van het jaar te laten plaats vinden.

Ter verduidelijking tot nu toe is er geen onnodige vertraging geweest door essentiële zaken die ik formeel niet heb opgepakt of mijn medewerking niet aan verleend heb.

[…]

Verdeling van de voorraad:

Gezien de situatie rondom de liquidatie en de beperkte marktwaarde van de huidige voorraad, stel ik voor om deze over te nemen tegen een symbolische vergoeding. […]

Als dit niet akkoord is, laat ik de verantwoordelijkheid voor het beheer en de verkoop van de voorraad graag bij jou.

Mocht je besluiten de voorraad extern te verkopen, wil ik echter graag een bieding overwegen en eventueel iets meer bieden dan een externe partij (afhankelijk van de prijs).

Ik heb de voorraad per vandaag in een overzicht gezet, zodat je precies kunt zien wat er over is en in welk deel ik eventueel geïnteresseerd ben. […]

In lijn met de liquidatie deadline van 31 december moet de volledige voorraad echter per eind december van de balans worden gehaald.

De voorraad is eigendom van de Bambulah/ MaMa Trading b.v. en om de organisatie te kunnen liquideren is dit een van de items waar we, als onderneming, een overeenstemming over moeten bereiken. Beheer en verantwoordelijkheid blijft hieronder vallen tot alles formeel is afgerond. Aangezien jij aandeelhouder of belanghebbend bent in zowel Bambulah/ Mama Trading b.v. als Nusarah/ Home Decor Trading b.v. is er overduidelijk een ‘conflicts of interest’ ontstaan en moeten dingen ook “real cost for real cost” worden overgenomen om enige vorm of schijn van voordeel te vermijden. Dit geldt voor gehele voorraad, zoals aangegeven in het door jouw meegestuurde overzicht (all or nothing).

[…] In deze optie is het noodzakelijk c.q. eis dat alles wordt gerebrand en niets met merknaam Bambulah wordt verkocht.

[…]

Ik ben het ermee eens dat het verkopen aan een derde partij is geen reële optie is, met de door jouw gegeven redenen.

De andere optie, mocht jij niet de gehele voorraad, willen overnemen tegen real cost, is om alles te vernietigen. Om alle schijn van oneigenlijk verdeling/ voordeel weg te nemen is dit de meest “eerlijke” optie.

Het vernietigen van de voorraad kan niet via Make Or Buy/ Fidelity Fulfilment plaats vinden aangezien deze niet meer onpartijdig is.

Wil elke vorm uitsluiten dat dingen plaats vinden die niet fair zijn en dat er het beste wordt gedaan voor Bambulah/ MaMa Trading b.v. (basis hiervoor is zeer duidelijk de emails Mathijs Smit/ Fidelity Fulfilment mbt doorstart).

2.16.

[eiser] heeft de voorraad op kosten van MaMa Trading laten vernietigen.

2.17.

Op instructie van [eiser] heeft een adviseur van MaMa Trading, de heer [betrokkene] (hierna: “[betrokkene]) conceptnotulen voor een te houden vergadering tussen [eiser] en [gedaagde 2] opgesteld in het kader van de liquidatie van MaMa Trading. In deze conceptnotulen van 26 november 2024 is onder meer opgenomen:

Tevens worden bij de liquidatie de volgende immateriële zaken overgedragen aan de aandeelhouders, waardoor zij ieder voor 50% eigenaar worden van:

1. www.mamatrading.eu

2. www.mamatrading.nl

3. www.bambulah.com

4. de merknaam Bambulah

5. het logo van Bambulah

6. de handelsnaam MaMa Trading

Hierna genoemde “Immateriële zaken”. Aan de Immateriële zaken wordt geen waarde toegekend aangezien de onderneming is gestaakt en geen van beide aandeelhouders voornemens is de onderneming voort te zetten. De aandeelhouders zullen zorgdragen voor de juridische juiste tenaamstelling van de merknaam “Bambulah” in de diverse instanties/registers en zullen deze kosten gezamenlijk dragen.

Als één van de heren gebruik wil maken van een van de bovengenoemde immateriële zaken, dan dient deze schriftelijk toestemming te krijgen van de ander, waarbij een vergoeding aan de ander zal worden betaald van € …… NADER TE BEPALEN.

2.18.

Bij e-mail van 26 november 2024 aan [betrokkene], met [eiser] in kopie, heeft [gedaagde 2] op de conceptnotulen gereageerd. De domeinnaam ‘bambulah.com’ zou zijn eigendom zijn en daarom uit de opsomming van immateriële zaken (hierna: de Immateriële zaken) moet worden verwijderd. Verder heeft [gedaagde 2] geschreven:

Ik ben ook geenszins van plan om het merk Bambulah ooit nog uit te dragen en gebruik de url bambulah.com enkel als tijdelijke redirect.

[betrokkene] heeft de notulen vervolgens daarop aangepast. De genoemde “redirect” is begin november 2024 ingesteld en op 22 januari 2025 beëindigd.

2.19.

[gedaagde 3] heeft op enig moment de naam van het Instagram-account waarop zij voorheen voor Bambulah berichten postte, veranderd naar @nusarah_home_decor en de eerdere posts voor Bambulah verwijderd. Het account had begin januari 2025 tenminste 1.500 volgers.

2.20.

[gedaagde 2] heeft bij e-mail van 27 november 2024 [betrokkene] geïnformeerd, met kopie aan [eiser] , dat hij een loon van maximaal € 4.000 wil rekenen voor zijn werk in de afwikkeling van MaMa Trading, omdat [eiser] daarbij nauwelijks was betrokken.

2.21.

Bij brief van 9 december 2024 van zijn advocaat heeft [eiser] HDT c.s. aansprakelijk gesteld voor het bewust inbreuk (laten) maken op IE-rechten van MaMa Trading en gesommeerd ieder gebruik van bedrijfsgeheimen van MaMa Trading en auteursrechtelijk beschermde teksten en afbeeldingen en social media-kanalen te staken en de MaMa Trading en HDT-websites offline te halen. Bij brief van 16 december 2024 van de toenmalig advocaat van HDT c.s. hebben zij zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van (een inbreuk op) auteursrechten, onder meer omdat de broncode van de Bambulah-website afkomstig is uit een open source1 en dat weliswaar bambulah.com doorleidt naar nusarah.com, maar dat [eiser] de link van bambulah.nl naar bambulah.com zelf kan wijzigen.

2.22.

Op 12 december 2024 heeft [gedaagde 2] € 4.000 van MaMa Trading aan zichzelf overgemaakt, op 14 december 2024 heeft hij € 3.851,74 aan MaMa Trading betaald voor zijn helft van de inventaris van MaMa Trading en op 15 december 2024 heeft [gedaagde 2] € 15.000 van MaMa Trading aan zichzelf overgemaakt.

2.23.

Vanaf 10 januari 2025 konden klanten op de Nusarah-website producten bestellen (pre-order). Op de website worden klamboes aangeboden met vergelijkbare namen als origineel door Bambulah gebruikt, zoals ‘Ayu Grace’ in plaats van ‘Ayu’, ‘Bulan Light’ in plaats van ‘Bulan’, ‘Mawar Bloom’ in plaats van ‘Mawar’.

2.24.

HDT c.s. hebben een positieve score over de Bambulah-klantenservice van het reviewplatform Kiyoh, op de website van Nusarah geplaatst.

2.25.

[betrokkene] heeft de conceptjaarrekening van MaMa Trading voor 2024 en de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2024 opgesteld. In de conceptjaarrekening 2024 is een resultaat na belasting genoteerd van € 113.248, waarbij voor [eiser] en [gedaagde 2] geen loon in aanmerking is genomen.2 [eiser] heeft hierop zijn akkoord gegeven.

2.26.

Het banksaldo van MaMa Trading is op dit moment niet toereikend om de verschuldigde dividendbelasting te voldoen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat HDT c.s. tegenover hem onrechtmatig hebben gehandeld dan wel ongerechtvaardigd zijn verrijkt, dan wel dat [gedaagde 2] toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen tegenover [eiser] ,

II. HDT c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade van € 255.000, te vermeerderen met de wettelijke rente,

III. HDT c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen samengevat het volgende ten grondslag. HDT c.s. hebben tegenover hem in groepsverband onrechtmatig gehandeld door samen te spannen om zich buiten hem om de onderneming van MaMa Trading toe te eigenen door het actief van MaMa Trading weg te sluizen naar en de handelsactiviteiten te laten overnemen door HDT. HDT c.s. hebben zo met voorbijgaan aan de belangen van [eiser] de winstgevende handelsactiviteiten van MaMa Trading voortgezet onder een andere naam met als enige doel van de onderneming te kunnen blijven profiteren zonder dat [eiser] hiervoor een vergoeding ontvangt. Dit terwijl [eiser] en [gedaagde 2] uitdrukkelijk hadden afgesproken dat het [gedaagde 2] niet vrij stond om de activiteiten voort te zetten; [gedaagde 3] wist hiervan. De kennis en kwade opzet van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , de (feitelijke) bestuurders van HDT, hebben in het maatschappelijk verkeer ook te gelden als handelen van de rechtspersoon en moeten daarom ook aan HDT worden toegerekend.

Zo hebben HDT c.s. in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm gehandeld en [gedaagde 2] in strijd met de op hem rustende verplichting van artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek (BW). HDT c.s. zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade, dan wel subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking of meer-subsidiair vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door [gedaagde 2] van de verplichting dat hij bij gebruik van activa van MaMa Trading een vergoeding aan hem is verschuldigd, aldus [eiser] .

3.3.

HDT c.s. voeren verweer, samengevat strekkend tot afwijzing van de vorderingen met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

in reconventie

3.4.

[gedaagde 2] vordert – na wijziging van eis en nadat HDT en [gedaagde 3] de vorderingen namens hen hebben ingetrokken - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair voor recht te verklaren dat tussen [gedaagde 2] en [eiser] op 28 augustus 2024 een aandeelhoudersbesluit tot dividenduitkering en het bijhorende bestuursbesluit tot stand is gekomen, waarbij zij nadrukkelijk eenmalig en bewust wensten af te wijken van de wettelijke hoofdregel bij winstverdeling door een eenmalige 2/3e - 1/3e verhouding af te spreken,

althans subsidiair [eiser] te veroordelen tot ondertekening van productie 38 van HDT binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag, met een maximum van € 100.000 dat [eiser] niet, niet volledig of niet tijdig aan deze veroordeling voldoet, althans zodanige veroordeling uit te spreken als de rechtbank in goede justitie passend acht in lijn met het gevorderde,

II. [eiser] te veroordelen tot ondertekening van productie 47 van HDT, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag, met een maximum van € 100.000 dat [eiser] niet, niet volledig of niet tijdig aan deze veroordeling voldoet, althans zodanige veroordeling uit te spreken als de rechtbank in goede justitie passend acht in lijn met het gevorderde,

III. [eiser] te veroordelen om zijn volledige medewerking te verlenen aan de feitelijke vereffening van HDT c.s., door het verrichten van in ieder geval de navolgende handelingen binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis:

a. binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis betalen van zijn volledige schuld aan de vennootschap in rekening-courant,

b. ondertekening van productie 39 van HDT,

c. medewerking verlenen aan het doen van aangifte dividendbelasting bij de Belastingdienst en slotaangifte vennootschapsbelasting en de afdracht van de verschuldigde belasting aan de Belastingdienst, althans te gehengen en te gedogen dat [gedaagde 2] namens MaMa Trading overgaat tot het doen van aangifte dividendbelasting bij de Belastingdienst en slotaangifte vennootschapsbelasting en de afdracht van de verschuldigde belasting aan de Belastingdienst,

d. medewerking verlenen aan de gelijkmatige verdeling van het resterende banksaldo onder de aandeelhouders, althans te gehengen en te gedogen dat [gedaagde 2] hiertoe overgaat namens MaMa Trading, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag, met een maximum van € 100.000 dat [eiser] niet, niet volledig of niet tijdig aan een gedeelte van deze veroordeling voldoet,

althans zodanige veroordeling uit te spreken als de rechtbank in goede justitie

passend acht in lijn met het gevorderde,

IV. [eiser] te veroordelen zijn volledige medewerking te verlenen aan de ontbinding na feitelijke vereffening (turboliquidatie) van MaMa Trading door nadat de feitelijke vereffening (als bedoeld onder III.) is voltooid:

a. binnen 14 dagen over te gaan tot ondertekening van producties 40, 43, 44 en 45 van HDT,

b. te gehengen en te gedogen dat [gedaagde 2] alle handelingen verricht die nodig zijn op grond van de wet of statuten om de turboliquidatie volledig en correct te voltooien, waaronder begrepen het deponeren van producties 40, 41, 42, 43, 44, 45 en 46 van HDT, binnen veertien dagen na het ontbindingsbesluit, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag met een maximum van € 100.000 dat [eiser] niet, niet volledig of niet tijdig aan een gedeelte van deze veroordeling voldoet,

althans zodanige veroordeling uit te spreken als de rechtbank in goede justitie

passend acht in lijn met het gevorderde,

V. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

HDT c.s. leggen aan hun vorderingen een afspraak met tussen [gedaagde 2] en [eiser] ten grondslag om de baten van MaMa Trading te vereffenen zodat tot ontbinding van MaMa Trading kan worden overgegaan. De activiteiten van MaMa Trading zijn gestaakt en de onderneming is feitelijk vereffend. In het kader van de afronding en vereffening van MaMa Trading zijn verschillende concept bestuurs- en aandeelhoudersbesluit voorbereid; een concept aandeelhoudersbesluit tot vaststelling dividenduitkering met goedkeuring bestuur (productie 38 HDT), een concept akte overdracht merkrecht (productie 39 HDT), een concept aandeelhoudersbesluit tot ontbinding (productie 40 HDT), een concept gecombineerd bestuurs- en aandeelhoudersbesluit tot opmaken en vaststellen van de jaarrekeningen 2024 en 2025 (productie 43 HDT), de conceptjaarrekeningen Bambulah 2024 en 2025 (productie 44 en 45 HDT) en een gecombineerd bestuurs- en aandeelhoudersbesluit redelijke vergoeding (productie 47 HDT). De voortdurende blokkade van [eiser] deze besluiten te ondertekenen is in strijd met de gemaakte afspraak en met de redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht dienen te nemen, aldus HDT c.s.

3.6.

[eiser] voert verweer, samengevat strekkend tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van HDT c.s. in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.

in conventie en reconventie

3.7.

De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Dit geschil heeft een internationaal karakter, omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in Spanje wonen en [eiser] in het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank zal daarom ambtshalve toetsen of zij bevoegd is van het geschil kennis te nemen en zo ja, welk recht van toepassing is.

4.2.

Aangezien [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in deze procedure zijn verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten, is de rechtbank op grond van artikel 26 Verordening Brussel I-bis3 bevoegd om van de vorderingen in conventie jegens hen kennis te nemen.

4.3.

[eiser] grondt zijn vorderingen op onrechtmatige daad, subsidiair onverschuldigde betaling en meer subsidiair op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming. De beantwoording van de vraag welk recht daarop van toepassing is, moet bij zowel onrechtmatige daad als ongerechtvaardigde verrijking plaatsvinden aan de hand van de Rome II-Verordening4, omdat het bij beide gaat om een niet-contractuele verhouding. Op grond van artikel 10 lid 1 Rome II-Vo wordt de niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit ongerechtvaardigde verrijking en die ook verband houdt met een bestaande, nauw met die ongerechtvaardigde verrijking samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst of een onrechtmatige daad, beheerst door het recht dat op die betrekking van toepassing is. [eiser] stelt dat sprake is van een onrechtmatige daad. Artikel 4 Rome II-Vo bepaalt dat het recht van het land waar de (directe) schade zich voordoet van toepassing is. Aangezien [eiser] onbetwist stelt in Nederland schade te lijden, is het Nederlands recht van toepassing op zowel de primaire als de subsidiaire grondslag. Partijen hebben zich in de processtukken bovendien in conventie en reconventie uitdrukkelijk beroepen op bepalingen uit het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, waarmee zij ook een stilzwijgende rechtskeuze voor Nederlands recht hebben gemaakt (artikel 14 lid 1 Rome II Verordening in verbinding met artikel 3 lid 1 Rome I-Verordening). De rechtbank zal dan ook het Nederlands recht toepassen.

4.4.

De tegenvorderingen van [gedaagde 2] betreffen in de kern de afwikkeling van MaMa Trading. MaMa Trading is gevestigd in Nederland. Hierop is artikel 10:118 BW van toepassing. De rechtbank zal ook dit geschil naar Nederlands recht beoordelen.

in conventie

4.5.

[eiser] stelt dat hij schade lijdt doordat [gedaagde 2] zijn aandelen in MaMa Trading had moeten kopen dan wel een vergoeding aan hem had moeten betalen voor de overname en/of het gebruik van “de activa en bedrijfsactiviteiten” van MaMa Trading. Door het onrechtmatig handelen van HDT c.s. heeft hij niets heeft ontvangen en is hem de kans ontnomen de activa op een andere wijze te gelde te maken. Subsidiair stelt [eiser] dat HDT c.s. in strijd hebben gehandeld met een specifiek jegens [eiser] in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm, omdat zij op basis van een vooropgezet plan, gebaseerd op list en bedrog, hebben gepoogd [eiser] als aandeelhouder in privé te treffen, onder veiligstelling van de belangen van [gedaagde 2] . Daarbij is het volgens [eiser] niet aannemelijk is dat MaMa Trading zelf een vordering in zal stellen. De schade voor [eiser] moet dan worden geacht ten laste van zijn vermogen te zijn gekomen.

4.6.

Concreet verwijt [eiser] HDT c.s. dat zij zonder zijn toestemming en zonder mededeling aan hem:

  1. leveranciers van MaMa Trading hebben benaderd om (dezelfde) producten te leveren,

  2. de webdeveloper van MaMa Trading hebben gevraagd een(zelfde) website te maken,

  3. de ontwerper van MaMa Trading hebben gevraagd (dezelfde) technische tekeningen van klamboes te maken,

  4. een webshop hebben geopend die sterk leek op de webshop van MaMa Trading, met daarop teksten die in opdracht en betaling van MaMa Trading zijn geschreven,

  5. via die webshop bijna dezelfde producten verkopen met bijna dezelfde naam en prijs,

  6. het Instagram-account waarin MaMa Trading heeft geïnvesteerd in gebruik heeft genomen,

  7. de reviews over MaMa Trading op de website van Nusarah heeft geplaatst,

  8. klanten vanaf de domeinnamen van MaMa Trading heeft omgeleid naar de Nusarah-webshop.

  9. Google-advertenties voor Nusarah heeft geplaatst op de zoekterm ‘Bambulah’.

De rechtbank zal deze punten hierna samen ‘de knowhow, goodwill en domeinnamen’ noemen.

4.7.

[eiser] begroot zijn schade op basis van volgens hem behaalde en verwachte omzet en winst van MaMa Trading en gedane investeringen op tenminste € 250.000.

4.8.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] en [gedaagde 2] samen hebben besloten MaMa Trading niet voort te zetten en niet (ook geen activa) aan een derde te verkopen, maar te liquideren (zie 2.9-2.10 en 2.15). Zij hebben daartoe ook definitieve stappen gezet: [eiser] en [gedaagde 2] hebben in september 2024 aan leveranciers bericht Bambulah niet voort te zetten, per november 2024 de Bambulah-webshop gesloten en in december 2024 de voorraad laten vernietigen. Bij brief van 9 december 2024 heeft [eiser] [gedaagde 2] nog gesommeerd onder meer MaMa Trading-websites offline te halen, waarmee nog eens werd onderstreept dat de stekker uit MaMa Trading was getrokken.

Geen afgeleide, maar directe schade

4.9.

[eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank directe schade geleden waarvoor [gedaagde 2] aansprakelijk is, maar niet voor een bedrag dat [eiser] voor ogen heeft. Zij licht dit hierna toe.

4.10.

[eiser] beroept zich op de afspraak met [gedaagde 2] dat indien een van hen twee

gebruik wil maken van de activa van MaMa Trading – de rechtbank begrijpt dat [eiser] hiermee de knowhow, goodwill en domeinnamen bedoelt – (de voorafgaande schriftelijke toestemming van de ander is vereist en) een vergoeding moet worden betaald. Dit zou zijn besproken tijdens een telefoongesprek met [gedaagde 2] en blijken uit de daaropvolgende conceptnotulen van [betrokkene] (zie 2.17).

4.11.

[gedaagde 2] betwist dat de gestelde inhoud van het telefoongesprek en heeft ter zitting verklaard dat hij het weliswaar eens was met de inhoud van de conceptnotulen, maar dat hij de daarin opgenomen Immateriële zaken – met uitzondering van de domeinnaam bambulah.com die uit de opsomming is geschrapt – niet heeft gebruikt. Bovendien was hij na beëindiging van de samenwerking vrij te ondernemen. [eiser] kan ook daarom geen aanspraak maken op een (schade)vergoeding, aldus HDT c.s.

4.12.

De conceptnotulen ondersteunen de door [eiser] gestelde afspraak onvoldoende; de daarin opgenomen Immateriële zaken zijn namelijk veel beperkter dan de ‘activa’ waarop [eiser] in deze procedure doelt (ook de bedoelde knowhow en goodwill). De rechtbank kan gelet op de betwisting ook niet van het door hem gestelde telefoongesprek uitgaan. Uit de e-mails van april en augustus 2024 tussen [eiser] en [gedaagde 2] blijkt echter wel dat partijen het eens waren dat in het geval [gedaagde 2] MaMa Trading zou voortzetten hij aan [eiser] een vergoeding zou moeten betalen5, maar de bovenmatige verwachting van [eiser] had de onderhandeling daarover verstomd. Alhoewel HDT c.s. de term ‘voortzetten’ als omschrijving voor [gedaagde 2] volgende stappen bestrijden, kan uit de feiten in onderling verband en samenhang bezien moeilijk een andere conclusie worden getrokken dan dat [gedaagde 2] – weliswaar zonder de vennootschappelijke huls van MaMa Trading en met enkele cosmetische wijzigingen – via HDT vervolgens juist dat heeft gedaan, zonder betaling van enige vergoeding aan [gedaagde 2] .

4.13.

Feit is dat [gedaagde 2] eind augustus 2024 al de volledige website van Bambulah heeft gekopieerd waarvan HDT c.s. even later gebruik zouden maken voor de website van Nusarah en dat [gedaagde 2] met de leverancier heeft overlegd over een “overgang” (2.12). Het is op basis van die e-mailwisseling aannemelijk dat [gedaagde 2] op dat moment al met de leverancier overlegde over het voortzetten van de samenwerking, buiten MaMa Trading om. Vervolgens heeft [gedaagde 2] kort na het sluiten van de webshop van Bambulah het internetverkeer doorgeleid naar nusarah.com en biedt hij via de Nusarah-website – waarop in eerste instantie zelfs een kopie van de vennootschapsinformatie van MaMa Trading stond (zie 2.14) – producten aan die tenminste in naam nauwelijks verschillen van de originele Bambulah-producten waarbij bovendien wordt geschermd met beoordelingen die klanten in het kader van bestellingen bij Bambulah hebben gegeven. Aan de verklaring van HDT c.s. ter zitting dat zij met ‘een nieuwe onderneming en een nieuwe naam een frisse start hebben gemaakt’ gaat de rechtbank dan ook voorbij.

4.14.

Weliswaar geldt het principe van vrijheid van ondernemerschap en mag [gedaagde 2] zijn eigen belang nastreven, maar gezien de bijzondere rechtsverhouding tussen beide aandeelhouders, en gelet op de constatering dat zij hadden afgesproken dat een vergoeding voor de knowhow, goodwill en domeinnamen zou worden betaald in het geval een van beiden de handel zou voortzetten, had [gedaagde 2] rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser] . Dit had ertoe moeten leiden dat hij tegenover [eiser] transparanter was geweest over het gebruik van de knowhow, goodwill en domeinnamen en daarvoor een redelijke prijs had betaald. [gedaagde 2] trekt via HDT wel profijt van het gebruik van de knowhow, goodwill en domeinnamen, zonder daarover transparant te zijn geweest tegenover [eiser] en zonder hem een redelijke vergoeding daarvoor te betalen. [gedaagde 2] heeft zodoende gehandeld in strijd met de in artikel 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid en met hun afspraken over de afwikkeling van de gezamenlijke vennootschap. Zo ga je niet met elkaar om. Dat gedrag is onder de geschetste omstandigheden onrechtmatig ten opzichte van [eiser] . Daarom is [gedaagde 2] gehouden de schade die [eiser] daardoor lijdt te vergoeden. Het verweer dat de door [eiser] gestelde schade zogeheten ‘afgeleide schade’ betreft – namelijk schade aan zijn aandelen in MaMa Trading die loopt via het vermogen van MaMa Trading – waarvan naar vaste rechtspraak een aandeelhouder geen vergoeding kan vorderen, wordt daarmee verworpen. In dit geval gaat het om schade die [eiser] niet via het vermogen van de vennootschap, maar rechtstreeks heeft geleden.6 Op de hoogte van de schadevergoeding zal de rechtbank verderop in dit vonnis ingaan.

Geen schade door andere handelingen HDT c.s.

4.15.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] gesteld dat de onrechtmatige daad er ook uit bestaat dat zijn toegang tot het beheer van de website van Bambulah en de zakelijke e-mail is ontzegd, dat [gedaagde 2] een totaalbedrag van € 139.000 heeft onttrokken aan MaMa Trading en terugbetaling weigert waardoor MaMa Trading niet aan haar verplichtingen kan voldoen, dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] HDT tijdelijk hadden ondergebracht in een Spaanse entiteit om de verhaalsmogelijkheden van [eiser] te bemoeilijken en dat [gedaagde 2] heeft geweigerd om met [eiser] in overleg te treden en in plaats daarvan dreigende e-mails aan [eiser] en zijn echtgenote heeft gestuurd met doel dat [eiser] deze procedure niet zou instellen dan wel zou intrekken. Maar [eiser] heeft niet (voldoende) gesteld en onderbouwd dat hij als een gevolg van deze gestelde handelingen ook schade heeft geleden. De rechtbank zal deze verwijten dan ook passeren.

HDT en [gedaagde 3] niet aansprakelijk

4.16.

De vorderingen van [eiser] richten zich ook tegen HDT en [gedaagde 3] . De stelplicht en zo nodig bewijslast (i) dat sprake is van groepsoptreden, (ii) dat HDT en [gedaagde 3] wisten of behoorden te begrijpen dat het groepsoptreden een gevaar schiep voor het ontstaan van de schade en (iii) dat HDT en [gedaagde 3] een verwijt treft, rust op [eiser] . Hij heeft echter niet gesteld op welke wijze HDT en [gedaagde 3] , die allebei niet in een bijzondere rechtsbetrekking tot [eiser] stonden, verwijtbaar hebben bijgedragen aan de onder 4.16 omschreven onrechtmatige gedraging van [gedaagde 2] . Van groepsaansprakelijkheid is daarom geen sprake.

4.17.

[eiser] heeft ook niet voldoende gesteld om te kunnen oordelen dat HDT en [gedaagde 3] zelfstandig onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld. Er is ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking door HDT en [gedaagde 3] , want [eiser] verarmt niet, indien hij door [gedaagde 2] schadeloos wordt gesteld. HDT en [gedaagde 3] waren tot slot geen partij bij de door [eiser] gestelde afspraak, dus hij heeft op basis van die overeenkomst ook geen vorderingsrecht tegenover hen. De rechtbank zal de vorderingen tegen HDT en [gedaagde 3] daarom afwijzen.

Begroting schade

4.18.

[eiser] heeft zijn vordering tot vergoeding van € 250.000 op geen enkele wijze onderbouwd. Hij stelt wel dat voor 2024 een winst van € 410.000 werd verwacht, maar tussen partijen staat vast dat het resultaat na belasting over 2024 slechts € 113.248 bedroeg; [eiser] was met de berekening daarvan in de conceptjaarrekening akkoord (zie 2.25). Bij die becijfering is bovendien geen rekening gehouden met een fiscaal verplicht minimaal loon voor [eiser] en [gedaagde 2] ; als dat wel uitgekeerd zou zijn, zou er nauwelijks een positief resultaat resteren. Verder gaat [eiser] in deze procedure uit van een verwachte nettowinst van wel € 800.000 in de jaren na 2024, maar daarin kan de rechtbank hem zonder een onderbouwing ook geenszins volgen. Bij zijn e-mail van 3 maart 2024 aan [gedaagde 2] was [eiser] zelf ook veel minder positief gestemd over de groei en winstgevendheid van MaMa Trading (zie 2.3).

4.19.

Artikel 6:97 BW bepaalt dat de schade wordt begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld wordt zij geschat, eventueel geheel ex aequo et bono (naar billijkheid).

4.20.

De onrechtmatige gedraging van [gedaagde 2] weggedacht, zou hij een redelijke vergoeding hebben betaald voor het voortzetten van de onderneming (het gebruik van knowhow, goodwill en domeinnamen). In het geval [gedaagde 2] als bestuurder en aandeelhouder de onderneming binnen MaMa Trading zou hebben voortgezet en [eiser] als aandeelhouder was aangebleven en wel rekening was gehouden met een gebruikelijk loon voor bestuurder [gedaagde 2] , dan zou MaMa Trading, uitgaande van het resultaat over 2024, een positief resultaat van circa € 50.000 hebben behaald. Op basis van de eigendomsverhouding zou [eiser] dan € 25.000 toekomen, indien die winst als dividend zou zijn uitgekeerd. Daarover zou belasting moeten worden betaald. Er zijn geen voldoende onderbouwde aanwijzingen dat het resultaat in 2025 beduidend anders zou zijn geweest. De rechtbank acht een redelijke vergoeding voor het gebruik van de knowhow, goodwill en domeinnamen een bedrag groot tweemaal [eiser] deel van de jaarwinstpotentie en schat de schade ex aequo et bono, rekening houdend met een fiscale claim die zou zijn gevolgd als de activa waren verkocht, op € 37.500 (want een schadevergoeding is in beginsel belastingvrij) en zal dit bedrag aan [eiser] toewijzen. De wettelijke rente zal zoals gevorderd en niet betwist, worden toegewezen vanaf 9 december 2024.

4.21.

Omdat de schadevergoedingsvordering wordt toegewezen heeft [eiser] geen belang bij toewijzing van ook de gevorderde verklaring voor recht, zodat die vordering zal worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.22.

Tot slot maakt [eiser] op grond van artikel 6:96 sub b en c BW aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 5.000. [gedaagde 2] heeft deze deelvordering betwist, onder meer omdat [eiser] deze kosten nooit heeft aangezegd. Een aanzegging7 is echter niet verplicht bij een schuldenaar niet zijnde consument. [eiser] heeft als onderbouwing een aantal facturen met specificaties van zijn advocaat overgelegd, waaronder een specificatie bij een factuur van 11 maart 2025 waarin kosten zijn opgenomen voor het opstellen van de dagvaarding. Die kosten zijn al begrepen in de proceskostenveroordeling. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende gesteld en onderbouwd dat daarnaast buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, bestaande uit correspondentie tussen de advocaten van partijen.

4.23.

De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het ‘Besluit’) van toepassing is. Of [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten als buitengerechtelijke kosten, zal de rechtbank toetsen aan het Rapport Voorwerk II met inachtneming van het Rapport BGK-integraal. Voor de beantwoording van de vraag of de gevorderde kosten redelijke kosten zijn, toetst de rechtbank aan de wettelijke staffel zoals aanbevolen in Rapport BGK-Integraal. Op grond daarvan en de toegewezen hoofdsom van € 37.500 acht de rechtbank een bedrag van € 1.150 aan buitengerechtelijke kosten redelijk. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen op grond van artikel 6:96 sub c BW. Omdat [eiser] niet heeft gesteld wanneer deze schade is geleden, zal de daarover gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.24.

De proceskosten zullen worden gesplitst, want [gedaagde 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld tegenover [eiser] en [eiser] is in het ongelijk gesteld tegenover HDT en [gedaagde 3] . [gedaagde 2] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Het liquidatietarief dat past bij het uiteindelijk toegewezen bedrag wordt daarbij gehanteerd, omdat van de originele hoofdsom een aanzienlijk deel wordt afgewezen. [eiser] moet de proceskosten (inclusief nakosten) van HDT en [gedaagde 3] betalen. De proceskostenvergoeding voor HDT en [gedaagde 3] zal tot 2/3e worden toegewezen, omdat HDT c.s. met één advocaat hebben geprocedeerd en gezamenlijke standpunten hebben ingenomen.

4.25.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

202,15

- griffierecht

€

2.723,00

- salaris advocaat

€

1.672,00

(2 punten × € 836,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

4.745,15

4.26.

De proceskosten van HDT en [gedaagde 3] worden begroot op € 5.131,33 ((griffierecht € 6.861,00 en salaris advocaat € 836,00)/3*2) en nakosten van € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

4.27.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt over en weer toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie

4.28.

HDT en [gedaagde 3] hebben de reconventionele vorderingen namens hen ingetrokken. [gedaagde 2] heeft zijn vorderingen gehandhaafd en presenteert daarmee een routekaart voor de overeengekomen turboliquidatie (vereffening en dan ontbinding) van MaMa Trading, aldus [gedaagde 2] . De vorderingen zijn niet toewijsbaar en de rechtbank licht dat toe.

Geen dividendbesluit

4.29.

De primaire vordering onder I vormt de opmaat van de reeks vorderingen. [gedaagde 2] stelt dat partijen op 28 augustus 2024 een aandeelhouders- en bestuursbesluit hebben genomen tot een eenmalige 2/3e - 1/3e dividenduitkering en vordert daarvan een verklaring voor recht.

4.30.

Op die dag heeft [eiser] hem bericht zijn deel over te maken met kenmerk dividend. Dat daarmee een aandeelhouders- en bestuursbesluit zijn genomen betwist [eiser] . Hij voert aan dat hij dat bericht stuurde, omdat hij vreesde dat [gedaagde 2] nog meer geld zou onttrekken aan MaMa Trading.

4.31.

Niet in geschil is dat voor het gestelde besluit geen (buitengewone) algemene vergadering is gehouden. Bovendien ontbreken balanstest en uitkeringstoets. Daarmee houdt het al op. Voor zover [gedaagde 2] zich op het standpunt stelt dat het aandeelhoudersbesluit ex artikel 2:238 BW buiten vergadering is genomen, heeft hij daarvoor onvoldoende gesteld. Hij heeft niet gesteld dat [eiser] – conform de statuten vooraf – heeft ingestemd met die wijze van besluitvorming. Dit betekent dat voor zover het bericht van [eiser] kwalificeert als zijn stem voor het gestelde aandeelhoudersbesluit, hetgeen [eiser] betwist, zou het besluit nietig zijn. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom niet worden gegeven.

4.32.

Subsidiair onder I. vordert [gedaagde 2] dat [eiser] alsnog instemt met het dividendbesluit.

4.33.

Artikel 2:216 BW regelt hoe een besloten vennootschap kan besluiten dividend aan haar aandeelhouders uit te keren. Het besluit kan alleen worden genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die op grond van de wet of de statuten moeten worden aangehouden (de zogenoemde balanstest), maar behoeft de goedkeuring van het bestuur van de vennootschap. Het bestuur moet die goedkeuring weigeren indien het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden (de zogenoemde uitkeringstoets). Indien de vennootschap na een uitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders die dat ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien jegens de vennootschap aansprakelijk voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan. Daarnaast moet een bestuur afzien van een turboliquidatie als er een reëel risico bestaat op benadeling van schuldeisers of van gerechtigden tot het overschot.

4.34.

Tussen partijen staat vast dat MaMa Trading op dit moment niet in staat om de bij het door [gedaagde 2] gewenste dividendbesluit horende dividendbelasting te betalen. Reeds daarom zal de rechtbank [eiser] niet veroordelen om in te stemmen met het beoogde dividendbesluit.

4.35.

Het voorgaande betekent dat tussen partijen in geschil blijft of [gedaagde 2] en dan ook [eiser] de € 120.000 resp. € 60.000 zouden moeten terugstorten. Die vraag ligt immers in deze procedure niet voor. De route naar turboliquidatie van MaMa Trading zoals [gedaagde 2] voor ogen heeft is dan ook (nog) niet begaanbaar. De in dat kader gevorderde handelingen en besluiten die op het beoogde dividendbesluit zouden voortbouwen, het opmaken en vaststellen van (concept)jaarrekeningen waarin wordt uitgegaan van het beoogde dividendbesluit, overdragen van het merkrecht en het besluit tot ontbinding, zullen daarom ook worden afgewezen.

Vereffenen is een bestuurstaak - rekening-courantschuld

4.36.

De rechtbank wijst daarnaast de vordering onder II., instemming met een bestuurs- en aandeelhoudersbesluit voor een vergoeding voor [gedaagde 2] (de € 4.000 die [gedaagde 2] aan zichzelf heeft toegekend als vergoeding voor de afwikkeling van MaMa Trading) af. Het vereffenen van een vennootschap is een bestuurstaak, waar in beginsel geen (extra) vergoeding tegenover staat. Het enkele stilzwijgen van [eiser] op de e-mail van [gedaagde 2] aan [betrokkene] (met [eiser] in cc) waarin hij voorstelt zichzelf een vergoeding uit te keren, is niet voldoende om uit af te leiden dat [eiser] daarmee heeft ingestemd.

4.37.

Tot slot vordert [gedaagde 2] onder III.a. dat [eiser] zijn volledige rekening-courantschuld aan MaMa Trading betaalt, volgens hem een bedrag van € 5.283. [eiser] betwist de vordering en voert aan dat partijen hadden afgesproken dat de vordering ten bedrage van € 3.851,74 voor zijn helft van het inventaris zou worden verrekend met nog te ontvangen bedragen. Wat daar ook van zij, deze betwiste vordering komt niet aan [gedaagde 2] toe maar (eventueel) aan MaMa Trading en zal dan ook worden afgewezen.

4.38.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat niet in geschil is dat de uitkering van € 15.000 van [gedaagde 2] aan zichzelf in het kader van de afroming van de bankrekening van MaMa Trading (zie 2.22) tenminste voorbarig was. Het ligt voor de hand dat [gedaagde 2] die privé-opname terugstort.

Proceskosten

4.39.

[gedaagde 2] is in het ongelijk gesteld, maar HDT en [gedaagde 3] hebben hun reconventionele vorderingen pas bij de mondelinge behandeling ingetrokken. [eiser] had zich op dat moment al tegen hun vorderingen verweerd en heeft daarvoor kosten gemaakt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding niet ook HDT en [gedaagde 3] in de proceskosten te veroordelen.

4.40.

HDT c.s. moeten hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Zijn proceskosten worden begroot op:

- salaris advocaat

€

653,00

(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

842,00

4.41.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van € 37.500,00 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 december 2024 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.150,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling

5.3.

veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 4.745,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van de beslissing onder 5.3 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.131,33, te betalen aan

[gedaagde 3] en HDT binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen van [gedaagde 2] af,

5.8.

veroordeelt HDT c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HDT c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.9.

veroordeelt HDT c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald

in conventie en in reconventie

5.10.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 t/m 5.6 en 5.8 en 5.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

1680

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »