ECLI:NL:RBNHO:2026:13603

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/15/378129
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gezondheidsrecht, voorlopige voorzieningen i.h.k.v. verantwoordelijkheden en voorlopig mogelijk blijven maken van infusiebehandeling via PICC-lijn ter bestrijding/verlichting van symptomen orthostatische intolerantie (regelmatig flauwvallen; verantwoordelijkheden betrokken zorgverleners; doorbreken patstelling; artt 7:448 en 453 BW.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummers:

C/15/378129 / KG ZA 26-262

C/15/380780 / KG ZA 26-460

C/15/380826 / KG ZA 26-462

Vonnis in kort geding van 6 oktober 2026

in de zaak met zaaknummer C/15/378129 / KG ZA 26-262

van

[eiseres] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. W.G.E.B. den Hartog,

tegen

[gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,

advocaten: mr. drs. H.S. Eisenberger en mr. Y. van der Linden,

in de zaak met zaaknummer C/15/380780 / KG ZA 26-460

van

[eiseres] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. W.G.E.B. den Hartog,

tegen

[gedaagde 2] , H.O.D.N. HUISARTSPRAKTIJK [gedaagde 2],

te [plaats 1] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de huisarts,

advocaat: mr. K.S. Waldron.

in de zaak met zaaknummer C/15/380826 / KG ZA 26-462 van

[eiseres] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. W.G.E.B. den Hartog en mr. N.A.M. Arnst,

tegen

[gedaagde 3] ,

te [plaats 1] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: het ziekenhuis,

advocaat: mr. D.J.G. Idsinga,

1 Inleiding

1.1.

De zaken betreffen een geschil tussen [eiseres] en drie zorgverleners, [gedaagde 1] , het ziekenhuis en de huisarts. In de kern gaat over al dan niet door (een van) hen aan [eiseres] te leveren zorg voor een bij [eiseres] in februari 2026 door het ziekenhuis geplaatste PICC-lijn.

1.2.

Die lijn is bedoeld voor een (intermitterende) infusiebehandeling met 9% natriumchloride (hierna ook: zout- of NaCl-oplossing). Die behandeling heeft tot doel om een symptoom van orthostatische intolerantie – flauwvallen bij het gaan staan of rechtop komen – bij [eiseres] tegen te gaan ter vergroting van haar kwaliteit van leven. [eiseres] lijdt aan meerdere aandoeningen (het syndroom van Ehlers-Danlos en CVS/ME) en is (grotendeels) afhankelijk van een rolstoel.

1.3.

PICC staat voor: Peripherally Inserted Central Catheter (Perifeer Ingebrachte Centrale Katheter). Een PICC-lijn wordt aangebracht in de bloedbaan en kan worden gebruikt om antibiotica, chemotherapie, voeding en andere medicatie over een lange periode toe te dienen.

1.4.

[gedaagde 1] , het ziekenhuis en de huisarts nemen staan ieder voor zich het standpunt in dat zij gelet op de door hen met [eiseres] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomsten (en hun expertise dan wel faciliteiten) niet verantwoordelijk zijn voor (de te leveren machtigingen voor) de (na)zorg en de infuuspomp en de receptuur voor de infuuszakken met zoutoplossing. Er is een patstelling ontstaan.

2 De procedure

2.1.

[eiseres] heeft eerst alleen [gedaagde 1] in kort geding gedagvaard. In dat kort geding, met zaaknummer C/15/378129 / KG ZA 26-262, is op 22 juni 2026 een tussenvonnis gewezen.

2.2.

In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter kort gezegd voorlopige oordelen gegeven over het regiebehandelaarschap en de verantwoordelijkheid van [gedaagde 1] en [eiseres] en [gedaagde 1] opgedragen – mede gelet op door daartoe al door (de advocaten van) [gedaagde 1] ingezette acties – in overleg te treden en te onderzoeken over de vraag of en hoe kan worden bereikt dat [eiseres] de door haar gewenste infuuszorg ingeregeld kan krijgen en over een daarbij passende processtrategie.

2.3.

In verband met dat overleg is de zaak tussen [eiseres] en [gedaagde 1] aangehouden tot 3 juli 2026.

2.4.

Bij brief van 3 juli 2026 heeft [eiseres] verzocht om een veroordeling van [gedaagde 1] met een tijdelijk en overbruggend karakter totdat haar behandeling en zorg is overgedragen aan een andere behandelaar.

2.5.

[gedaagde 1] heeft bij brief van 3 juli 2026 verzocht om een vervolgzitting, bij voorkeur gecombineerd met door [eiseres] te starten (kort geding) procedures tegen het ziekenhuis, de huisarts en de zorgverzekeraar van [eiseres] .

2.6.

De voorzieningenrechter heeft via de griffie van de rechtbank [eiseres] en [gedaagde 1] bij brief van 13 juli 2026 laten berichten bereid te zijn een vervolgzitting in te plannen. In de brief van de griffie staat ook:

“Het heeft mijn sterke voorkeur dat op die zitting eenieder aanwezig is die in de visie van mevrouw [eiseres] een rol zou moeten spelen bij de oplossing van deze kwestie, maar die die rol thans niet wenst te vervullen, al dan niet als procespartij. Dat laatste is een kwestie van processtrategie die ik graag aan mevrouw [eiseres] en haar advocaat overlaat. Wel hecht ik eraan dat ik processueel voldoende armslag heb om daadwerkelijk tot een oplossing te kunnen bijdragen. Dat zal allicht eerder het geval zijn als onwilligen als gedaagde in het geding zijn betrokken.”

2.7.

[eiseres] is hierna een kort geding gestart tegen de huisarts en tegen het ziekenhuis, waarin zij vrijwillig zijn verschenen. In de dagvaardingen heeft [eiseres] de voorzieningenrechter verzocht de zaken te voegen met de zaak tegen [gedaagde 1] en de beslissingen op elkaar af te stemmen.

2.8.

De gezamenlijke (voortgezette) mondelinge behandeling van de drie zaken vond plaats op 22 september 2026. De drie procedures zijn op de mondelinge behandeling formeel gevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de mondelinge behandeling is gezegd en besproken. Mr. Arnst en mr. Van der Linden hebben pleitaantekeningen voorgedragen.

2.9.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 22 september 2026 zijn (weergegeven per zaak) de volgende stukken in het geding gebracht:

[eiseres] – [gedaagde 1]

 de stukken genoemde in het tussenvonnis van 22 juni 2026

 de brief van 21 juli 2026 van mr. Den Hartog

 de brief van 22 juli 2026 van mr. Van der Linden

 de brief van 28 juli 2026 van mr. Van der Linden met vier bijlagen

 de brief van 30 juli 2026 van mr. Van der Linden met een bijlage

 producties 21 en 22 van [eiseres]

 een bijlage van [gedaagde 1] (brief van 22 april 2024 van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd)

[eiseres] – de huisarts

 de dagvaarding met acht producties

 de conclusie van antwoord met zeven producties

[eiseres] – het ziekenhuis

 de dagvaarding met achttien producties

 de conclusie van antwoord

2.10.

Ten slotte is in alle drie zaken vonnis bepaald op heden.

3 De feiten

3.1.

De voorzieningenrechter verwijst naar de feiten zoals opgenomen in het tussenvonnis van 22 juni 2026 en zal voor zover nodig aanvullende feiten bespreken onder de beoordeling.

4 Het geschil

4.1.

Voor de vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 1] verwijst de voorzieningenrechter naar het tussenvonnis van 22 juni 2026.

4.2.

In de zaken tegen de huisarts en het ziekenhuis vordert [eiseres] achtereenvolgens dat de voorzieningenrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[eiseres] – de huisarts

I. de huisarts veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis een machtiging af te geven aan [de leverancier van medische hulpmiddelen] ten behoeve van de materialen en de Bodyguard-infuuspomp die behoren bij de op 23 februari 2026 bij [eiseres] geplaatste PICC-lijn;

II. de huisarts veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis een uitvoeringsverzoek af te geven aan [de thuiszorgorganisatie] ( [de thuiszorgorganisatie] ) ten behoeve van de technisch verpleegkundige thuiszorg rond de op 23 februari 2026 bij [eiseres] geplaatste PICC-lijn;

III. de huisarts veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiseres] herhaalrecepten af te geven voor NaCl-infuusvloeistof voor toediening via de PICC-lijn, telkens in een voor doorlopende behandeling toereikende hoeveelheid;

IV. de huisarts veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat hij, na ommekomst van de onder I tot en met III gestelde termijn, met de nakoming van een of meer van die veroordelingen in gebreke blijft, tot een gezamenlijk maximum van € 50.000,-;

V. de huisarts veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ad € 189,-, en — voor het geval voldoening van de kosten en de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt — te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.

[eiseres] – het ziekenhuis

I. het ziekenhuis veroordeelt om zijn verplichtingen uit de behandelingsovereenkomst met [eiseres] na te komen, in het bijzonder door binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis:

a. een machtiging af te geven aan [de leverancier van medische hulpmiddelen] ten behoeve van de materialen en de Bodyguard-infuuspomp die behoren bij de op 23 februari 2026 bij [eiseres] ingebrachte PICC-lijn;

b. een uitvoeringsverzoek af te geven aan [de thuiszorgorganisatie] ( [de thuiszorgorganisatie] ) ten behoeve van de technisch verpleegkundige thuiszorg rond die PICC-lijn;

II. subsidiair, voor het geval het onder I gevorderde niet wordt toegewezen: het Ziekenhuis veroordeelt om de zorg rond de PICC-lijn van [eiseres] mogelijk te maken zodra [gedaagde 1] de aanvraag heeft gedaan om de PICC-lijn te laten verzorgen door een specialist van het ziekenhuis;

III. het ziekenhuis veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000 voor elke dag of gedeelte van een dag dat het, na ommekomst van de onder I gestelde termijn, met de nakoming van een of meer van die veroordelingen in gebreke blijft, tot een gezamenlijk maximum van € 50.000;

IV. het ziekenhuis veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ad € 189, en – voor het geval voldoening van de kosten en de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.

4.3.

De huisarts en het ziekenhuis voeren verweer en concluderen – net als [gedaagde 1] – tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiseres] dan wel de vorderingen af te wijzen.

4.4.

De huisarts voert samengevat weergegeven aan dat de behandeling met zoutoplossing zogeheten tweedelijnszorg betreft en dat daarvoor uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen [eiseres] en de huisarts geen verplichting voor de huisarts voortvloeit om de door [eiseres] gevorderde zorg aan haar te verlenen. Daarnaast voert de huisarts aan dat het om medisch specialistische zorg gaat die buiten zijn professionele expertise en zijn deskundigheidsgebied als huisarts valt.

4.5.

Het ziekenhuis voert samengevat het volgende aan. Het ziekenhuis heeft op verzoek een PICC-lijn bij [eiseres] geplaatst. Dit betrof een enkelvoudige uitvoeringshandeling. Verdere behandeling is met [eiseres] niet overeengekomen. Van een

behandelingsovereenkomst op grond waarvan het ziekenhuis gehouden zou zijn tot het

afgeven van een machtiging of uitvoeringsverzoek, of tot het organiseren van vervolgzorg, is daarom geen sprake.

5 De (verdere) beoordeling

Verduidelijking en aanvulling op de feiten tussenvonnis 22 juni 2026

5.1.

Ter verduidelijking overweegt de voorzieningenrechter over 2.4 van het tussenvonnis van 22 juni 2026 nog het volgende. Daarin staat onder meer:

“Op 18 juni 2021 heeft [gedaagde 1] een verwijzing voor vervanging van deze PICC-

lijn afgegeven. In de betrokken verwijzing, gericht aan de anesthesioloog staat expliciet

benoemd dat de infuusbehandeling reeds een jaar onder verantwoording van de huisarts

heeft plaatsgevonden.”

5.2.

Het is weliswaar een feit dat in de betrokken verwijzing staat dat de infuusbehandeling reeds een jaar onder verantwoording van de huisarts heeft plaatsgevonden, maar de huisarts betwist op enigerlei wijze verantwoordelijk te zijn (geweest) voor de infuusbehandeling. De huisarts stelt dat hij alleen op verzoek van [eiseres] om praktische redenen en uit coulance een periode herhaalrecepten voor infuuszakken met zoutoplossing heeft uitgeschreven. Op geen enkel moment heeft hij de medisch specialistische zorg over de PICC-lijn, de infuuspomp et cetera overgenomen en/of geïndiceerd/voorgeschreven, aldus de huisarts.

5.3.

[eiseres] heeft een medicatieoverzicht van haar apotheek ingebracht en gesteld dat dat de huisarts in ieder geval sinds juli 2023 recepten heeft afgegeven voor infuuszakken met zoutoplossing.

5.4.

In dat overzicht komt tien keer receptuur voor infuuszakken met zoutoplossing voor met de huisarts als voorschrijvende partij. Het gaat om de periode tot 7 juli 2023 tot en met 18 december 2024 en eenmaal in februari 2026.

5.5.

Volgens de huisarts blijkt uit het apotheeksysteem dat de

herhaalrecepten voor infuuszakken met zoutoplossing sinds 5 februari 2025 door [gedaagde 1] zijn verzorgd. Dat kan de voorzieningenrechter niet uit het overzicht opmaken. Er staan in het overzicht in 2025 geen recepten met dergelijke infuuszakken vermeld. Wel staat in dat overzicht bij 5 februari 2025: “4ST INJ NACL 90MG=10ML KUNST NATRIUMCHLORIDE”. Kennelijk gaat het hier om injectiemateriaal (bedoeld voor het spoelen van de PICC-lijn?), maar dus niet om infuuszakken met zoutoplossing.

5.6.

Ter aanvulling op de feiten opgenomen in het tussenvonnis van 22 juni 2026:

5.6.1.

Bij [gedaagde 1] zijn twee cardiologen werkzaam, [cardioloog 1] en [cardioloog 2] . [cardioloog 1] is de behandelend arts van [eiseres] , [cardioloog 2] heeft in 2026 het (veelvuldige) e-mailcontact met [eiseres] verzorgd.

5.6.2.

[eiseres] heeft [gedaagde 1] op 27 januari 2026 geschreven:

“Volgende maand heb ik een afspraak met [cardioloog 1] om te bespreken hoe het gaat. Deze afspraak heb ik gemaakt, omdat de POTS steeds minder stabiel wordt.

Helaas gaat de achteruitgang vlotter dan gehoopt en ben ik alweer verschillende keren

flauwgevallen. Gisteren viel ik flauw en steeds als ik weer overeind probeerde te komen, viel ik opnieuw flauw na enkele minuten. Dat is niet zonder risico met mijn bloedverdunners en al het metaal in mijn rug. Daarom hebben wij contact opgenomen met de huisartsenpost en heeft deze na overleg een ambulance gestuurd. Ik heb na een kort ritje op de hartbewaking in [plaats 1] een liter NaCl gehad waarna ik weer naar huis mocht.

De artsen in het [gedaagde 3] geven aan dat [cardioloog 1] als behandelend arts de eerste persoon is waar ik verder mee moet overleggen. Omdat het flauwvallen steeds vaker gebeurt en de ambulance niet echt wenselijk is (ook niet wat betreft mijn energie), mail ik nu met de vraag of mijn telefonische afspraak kan worden verplaatst naar zsm en het liefst vandaag.”

5.6.3.

[cardioloog 2] heeft daarop dezelfde dag onder meer gereageerd:

“Help me een herinneren: wie heeft het infuus afbouwen bedacht en begeleid? Het lijkt erop alsof dat toch niet zo’n goed idee was. Wij kunnen niet faciliteren dat er weer een lijn gezet wordt, dat moet u regelen met wie dat destijds ging.

Vandaag bellen gaat niet. Heb u een plekje gegeven 30 januari om 11:15 uur.”

5.6.4.

Hierop antwoordde [eiseres] :

“Bedankt voor de snelle reactie.

De lijn is destijds afgebouwd onder druk van verschillende artsen, maar zonder begeleiding.

Helaas heeft u gelijk gekregen dat het geen goed plan was. Ontzettend balen.

Ik begrijp inderdaad dat jullie een nieuwe lijn niet kunnen plaatsen. Dat zal het [gedaagde 3] moeten doen. Gisteren waren ze best vriendelijk en open voor jullie suggesties.

Zou u een brief kunnen maken waarmee ik weer naar het [gedaagde 3] kan om te kijken of het lukt een nieuwe lijn te krijgen? Hopelijk kan dit op korte termijn allemaal, om een nieuw ambulanceritje te voorkomen.

Mij lijkt een getunnelde lijn het meest geschikt, omdat dit het laagste infectierisico heeft. Dat was eerder de reden dat het vocht af moest worden gebouwd.”

5.6.5.

Op 2 februari 2026 heeft [cardioloog 2] [eiseres] onder meer het volgende geschreven:

“Voor zover ik begrijp, is het beloop rond de PICC-lijn als volgt:

  • 2019: PICC-lijn via [betrokkene 3] in [gedaagde 3] zhs na advies [gedaagde 1]

  • 2021: Verzoek van [gedaagde 1] voor vervanging PICC-lijn (onder

  • verantwoordelijkheid huisarts)

  • 2023: NaCl infusie via jejunum sonde en verwijdering PICC-lijn

  • 2023: Herplaatsing van de PICC-lijn.

  • 2025: Verwijdering van de PICC-lijn.

Kunt u mij de specialistenbrieven over de periode 2023-2025 toesturen? Ik ga ervan uit dat deze afkomstig zijn van het [het academisch ziekenhuis] .

Daarnaast nog een vraag. U geeft aan dat de PICC-lijn destijds is afgebouwd onder druk van verschillende artsen. Kunt u aangeven om welke artsen het hierbij ging (namen)? Kunt u aangeven waarom er geen begeleiding is geweest bij het afbouwen van de lijn. Wie heeft de lijn verwijderd?

Wie schreef de infusie vloeistoffen voor en wie hing deze aan de lijn?

(…)

Pas met meer informatie kunnen we actie ondernemen. Graag het verzoek liefst binnen een dag te reageren, maar uiterlijk binnen 2 dagen.”

5.6.6.

Op 2 februari 2026 heeft [eiseres] [gedaagde 1] een document toegestuurd waarin onder meer staat:

“De internisten [van het [het academisch ziekenhuis] , vz.] hebben destijds ook aangegeven dat ik binnenkort zou overlijden als de lijn er niet uit ging. De zorg zou worden stopgezet, op controle van mijn behandelend (destijds) internist na. Het afbouwen an sich is zelfstandig gedaan, maar wel met tips en adviezen van [cardioloog 1] zelf.

Overig:

De infusievloeistoffen liepen via de huisarts. Nadat het ons is aangeleerd door de

thuiszorg en we toestemming kregen, hebben wij altijd zelfstandig de zorg voor de lijnen

gedaan. Bij problemen konden we altijd terugvallen op de thuiszorg. Dit was de meest

prikkelarme oplossing en gaf de meeste vrijheid.”

5.6.7.

Op 3 februari 2026 heeft [eiseres] [cardioloog 2] in antwoord op haar vragen, onder meer geschreven:

“De lijn hebben we uiteindelijk er zelf maar uitgehaald, want dat ging het [het academisch ziekenhuis] dan weer niet doen nadat ik hem al een aantal weken niet meer gebruikte en stabiel bleef.

Het herplaatsen van lijnen is altijd een probleem geweest en uiteindelijk vaak gedaan ‘uit de

goedheid van hun hart’. Daar zijn dan ook niet altijd brieven van terug te vinden. Dit is soms op indicatie van drVisser (zie brief) gedaan. Soms intern in ziekenhuizen geregeld en soms via een opname vanwege een infectie. Dit is terug te vinden in het overzicht dat ik gisteren heb verzonden.

(…)

“De rol van de huisarts in alles is in twee woorden samen te vatten: moeilijk doen.

Gisteren heb ik bijvoorbeeld nog contact gehad met de vraag of hij als tussenoplossing, tot jullie brief, mij ergens in wilde sturen voor een infuus met een liter nacl. Dan zou ik in elk geval weer even kunnen zitten (lees: naar het toilet kunnen) zonder direct flauw te vallen. Dat is echt slopend.

Helaas was hij hier niet toe bereid en geeft aan dat ik jullie brief af moet wachten.”

5.6.8.

[cardioloog 2] heeft [eiseres] op 3 februari 2026 onder meer geschreven:

“Ik denk dat het probleem is waar men [andere artsen, vz.] over valt het feit is dat u voldoende eten en vocht via sonde en oraal binnenkrijgt.

Wat en hoe er geschreven/gedaan gaat worden, moet u met [cardioloog 1] bespreken. Als er een infuus zou komen, zijn wij daar echter NIET verantwoordelijk voor, dat moet wel duidelijk zijn op voorhand.”

5.6.9.

Een arts van het ziekenhuis heeft op 5 februari 2026 aan [gedaagde 1] geschreven:

“Ik heb mevr. [eiseres] (9-11-1998) op de eerste hart hulp in het [gedaagde 3] gezien. Zij kwam hier vanwege aanhoudende collapsen bij haar POTS syndroom. Zij heeft hier 1L infuus gekregen waarna zij opknapte. Echter lijkt ons een langdurige oplossing middels weer opnieuw een lijn plaatsen passender. Graag het verzoek om deze tijdig aan te vragen.”

5.6.10.

[cardioloog 2] heeft het ziekenhuis op 6 februari 2026 geschreven:

“Het verzoek van mevrouw naar jullie is duidelijk. Zij is hiervoor op de EHH geweest voor collaps. Jullie hebben in 2019 de eerste toegang verzorgd en als jullie - zoals je aangeeft- een indicatie zien voor een lijn, dan lijkt me dat jullie dat moeten doen.

Let wel: de infusies gebeuren thuis, de huisarts schreef de infusie zakken voor en dat maakt dat wij hier niet de behandelaar over zijn. Maar voor mevrouw haar comfort, lijkt me dit opnieuw doen een goed idee. Mevrouw is overigens onder druk gezet om te stoppen door een aantal internisten in het [het academisch ziekenhuis] . Niet OK dus.”

5.6.11.

Een arts van het ziekenhuis heeft de huisarts op 6 februari 2026 geschreven:

“Beleid

iom [arts-specialist van het ziekenhuis] :

- Getracht [cardioloog 1] te bereiken: niet mogelijk (…)

- Ontslag naar huis

- Benoemd dat we niet tussen behandeling van [cardioloog 1] willen zitten en niet hier een lijn gaan aanvragen, gaan wel ontslagbrief naar [cardioloog 1] sturen met verzoek tot plaatsen van lijn.

Pte en moeder begrijpen dit, maar vinden (de vzr leest:) systeem frustrerend.”

5.6.12.

[cardioloog 1] van [gedaagde 1] heeft op 15 februari 2026 een verwijzingsbrief naar de huisarts gestuurd. Daarin staat onder meer:

“Bij deze verwijs ik uw patiënte: Mevr. [eiseres] wegens herplaatsing PICC lijn

(…)

Het belangrijkste is dat bij patiente de laatste PICC lijn in mei 2025 verwijderd is vanwege de kans op bacteriemie. Aanvankelijk ging het redelijk maar vanaf eind 2025/begin 2026 meerdere malen (near) collapsen gehad, waarvoor presentaties in het [gedaagde 3] ziekenhuis. Daarnaast is het ook van belang dat patiente zich na de NaCL infusie zich beter voelt en meer en langer overeind kan zijn.”

(…)

Samenvattend:

Gezien de recente toename van de collapsen, en het feit dat patiente zich na de

NaCl infusie zich beter voelt, lijkt het verstandig om de PICC lijn te herplaatsen en

weer NaCl te geven.”

5.6.13.

Op 23 en 24 februari 2026 is er contact geweest over na het geplaatst zijn van de PICC-lijn af te geven van machtigingen voor een Bodyguard infuuspomp, infuuslijnen en thuiszorg. [cardioloog 2] heeft [eiseres] op 24 februari 2026 geschreven:

“Geachte mw [eiseres]

Zoals aangegeven: aangezien het hier gaat over de thuissituatie en wij geen eerste lijn, doch tweede lijn zijn, doen wij dit niet. Momenteel ben ik slecht bereikbaar (verblijf buitenland) maar volgende week kan uw huisarts, uw radioloog of een andere arts (wellicht degene op wiens advies u de lijn eraf heeft gehaald waardoor deze situatie is ontstaan ZONDER overleg met ons) mij bellen voor overleg. In de tussentijd moet u een andere oplossing vinden. Wat ik niet begrijp: u had al vanaf 2019 een lijn zonder bemoeienis van ons. Wellicht kan die weg opnieuw worden bewandeld. In 2021 heeft [cardioloog 1] u eenmalig geholpen hiermee. Wij hebben u nu met een verwijzing geholpen, maar het probleem is door iemand anders veroorzaakt.

Mvrgr [cardioloog 2]”

5.6.14.

[eiseres] heeft op 24 februari 2026 [gedaagde 1] , de huisarts en het ziekenhuis onder meer geschreven:

“Naar aanleiding van een uitvoeringsverzoek van de cardioloog (zie bijlage) is afgelopen maandag bij mij een PICC-lijn geplaatst. Nu begreep ik bij het plaatsen dat er ook een machtiging moet komen t.b.v. [de leverancier van medische hulpmiddelen] voor de infuusbenodigdheden. Het spreekt voor zich dat ik niets aan een lijn heb zonder deze benodigdheden.

De interventieradioloog verwees mij hiervoor naar de huisarts, maar de huisarts vindt dit niet zijn taak en verwijst naar de cardioloog. Echter verwijst [gedaagde 1] weer terug naar u.

Het gevolg hiervan is dat ik nu niemand heb die deze machtiging voor mij wil maken. Ik schrijf “wil” omdat het evident is dat ik deze spullen nodig heb en het dus gaat om een administratieve handeling.

Ik stuur deze mail tegelijkertijd zowel naar mijn huisarts als naar de afdeling radiologie (met een kopie aan [gedaagde 1] ). Wilt u alstublieft met elkaar afstemmen wie deze machtiging gaat maken zodat ik de lijn ook kan gebruiken en ik materialen heb om deze te onderhouden?”

Medicatie (geen infuusvloeistof)

5.7.

[eiseres] vordert onder meer afgifte door [gedaagde 1] van herhaalrecepten voor de medicatie die zij in het kader van de behandeling van POTS (Posturaal Orthostatisch Tachycardie Syndroom) en MCAS (mestcelactivatiesyndroom) voorschrijft, waaronder famotidine, dexamethason en ivabradine.

5.8.

Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat andere artsen buiten [gedaagde 1] in deze medicatie zullen voorzien. Een arts verbonden aan ziekenhuis Bernhoven zal de medicatie voor MCAS voorschrijven en [eiseres] heeft een andere arts bereid gevonden haar dexamethason voor te schrijven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] verklaard voorlopig, bij wijze van bereddering, [eiseres] recepten voor ivabradine uit te schrijven in verband met POTS.

De verantwoordelijkheid van [gedaagde 1] en het ziekenhuis

5.9.

De voorzieningenrechter stelt bij de verdere behandeling het volgende voorop. Een behandelend arts dient de zorg van een goed hulpverlener in acht dient te nemen en dient te handelen overeenkomstig de voor hem geldende professionele standaard. Hij heeft een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen wat goede medische zorg voor een patiënt vereist en kan in beginsel niet verplicht worden een bepaalde behandeling uit te voeren of voort te zetten zonder dat hij hier achter staat. Het is vaste rechtspraak dat de rechter een beslissing van de arts daarover marginaal moet toetsen en dus niet op de spreekwoordelijke stoel van de arts kan gaan zitten.

5.10.

Het kenmerkende van deze casus is dat [gedaagde 1] en het ziekenhuis niet zo zeer op het standpunt staan dat zij weigeren een nog niet ingezette behandeling bij de patiënt op te starten of op medische gronden hebben besloten om een reeds ingezette behandeling te staken, maar dat zij menen dat zij gezien de met [eiseres] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomsten geen (verdere) verantwoordelijkheid hebben voor de (verdere) behandeling met via een PICC-lijn toe te dienen infusievloeistof.

De voorzieningenrechter komt tot een ander oordeel. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.11.

De voorgeschiedenis van de verantwoordelijkheden rond de behandeling van [eiseres] met infusievloeistof is (enigszins) mistig te noemen. Uit de ontslagbrief van het ziekenhuis van 12 juli 2019 gericht aan [cardioloog 1] lijkt te volgen dat het cardiologen van het ziekenhuis zijn geweest die behandeling met een PICC-lijn geïndiceerd hebben geacht.

Daarin staat namelijk:

“Na teambespreking alhier heeft zij een PICC lijn gekregen en is zij het hierbij benodigde thuiszorg naar huis ontslagen. Verdere poliklinische behandeling, overleg t.a.v. vakantie en medicamenteus beleid zal patiënte voeren met [cardioloog 1] .

Conclusie: POTS met frequente (near-)collapsen wv PICC lijn plaatsing voor toediening NaCl bolussen.”

Niet gesteld of gebleken is echter dat vanuit [gedaagde 1] vervolgen is geprotesteerd tegen de inhoud van de brief en daarin gestelde verdere poliklinische behandeling door [gedaagde 1] . [gedaagde 1] was in de periode daarna bekend met deze behandeling en heeft in 2021 nog een verwijzing uitgezonden voor het vervangen van de PICC-lijn – waarbij wel een voorbehoud is gemaakt voor de verantwoordelijkheid van [gedaagde 1] voor de plaatsing en lijnzorg – en was [gedaagde 1] ook bekend met het op enig moment afbouwen van die behandeling.

5.12.

In ieder geval blijkt uit de verwijzing naar de huisarts van 15 februari 2026 – die is gevolgd na intensief contact tussen [eiseres] en [cardioloog 2] – dat [cardioloog 1] het medio februari 2026 geïndiceerd achtte om de PICC-lijn te herplaatsen (en) om de infuusbehandeling met zoutoplossing weer mogelijk te maken. [gedaagde 1] heeft op 15 februari 2026 vervolgens een verwijzing voor plaatsing van een PICC-lijn afgegeven. Daarmee is [gedaagde 1] – binnen de grenzen van haar mogelijkheden – verantwoordelijk voor de omstandigheid dat [eiseres] dienovereenkomstig wordt behandeld. Deze verwijzing is weliswaar gericht aan de huisarts, maar niet gesteld is en ook nergens blijkt uit dat het de huisarts is geweest die [eiseres] vervolgens (uit eigen naam) naar het ziekenhuis heeft verwezen voor de herplaatsing van de PICC-lijn in verband met door de huisarts daarna te begeleiden infusiebehandeling, maar ook als dit anders zou zijn gaat daarmee de verantwoordelijkheid voor het in de verwijzing besloten liggende specialistisch-medische oordeel niet over op de huisarts.

Het moet [gedaagde 1] , gelet op wat [eiseres] daarover had meegedeeld, bovendien bekend zijn geweest dat de bereidheid van de huisarts was om mee te werken in ieder geval niet vanzelfsprekend was, althans dat de huisarts zich zeer terughoudend opstelde.

Dit alles schept een verantwoordelijkheid voor [gedaagde 1] jegens [eiseres] waar het de infuuszorg betreft waarop [gedaagde 1] kan worden aangesproken. Dat [eiseres] er mogelijk de hand in heeft gehad dat de brief bij het ziekenhuis terecht is gekomen doet daaraan niet af. [gedaagde 1] heeft als zorgprofessional de verantwoordelijkheid om te zorgen voor heldere, eenduidige communicatie.

5.13.

Het is dan ook aan [gedaagde 1] toe te rekenen dat het ziekenhuis van de verwijzing kennis heeft gekregen en dit heeft opgevat als de medische legitimatie die nodig is om een radioloog die PICC-lijn te laten plaatsen. Daarmee is het ziekenhuis een geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] aangegaan. Die omvat, anders dan het ziekenhuis meent, naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval ook de verantwoordelijkheid voor het inregelen van de met de PICC-lijn samenhangende nazorg.

5.14.

De omstandigheid dat het ziekenhuis een beleidsopvatting heeft die meebrengt dat bij haar werkzame cardiologen deze behandeling in beginsel niet geïndiceerd zouden achten doet hieraan niet af. De indicatie valt immers binnen de primaire verantwoordelijkheid van [gedaagde 1] . Ook de omstandigheid dat de communicatie tussen ziekenhuis en [gedaagde 1] ter zake niet optimaal is verlopen doet hieraan niet af. Zij ontheft zowel [gedaagde 1] als het ziekenhuis niet van hun deel van de verantwoordelijkheid. Zolang de behandeling wordt gecontinueerd raken deze verantwoordelijkheden elkaar en zouden ze op sommige punten elkaar zelfs kunnen overlappen. Ook de beleidsopvatting van het ziekenhuis dat machtigingen voor te verlenen thuiszorg enkel worden verstrekt voor thuiszorg na een klinische behandeling leidt niet tot een ander oordeel. Dat wordt als volgt uitgewerkt.

5.15.

[gedaagde 1] heeft de infusies met zoutoplossing voorgeschreven en is mede gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder dat is gebeurd uit dien hoofde verantwoordelijk voor de medische indicatie voor die behandeling en voor de vraag of voortzetting daarvan verantwoord is1. Dat [eiseres] heeft gepoogd haar eerdere behandelingen buiten beeld heeft te houden kan niet tot gevolg hebben dat [cardioloog 1] niet de professionele verantwoordelijkheid heeft voor zijn verwijzing. Ook de omstandigheid dat hij die naar de huisarts heeft gezonden brengt dat niet mee. Het gaat hier om medisch-specialistische zorg dit buiten het terrein ligt waarvoor een huisarts voorschrijvingsverantwoordelijkheid kan dragen. [gedaagde 1] heeft dat ook niet betwist.

Het ziekenhuis heeft daarnaast door het plaatsen van de PICC-lijn een eigen professionele verantwoordelijkheid gekregen voor de door haar perifeer aangebrachte centraal-veneuze toegang en de daarmee samenhangende lijnzorg. [gedaagde 1] had desgevraagd aan de betrokken behandelaars in het ziekenhuis kunnen en moeten uitleggen waarom plaatsing van een PICC-lijn nodig was. Het ziekenhuis had dat medische oordeel niet zonder meer hoeven over te nemen, maar heeft dit wel gedaan: zij heeft de PICC-lijn immers geplaatst.

5.16.

De in artikel 7:453 BW bedoelde professionele standaard verlangt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat vóórdat de ingreep wordt uitgevoerd duidelijk is wie voor welke onderdelen van het behandeltraject verantwoordelijk is, zeker in een geval waarin (a) de zorgverlener belast met de plaatsing van oordeel is dat zij dat gezien de aard van de verwijzing niet is, (b) de verantwoordelijkheidsverdeling of toedeling uit de tekst van de verwijzing of een begeleidend schrijven zelf niet duidelijk blijkt, (c) de verwijzing is gericht aan een andere arts – in dit geval de huisarts – dan de zorgverlener die de plaatsing moet uitvoeren en (d) geen sprake is van een begeleidend schrijven van die huisarts.

5.17.

In de Richtlijn Intravasculaire katheters van de Federatie Medisch Specialisten, waarnaar door [eiseres] is verwezen en die door de voorzieningenrechter wordt beschouwd als kenbron voor de in casus geldende medische standaard, wordt immers de aanbeveling gedaan om binnen de zorginstelling duidelijke afspraken te maken over de verschillende handelingen en verantwoordelijkheden rondom de zorg voor patiënten met een vorm van centraal veneuze toegang. Onder meer wordt aanbevolen afspraken te maken over de uit te voeren handelingen en individuele verantwoordelijkheden van de zorgverleners binnen de instelling bij eventuele problemen bij een patiënt met centraal veneuze toegang en een vaste verantwoordelijke aan te stellen voor de antistolling. De richtlijn noemt hierbij als onderwerpen: wie verantwoordelijk is voor de indicatiestelling, het inbrengen van de toegang, verzorgen van de toegang, wat er moet worden gedaan en door wie bij bepaalde complicaties zoals bijvoorbeeld lijnocclusie of hoe en door wie wordt de toegang verwijderd.2

5.18.

Weliswaar gaat het hier blijkens de richtlijn om afspraken binnen de zorginstelling, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient gelet op wat voornoemde richtlijn aanbeveelt over de ‘follow-up’ van alle typen centraal veneuze katheters de partij die op verzoek van een partij buiten de instelling een PICC-lijn – waarbij de aanbeveling analoog wordt toegepast – ten minste na te gaan bij de verwijzende partij of daarin wordt voorzien. Dit geldt te meer nu het ziekenhuis op het standpunt staat dat zij die nazorg gelet op de aard van de verwijzing niet zelf te hoeft leveren. 3 In de richtlijn staat immers ook: “Perifeer ingebrachte centraal veneuze katheters vragen de hoogste mate van specialistische expertise voor zowel de inbreng als de nazorg.” [eiseres] heeft er daarbij op gewezen dat de voor de plaatsing verantwoordelijke radioloog zelf ook dit oordeel is toegedaan. Dat blijkt uit een e-mail die deze radioloog op 19 juni 2026 naar [gedaagde 1] stuurde:

“Ik heb deze casus even neergelegd bij onze teamleider (…). Voor ons is het ook belangrijk om te weten dat wij niet zomaar patiënten behandelen zonder dat er iemand verantwoordelijk is voor de nazorg. Ze zal hier over terugkomen bij ons beiden als er meer duidelijkheid is.”

5.19.

De lijn is in het ziekenhuis geplaatst zonder dat is vastgelegd of nagegaan wie daarna de lijn zou verzorgen en controleren, wie bij complicaties zou optreden, wie de benodigde organisatorische en verpleegkundige zorg zou regelen en wie uiteindelijk verantwoordelijkheid zou dragen voor verwijdering. Het oordeel dat de verdeling van die verantwoordelijkheid voorafgaand aan de plaatsing van de PICC-lijn niet behoorlijk is ingeregeld en afgestemd is dan ook onontkoombaar. Dat is hier mede problematisch omdat [gedaagde 1] niet beschikt over de infrastructuur om de lijnzorg zelf gestalte te geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het ziekenhuis onder die omstandigheden de verantwoordelijkheid voor verzorging, controle, complicaties en, indien nodig, verwijdering van de door een van de bij haar werkzame artsen aangebrachte PICC-lijn niet zonder meer bij de verwijzende cardioloog kan leggen.

5.20.

Het ontbreken van afstemming vooraf brengt echter niet mee dat het ziekenhuis de gehele verantwoordelijkheid voor de behandeling van [gedaagde 1] heeft overgenomen. Deze houdt de verantwoordelijkheid voor de opvatting dat de keuze voor een PICC-lijn voor het (regelmatig kunnen) toedienen van een zoutoplossing in februari 2026 medisch geïndiceerd was en is daarmee ook de primair aangewezene om de vraag te beantwoorden of die medische indicatie nog steeds bestaat.

5.21.

Ter zitting heeft de behandeld cardioloog van [gedaagde 1] toegelicht inmiddels tot het inzicht te zijn gekomen dat de hier besproken intraveneuze behandeling niet langer medisch geïndiceerd is. Voor de beoordeling van de gevolgen van dit nieuwe inzicht zijn de volgende omstandigheden van belang:

  1. In februari 2026 heeft de cardioloog nog een verwijzing opgesteld die ertoe heeft geleid dat bij [eiseres] een PICC-lijn is geplaatst. Daaraan heeft ten grondslag gelegen dat die plaatsing (mede) uit een oogpunt van “comfort” – hetgeen moet worden opgevat als: verhoging van de kwaliteit van leven – was aangewezen.

  2. De PICC-lijn is geplaatst en wordt sindsdien – zij het zonder de in de richtlijnen voorziene omringende zorg – door [eiseres] gebruikt.

  3. Ten tijde van de eerdere zitting, heeft de cardioloog geen melding gemaakt van twijfel aan de medische indicatie, los van haar beperkingen waar het gaat om de technische (na)zorg, waarvoor [gedaagde 1] stelt geen verantwoordelijkheid te kunnen nemen.

  4. Niet gebleken is dat zich sindsdien een voor de indicatiestelling relevante wijziging in de medische toestand van [eiseres] heeft voorgedaan.

  5. Evenmin is het gewijzigde inzicht gebaseerd op een inmiddels gebleken patiëntspecifiek risico dat tijdelijke voortzetting van de behandeling medisch onverantwoord maakt.

Dit gegeven zijnde moet worden aangenomen dat de wijziging berust op een gewijzigd medisch inzicht van de cardioloog zelf. Zijn uitlatingen ter zitting geven dat ook aan.

5.22.

De professionele verantwoordelijkheid van de arts brengt, zoals hiervoor al is overwogen, mee dat hij niet gehouden kan worden een behandeling te blijven ondersteunen wanneer hij die naar zijn actuele professionele oordeel niet langer verantwoord of geïndiceerd acht. Dat impliceert dat een arts een eerder door hem gestelde indicatie op grond van voortschrijdend medisch inzicht niet langer passend kan achten. Die professionele ruimte neemt echter niet weg dat aan een ingrijpende wijziging van een reeds ingezette behandeling rechtens eisen van informatie, zorgvuldigheid en continuïteit zijn verbonden. [gedaagde 1] heeft niet weersproken dat het gevolg van het staken van de behandeling is dat [eiseres] veel meer tijd liggend zal moeten doorbrengen en dat dit haar kwaliteit van leven ernstig vermindert.

5.23.

Artikel 7:448 BW verplicht de hulpverlener de patiënt op duidelijke wijze te informeren over onder meer de voorgestelde behandeling en de ontwikkelingen omtrent de behandeling en de gezondheidstoestand. In een situatie als de onderhavige, waarin niet een wijziging in de toestand van de patiënt maar een wijziging in het professionele oordeel van de arts aanleiding vormt om een gedurende langere tijd door hemzelf geïndiceerde behandeling niet langer te ondersteunen, brengt die informatieplicht minst genomen mee dat voor de patiënt voldoende inzichtelijk wordt gemaakt waarop die gewijzigde beoordeling berust, zodat [eiseres] kan begrijpen welke (medische) overwegingen tot de wijziging hebben geleid en met de cardioloog kan spreken over de wijze waarop aan die wijziging gevolgen zullen worden verbonden voor haar behandeling. Dat geldt temeer wanneer, zoals hier, te verwachten is dat aan die koerswijziging voor de patiënt verstrekkende gevolgen zullen zijn verbonden.

5.24.

Bij beëindiging van een bestaande behandelrelatie verlangt de KNMG-richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ onder meer duidelijke communicatie, het in acht nemen van een redelijke termijn, het waarborgen van noodzakelijke hulp gedurende de overgang en medewerking aan het vinden en tot stand brengen van passende vervolgzorg. Een patiënt mag door de beëindiging niet verstoken raken van noodzakelijke hulp; het gaat daarbij volgens de KNMG om het garanderen van de continuïteit van zorg.

5.25.

Het verdere verloop van deze zaak hangt mede af van de opstelling die [eiseres] na de door de cardioloog aangekondigde koerswijziging wenst in te nemen. Zij kan verlangen dat de cardioloog zijn gewijzigde beoordeling nader inzichtelijk maakt en met haar bespreekt, waarna kan worden bezien welke consequenties daaraan voor de behandelrelatie moeten worden verbonden. Zij kan er ook voor kiezen zich erbij neer te leggen dat deze cardioloog de behandeling niet wil voortzetten en haar inspanningen richten op het vinden van een opvolgend behandelaar. 4

5.26.

Voor beide situaties geldt dat de behandeling niet van de ene op de andere dag kan worden afgebroken. Gelet op de duur en voorgeschiedenis van de behandeling, de afhankelijkheid van [eiseres] van de voor de uitvoering daarvan benodigde voorzieningen, de reeds ontstane impasse en de tijd die redelijkerwijs nodig is voor nadere bespreking dan wel het vinden van een opvolgend behandelaar, acht de voorzieningenrechter een overgangstermijn van vier maanden redelijk.

5.27.

Gedurende die termijn moet de noodzakelijke continuïteit van zorg worden gewaarborgd. In de omstandigheden van dit geval kan die continuïteit niet worden beperkt tot enkel de technische verzorging van de aanwezige PICC-lijn. De lijn is geplaatst om de door de cardioloog geïndiceerde behandeling met zoutoplossing ter bestrijding van de symptomen van orthostatische intolerantie (flauwvallen bij staan of rechtop komen) mogelijk te maken en daarmee de kwaliteit van leven van [eiseres] te verbeteren. Zolang niet aannemelijk is gemaakt dat de voortzetting daarvan voor [eiseres] op patiëntspecifieke medische gronden onverantwoord is, omvat de zorg voor continuïteit tevens het praktisch mogelijk houden van de tot dusver bestaande behandeling, waaronder het verstrekken van de daarvoor noodzakelijke machtiging(en) en het waarborgen van de lijnzorg.

5.28.

Daarmee wordt niet de opvatting aangehangen dat de behandeling ook voor de toekomst medisch geïndiceerd is. Het gaat hier om een tijdelijke voorziening als onderdeel van een zorgvuldig overgangsproces. Indien [eiseres] ervoor kiest een opvolgend behandelaar te zoeken, staat zij voor de aanzienlijke opgave een arts te vinden die bereid is de medische indicatie zelfstandig te beoordelen. Die opgave wordt bemoeilijkt doordat de tot dusver betrokken of benaderde artsen inmiddels tot het oordeel zijn gekomen dat de behandeling niet (langer) geïndiceerd is. In die situatie is van belang dat toegang wordt verkregen tot een ter zake deskundige behandelaar die de individuele situatie van [eiseres] , de ernst van haar klachten, het effect van de tot dusver gevolgde behandeling, en de daaraan verbonden risico’s waaronder complicaties die zich kunnen voordoen bij het gebruik van een PICC-lijn aan de hand van de beschikbare medische literatuur zelfstandig en met een ‘frisse blik’ beoordeelt.5

5.29.

[eiseres] is bekend met het feit dat aan het gebruik van een PICC-lijn risico’s zijn verbonden. In het verleden zijn bij haar vanwege complicaties immers meerdere keren PICC-lijnen of soortgelijke voorzieningen verwijderd en weer aangebracht. Haar aandrang op continuering van die zorg impliceert dat zij het risico daarvan accepteert.

Complicaties tijdens de overgangsfase

5.30.

Niet valt uit te sluiten dat zich tijdens de overgangsperiode opnieuw complicaties voordoen die verband houden met de aanwezigheid van die PICC-lijn. Mocht dat het geval zijn dan kan dit vonnis niet aan een medisch oordeel tot verwijdering van de PICC-lijn in de weg staan en kunnen [gedaagde 1] en het ziekenhuis op grond van de in dit vonnis gegeven voorzieningen ook niet worden aangesproken de vanwege de complicaties gestaakte behandeling te hervatten. Zover strekken die voorzieningen niet.

5.31.

Zoals namens de cardioloog ter zitting ook onder aandacht is gebracht kan [eiseres] haar zorgverzekeraar om actieve zorgbemiddeling verzoeken. Artikel 11 Zorgverzekeringswet vormt de wettelijke basis voor de zorgplicht van de verzekeraar. De NZa definieert die zorgplicht in haar Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw6 als:

“De verplichting van een zorgverzekeraar ervoor te zorgen dat een verzekerde de zorg (natura), of vergoeding van de kosten van zorg alsmede desgevraagd zorgbemiddeling (restitutie), krijgt waar hij behoefte aan en wettelijk aanspraak op heeft. Het gaat hierbij zowel om de inhoud en omvang van de (vergoeding van) zorg als om de kwaliteit, tijdigheid en bereikbaarheid van de verzekerde zorg.”

Voor complexe casuïstiek vermeldt de NZa op haar website uitdrukkelijk dat het mogelijk niet volstaat enkele alternatieven aan te bieden en dat de verzekeraar dan regie moet pakken om voor passend aanbod te zorgen.7 Dat kan inhouden dat de zorgverzekeraar in overleg treedt om met een of meer zorgaanbieders een aanbod passend voor de individuele verzekerde te realiseren en zo nodig een maatwerkarrangement te treffen.

5.32.

Het komt de voorzieningenrechter voor dat in deze casus – na een door [eiseres] gedaan verzoek als hiervoor omschreven – mag worden verwacht dat de verzekeraar zich actief inspant om de ontstane impasse te doorbreken en toegang te organiseren tot een daadwerkelijk onafhankelijke, patiëntspecifieke beoordeling. Pas dan kan een definitief besluit vallen of voortzetting van de behandeling geïndiceerd is.

5.33.

De voorzieningenrechter zal, als gezegd, de hierna te geven voorzieningen treffen met een looptijd van vier maanden. De voorzieningenrechter zal de zaak enige tijd pro forma aanhouden om een makkelijke ingang te bieden voor een vervolgzitting die kan worden gebruikt indien de zoektocht naar een alternatief als gevolg van de opstelling van een van de thans betrokken partijen niet op gang komt.

Ten aanzien van de huisarts

5.34.

De voorzieningenrechter zal de vorderingen tegen de huisarts afwijzen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de huisarts de behandeling met een PICC-lijn voor het toedienen van zoutoplossing niet heeft geïndiceerd en ook niet heeft voorgeschreven. Dat is, in ieder geval voor wat betreft de laatste PICC-lijn, gedaan door [gedaagde 1] in het kader van tweedelijnszorg. De betrokkenheid van de huisarts is enkel beperkt gebleven tot het enige tijd afgeven van recepten voor het verkrijgen van infuuszakken met zoutoplossing waarbij [eiseres] de nazorg al dan niet met assistentie van de thuiszorg zelf verrichte. Dit betrof feitelijk de periode voordat [eiseres] besloot te stoppen met deze behandeling in 2025 omdat het haar lukte dit af te bouwen en dit goed leek te gaan. Nadat [eiseres] in toenemende mate weer last kreeg van collapsen en begin 2026 meerdere keren op de spoedeisende hulp of eerste harthulp van het ziekenhuis belandde en een PICC-lijn is geplaatst heeft de huisarts nog eenmaal een recept afgegeven. Hoewel hij daarvoor geen verklaring heeft gegeven – de huisarts wilde immers niets met de verwijzing van [gedaagde 1] doen – is de voorzieningenrechter van oordeel de huisarts daarmee niet een verplichting naar zich toe heeft getrokken dit te blijven doen. De huisarts heeft ook verklaard dat hij met de kennis van nu de infuuszakken met zoutoplossing in de periode voor 2026 niet meer had voorgeschreven.

5.35.

De huisarts heeft terecht aangevoerd dat van een huisarts niet kan worden verlangd dat hij zonder zijn instemming (een deel van de) tweedelijnszorg van een medisch specialist overneemt. De huisarts heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de (na)zorg voor de PICC-lijn en de behandeling met zoutoplossing buiten zijn medische expertise valt. De huisarts heeft mede aan de hand van het Factsheet afspraken over tussentijdse nacontroles door medisch specialist en huisarts van de Federatie Medisch Specialisten en de Landelijke Huisartsenvereniging ook voldoende de juistheid van een door [eiseres] gestelde analogie weerlegd. Die analogie betrof een huisarts die injecties met antistollingsmiddel toedient in het kader van de nazorg van een heupoperatie door een medisch specialist. Uit het factsheet blijkt dat dit weliswaar na instemming door de huisarts mogelijk is, maar geen regel.

Proceskosten ( [eiseres] – Huisarts)

5.36.

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Die worden aan de zijde van de huisarts begroot op:

 € 341,- € 341,- aan griffierecht,

 € 341,- € 760,- aan salaris advocaat,

 € 341,- te vermeerderen met € 189,- aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

5.37.

Voor het overige wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de zaak met zaaknummer C/15/380780 / KG ZA 26-460 ( [eiseres] – de huisarts)

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.290,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak met zaaknummer C/15/378129 / KG ZA 26-262 ( [eiseres] - [gedaagde 1] )

6.4.

veroordeelt [gedaagde 1] – met oogmerk om het gebruik van de PICC-lijn gedurende vier maanden na dagtekening van dit vonnis te continueren in het kader van de onder 5.26 bedoelde overgangsfase – om binnen 24 uur na betekening van het vonnis:

 een machtiging af te geven aan [de leverancier van medische hulpmiddelen] ten behoeve van de materialen en de Bodyguard-infuuspomp die behoren bij de op 23 februari 2026 bij [eiseres] geplaatste PICC-lijn;

 ( (zo nodig na overleg met het ziekenhuis) een uitvoeringsverzoek af te geven aan [de thuiszorgorganisatie] ( [de thuiszorgorganisatie] ) ten behoeve van de technisch verpleegkundige thuiszorg rond

de op 23 februari 2026 bij [eiseres] geplaatste PICC-lijn;

 aan [eiseres] herhaalrecepten af te geven voor 1) de NaCl-infuusvloeistof voor toediening via de PICC-lijn en 2) ivabradine, telkens in een voor doorlopende behandeling gedurende de overgangsfase toereikende hoeveelheid;

6.5.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij, na ommekomst van de onder 6.4 gestelde termijn, met de nakoming van een of meer van die veroordelingen in gebreke blijft,

tot een gezamenlijk maximum van € 20.000,-;

in de zaak met zaaknummer C/15/380826 / KG ZA 26-462 ( [eiseres] - het ziekenhuis)

6.6.

veroordeelt het ziekenhuis om de zorg rond de PICC-lijn van [eiseres] gedurende vier maanden mogelijk te maken voor zover die naar het inzicht van de thuiszorg, dan wel de huisarts, dan wel de behandelend cardioloog nodig is en na ommekomst van die vier maanden

indien op andere wijze in de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de continuering van deze behandeling is voorzien:

- de zorg te continueren voor zover die gericht is op overname van de behandeling door die anderen;

indien de besluitvorming rond die behandeling ertoe strekt dat deze moet worden beëindigd:

- doen wat nodig is om dat op medisch verantwoorde wijze te doen plaatsvinden;

dit alles op straffe van een dwangsom van € 2.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij, na ommekomst van de onder 6.4 gestelde termijn, met de nakoming van een of meer van die veroordelingen in gebreke blijft, tot een gezamenlijk maximum van € 50.000,-;

in de zaken met zaaknummers C/15/378129 / KG ZA 26-262 ( [eiseres] - [gedaagde 1] ) en C/15/380826 / KG ZA 26-462 ( [eiseres] - het ziekenhuis)

6.7.

houdt de zaken pro forma aan tot 15 december 2026 met het sub 5.33 vermelde doel;

6.8.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

1998

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »