ECLI:NL:RBNHO:2026:13023

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/15/372560
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser vordert betaling van succes fees, maandelijkse fees en een vervolg fee in verband met het aantrekken van financiering voor gedaagde. Ook vordert eiser afgifte en inzage van stukken. Gedaagde vordert in reconventie terugbetaling van de reeds betaalde maandelijkse fees. De rechtbank oordeelt dat gedaagde een succes fee van € 84.375,= aan eiser is verschuldigd. De rechtbank wijst de vordering tot afgifte en inzage van stukken en de reconventionele vordering tot terugbetaling van de maandelijkse fees af en zal geen verklaring(en) voor recht geven met betrekking tot de vervolg fee.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/372560 / HA ZA 25-787

Vonnis van 16 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. M.S.J. Supičić,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOPS RECYCLING TECHNOLOGIES B.V.,

te Alkmaar,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: Dops,

advocaten: mr. M.A.L.M. Willems en mr. I.L.E. de Waard.

De zaak in het kort

Eiser vordert betaling van succes fees, maandelijkse fees en een vervolg fee in verband met het aantrekken van financiering voor gedaagde. Ook vordert eiser afgifte en inzage van stukken. Gedaagde vordert in reconventie terugbetaling van de reeds betaalde maandelijkse fees. De rechtbank oordeelt dat gedaagde een succes fee van € 84.375,= aan eiser is verschuldigd. De rechtbank wijst de vordering tot afgifte en inzage van stukken en de reconventionele vordering tot terugbetaling van de maandelijkse fees af en zal geen verklaring(en) voor recht geven met betrekking tot de vervolg fee.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 november 2025, met producties 1 tot en met 10,

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 34,

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 11 tot en met 16,

- het tussenvonnis van 18 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- de conclusie van eis tot afgifte bewijsstukken ex artikel 843 a Rv/inzage bewijsstukken ex artikel 85 lid 2 Rv, tevens houdende akte overlegging producties, tevens houdende eiswijziging,

- de akte uitlating producties tevens akte overlegging aanvullende producties 35 en 36, met een USB-stick, van deze zijde van Dops,

- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekening is gemaakt en waarbij door de advocaten van partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] houdt zich onder andere bezig met het geven van managementadvies voor alternatieve/duurzame beleggingen in beleggingsfondsen.

2.2.

Dops richt zich op het verrichten van technisch-wetenschappelijk onderzoek en het verwerken en recyclen van afval, grondstoffen en residuen.

2.3.

Op 7 april 2023 hebben partijen een engagement letter ondertekend in verband met de ondersteuning door [eiser] bij het aantrekken van financiering door Dops van een bedrag van € 5.000.000+ (hierna: “de Engagement Letter”).

2.4.

In de Engagement Letter zijn bepalingen opgenomen over een succes fee, een maandelijkse fee en een vervolg fee.

2.5.

Dops heeft op 13 april 2023 een e-mail aan [eiser] gestuurd met daarin een lijst met namen van potentiële investeerders met wie Dops al voor ondertekening van de Engagement Letter contact had (hierna: “de Uitgesloten Lijst”). Op de Uitgesloten Lijst zijn de volgende namen opgenomen: KplusV, INH, ROMInWest, Innovations Industries, SHIFT, CarbonFix en PVS-Insvestments (hierna: “de Uitgesloten Funders”).

2.6.

In de periode vanaf mei tot en met december 2023 heeft DOPS zeven keer een maandelijkse fee van € 5.000,= exclusief btw (in totaal € 35.000,= exclusief btw) aan [eiser] betaald.

2.7.

Op 18 maart 2025 heeft Dops een Share Subscription Agreement (hierna: “de SSA”) gesloten met INHPOC1 B.V., Energietransitiefonds B.V., InWest Transitiefonds B.V., Alphatron Holding B.V., CarbonFix B.V. en Init Power B.V. (hierna: “de Investeerders”), waarin de voorwaarden en modaliteiten van de in Dops te investeren bedragen zijn vastgelegd.

2.8.

Op 19 maart 2025 is de eerste betaling uit hoofde van de SSA ten bedrage van € 2.500.000,= bijgeschreven op de door Dops aangehouden rekening bij Rabobank middels overboeking van de derdengeldenrekening van de advocaat van Dops onder vermelding van “First Tranche Payment – Financing Round – Share Issue Dops B.V. Completion 250318 (…)”.

2.9.

Op 24 april 2025 heeft [eiser] een factuur van € 175.000,= exclusief btw met als omschrijving “Succes fee over € 5 mio funding. Advies, Introducties & Overige diensten van apr 2023 t/m apr 2025 (3,5% van € 5.000.000 = € 175.000”) aan Dops gestuurd. Dops heeft deze factuur niet betaald.

2.10.

Bij brief van 13 mei 2025 heeft (de toenmalige advocaat van) [eiser] Dops gesommeerd de succes fee van 3,5% over de totale funding en de maandelijkse fee uiterlijk op 20 mei 2025 te betalen.

2.11.

Dops heeft de Engagement Letter bij brief van 16 juni 2025 opgezegd.

2.12.

Op 8 januari 2026 heeft Dops een bedrag van € 3.962,70 inclusief btw en rente als succes fee aan [eiser] betaald voor het aanbrengen van Init Power.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Dops te veroordelen tot betaling van € 175.000,=, te vermeerderen met 21% btw, aan succes fee, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en de wettelijke handelsrente daarover vanaf 9 mei 2025, althans vanaf de dag der dagvaarding, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten;

II. Dops te veroordelen tot betaling van € 85.000,=, te vermeerderen met 21% btw aan maandelijkse vergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en de wettelijke handelsrente daarover vanaf de dag van opeisbaarheid, althans 9 mei 2025, althans vanaf de dag der dagvaarding, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten;

III. te verklaren voor recht dat Dops gehouden is de vervolg fee als benoemd in de Engagement Letter te betalen;

IV. Dops te veroordelen tot afgifte van bewijsstukken ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) / inzage in bewijsstukken ex artikel 85 lid 2 Rv, op straffe van een dwangsom, althans een in goede justitie te bepalen veroordeling;

V. Dops te veroordelen in de proceskosten, alsmede in de nakosten.

3.2.

Dops voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Dops vordert in reconventie bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. veroordeling van [eiser] tot betaling van € 35.000,=, te vermeerderen met btw en wettelijke rente vanaf 30 mei 2023, althans vanaf 8 november 2023, althans vanaf 17 januari 2026, althans vanaf 21 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening;

II. veroordeling van [eiser] tot betaling van € 1.125,= aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim, dus 17 januari 2026, althans vanaf 21 januari 2026;

III. te verklaren voor recht dat Dops uitsluitend gehouden is tot betaling van de vervolg fee aan [eiser] voor toekomstige investeringen door Init Power, voor zover sprake zal zijn van daadwerkelijke betaling aan Dops, gedurende een periode van drie jaar, te rekenen vanaf 18 maart 2025 (tot en met 18 maart 2028).

3.5.

[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Dops, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Dops in de proceskosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

Kern van het geschil is of Dops is gehouden tot betaling van enig bedrag aan [eiser] uit hoofde van de Engagement Letter.

4.2.

Gelet op de samenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.

Succes fee

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat Dops een succes fee aan [eiser] is verschuldigd van 3.5% over € 2.500.000,= minus de reeds betaalde succes fee inzake Init Power en zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Daarbij stelt de rechtbank eerst vast dat partijen zich over en weer hebben beroepen op hun algemene voorwaarden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen zich echter op het standpunt gesteld dat de discussie over de algemene voorwaarden niet relevant is, omdat daaraan geen rechtsgevolgen worden verbonden. Voor de beoordeling van dit geschil laat de rechtbank de algemene voorwaarden van partijen dan ook buiten beschouwing.

4.4.

In de Engagement Letter is de volgende regeling opgenomen met betrekking tot de betaling van een succes fee:

“The objective and remuneration is geared to the end-result of the funding for DOPS Recycling Technologies BV via a success fee. The success fee paid by CLIENT for the current fundraise round will be 3.5 % of any equity or debt funding, invested or committed. The performance fee duration will be for this funding round with a maximum of 2 years from the signing date. The amount of the success fee will be taken into account while fundraising. For funding above € 5 mio the success fee will decline to 3.0 %. All fees are excluding VAT if required.”

4.5.

Partijen verschillen van mening hoe de in r.o. 4.4 geciteerde bepaling moet worden uitgelegd. Vooropgesteld wordt dat de Engagement Letter een overeenkomst is en dat het bij de uitleg van de bepalingen van een overeenkomst niet slechts gaat om een (zuiver) taalkundige interpretatie – die overigens wel vaak van groot belang is – maar dat het daarbij tevens aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Steeds zijn daarbij van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.1

4.6.

De rechtbank leest de in r.o. 4.4. geciteerde bepaling aldus dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] in beginsel recht heeft op 3,5% over het bedrag van de daadwerkelijk aangetrokken financiering. De rechtbank neemt hierbij de letterlijke tekst als uitgangspunt. Dat de succes fee afhankelijk is van de inspanningen van [eiser] , zoals Dops heeft aangevoerd, is niet gebleken en volgt ook niet uit de tekst van de Engagement Letter. Van andere omstandigheden die tot afwijking van deze tekst nopen is evenmin gebleken.

4.7.

Partijen verschillen van mening over de vraag welk bedrag tot op heden aan financiering is gerealiseerd. [eiser] heeft aangevoerd dat het een bedrag van € 5.000.000,= betreft en heeft hiertoe verwezen naar persberichten en websites van enkele Investeerders en van Dops. Dops heeft betwist dat zij € 5.000.000,= heeft ontvangen en heeft aangevoerd dat een bedrag van € 2.500.000,= daadwerkelijk is geïnvesteerd. Dops heeft dit onderbouwd met de door haar overgelegde SSA, waaruit volgens haar blijkt dat alle bedragen boven € 2.500.000,= afhankelijk zijn van bepaalde modaliteiten die nog niet zijn behaald. Die bedragen zijn volgens Dops dan ook nog niet opeisbaar en het is nog maar de vraag of die ooit ter beschikking zullen worden gesteld. Volgens Dops blijkt ook uit het overgelegde afschrift van Rabobank van 19 maart 2025 dat zij € 2.500.000,= (en niet meer) heeft ontvangen. Zolang er geen onvoorwaardelijke betalingsverplichting bestaat voor bedragen boven € 2.500.000,= en Dops die bedragen niet heeft ontvangen, is Dops daarover geen succes fee verschuldigd aan [eiser] , aldus Dops.

4.8.

Uit artikel 2.1 van de SSA volgt dat er afspraken tussen Dops en de Investeerders zijn gemaakt over de (toekomstige) investering van bedragen boven € 2.500.000,= in de vorm van meerdere tranches. Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(b) Each Investor (other than INH) shall pay its relevant equity investment amount as set out

in Schedule 2 (Cap table) in two instalments, the First Tranche Payment on the Completion

Date in accordance with Clause 3.2(c), and a second instalment as part of the Third

Tranche Payment on the Third Completion Date in accordance with Clause 3.4, but only if

the conditions set out therein have been met.

(c) Each Additional Investor (if any) shall pay its relevant equity investment amount as set out

in as set out in Schedule 2 (Cap table) in two instalments, i.e. the Second Tranche Payment

on the Second Completion Date in accordance with Clause 3.3, and a second instalment

as part of the Third Tranche Payment on the Third Completion Date in accordance with

Clause 3.4, but only if the conditions set out therein have been met.”

4.9.

Niet gebleken is dat aan de in artikel 2.1 sub (b) en (c) van de SSA gestelde voorwaarden is voldaan en dat bedragen boven € 2.500.000,= onvoorwaardelijk aan Dops zijn toegezegd of betaald. Daartoe zijn de door [eiser] overgelegde persberichten van enkele Investeerders in ieder geval niet voldoende. Dat houdt in dat het geïnvesteerde bedrag van € 2.500.000,= in deze procedure als uitgangspunt zal worden genomen voor de berekening van de hoogte van de succes fee. De Engagement Letter bepaalt immers dat “(…) payment of success fee on total funding will be done within 14 days after funding” [onderstreping door rechtbank]. De rechtbank leest deze bepaling aldus dat de succes fee pas moet worden betaald als funding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en Dops de geïnvesteerde bedragen heeft ontvangen.

4.10.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of er voor de berekening van de succes fee bedragen van het geïnvesteerde bedrag van € 2.500.000,= dienen te worden afgetrokken, omdat die bedragen zijn geïnvesteerd door een Uitgesloten Funder. Dops heeft daarbij een beroep gedaan op de volgende bepaling uit de Engagement Letter:

“Any exclusion of funding names by the CLIENT needs to be contractually provided upfront as part of this contract to avoid any overlap or discussion afterwards. An efficient coordination is in the interest of both parties, because fundraising is an interconnected team effort.”

4.11.

In verband met de in r.o. 4.10 geciteerde bepaling uit de Engagement Letter heeft Dops op 13 april 2023 een e-mail aan [eiser] gestuurd met daarin de lijst met Uitgesloten Funders. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor geciteerde bepaling aldus moet worden uitgelegd dat Dops geen succes fee verschuldigd is over het gedeelte van € 2.500.000,= dat door een of meer Uitgesloten Funders is geïnvesteerd.

4.12.

Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [eiser] dat zij de e-mail van Dops van 13 april 2023 niet heeft ontvangen en dat de Uitgesloten Lijst daarom niet van toepassing is. Dops heeft die e-mail (van 13.49 uur) in antwoord op een eerdere e-mail van [eiser] (van 9.12 uur diezelfde dag) gestuurd naar het e-mailadres van [eiser] waar partijen altijd gebruik van maakten. Dops mocht er daarom op vertrouwen dat die e-mail op dat adres is aangekomen2.

4.13.

De rechtbank gaat ook voorbij aan het standpunt van [eiser] dat Dops de e-mail van 13 april 2023 te laat heeft verzonden, omdat de Uitgesloten Lijst volgens de Engagement Letter upfront beschikbaar moest worden gesteld. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt niet met zich mee dat de Uitgesloten Lijst ongeldig is uitsluitend omdat die pas na ondertekening van de Engagement Letter is verstuurd. Het upfront aanleveren had blijkens de tekst van de Engagement Letter immers tot doel “to avoid any overlap or discussion afterwards” en aan dat doel kan eveneens worden voldaan (en is in dit geval voldaan) als de Uitgesloten Lijst enkele dagen na de Engagement Letter wordt aangeleverd. Bovendien blijkt uit de e-mail van [eiser] aan Dops van 13 april 2023 dat [eiser] alsnog met de aanlevering instemde en heeft [eiser] op de mondelinge behandeling erkend niet door de te late aanlevering van de Uitgesloten Lijst te zijn geschaad.

4.14.

Bij de beoordeling welke door Uitgesloten Funders geïnvesteerde bedragen voor de berekening van de succes fee van het geïnvesteerde bedrag van € 2.500.000,= moeten worden afgetrokken, dient te worden vooropgesteld dat CarbonFix de enige Uitgesloten Funder is waarvan de (letterlijke) naam zowel voorkomt op de lijst van Investeerders in de SSA, als op de Uitgesloten Lijst. Dit betekent dat voor de berekening van de succes fee het bedrag dat door CarbonFix is geïnvesteerd in beginsel van het geïnvesteerde bedrag van € 2.500.000,= moet worden afgetrokken. Dops heeft echter niet duidelijk gemaakt welk bedrag CarbonFix heeft geïnvesteerd, ondanks dat de stelplicht ten aanzien van dit punt bij haar ligt. Voor zover Dops heeft verwezen naar de door haar in het geding gebrachte producties ter feitelijke onderbouwing van haar standpunt, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat een procespartij niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de in het geding gebrachte stukken, maar ook concreet moet maken welke stellingen zij op basis van die stukken inneemt en waar die stellingen in de stukken steun vinden of onderbouwd worden. Het ligt (dus) niet op de weg van de rechter (de onderbouwing van) een partijstandpunt af te leiden uit de betreffende producties. De Hoge Raad heeft in 2017 overwogen dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren.3 Omdat Dops dit niet heeft gedaan, kan de rechtbank niet beoordelen welk bedrag CarbonFix heeft geïnvesteerd en zal de rechtbank dit (onbekende) bedrag niet van het geïnvesteerde bedrag van € 2.500.000,= aftrekken voor de berekening van de succes fee.

4.15.

Dops heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het feit dat een aantal van de op de Uitgesloten Lijst opgenomen namen niet letterlijk overeenstemt met de in de SSA opgenomen namen van Investeerders er niet aan in de weg staat dat die partijen toch als Uitgesloten Funder moeten worden aangemerkt. Volgens Dops laten sommige van de Investeerders hun investering nou eenmaal lopen via een dochteronderneming, één van hun fondsen of een andere gelieerde partij en dienen die dochterondernemingen, fondsen of gelieerde partijen ook als Uitgesloten Funder te worden aangemerkt. Waarom de Uitgesloten Lijst aldus zou moeten worden opgerekt, heeft Dops niet toegelicht. Dit had wel op haar weg gelegen. De rechtbank is van oordeel dat de op de Uitgesloten Lijst opgenomen partijen zich niet (mede) uitstrekken tot hun dochterondernemingen, fondsen of gelieerde partijen.

4.16.

Dops betoogt verder dat zij geen succes fee verschuldigd is over Investeerders die op hun beurt zijn aangebracht door Uitgesloten Funders. Zo voert Dops aan dat Alphatron Holding B.V. is binnengehaald door CarbonFix. Omdat CarbonFix een Uitgesloten Funder is, is Dops ook geen fee verschuldigd over het door Alphatron Holding B.V. geïnvesteerde bedrag. De rechtbank is van oordeel dat Dops onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan de Uitgesloten Lijst in de door haar voorgestane zin moet worden opgerekt. Als Dops ook andere partijen als Uitgesloten Funder had willen aanmerken, dan had zij de namen van die andere partijen op de Uitgesloten Lijst moeten opnemen, dan wel daartoe een voorbehoud in de Engagement Letter moeten opnemen. Omdat zij dit niet heeft gedaan, is de Uitgesloten Lijst beperkt tot de letterlijk daarin opgenomen namen.

4.17.

Voor wat betreft de door IQ verstrekte financiering overweegt de rechtbank als volgt. Bij e-mail van 27 juni 2023 heeft [eiser] aan Dops geschreven:

“Prima om IQ zelf te bedienen. Het is voor mij alleen belangrijk om te zien hoe ze reageren en wat ze belangrijk vinden. Daarmee kan ik ook andere financiers overtuigen. Ik hoef geen fee of iets dergelijks als het jullie contact is. (…)”

4.18.

Met Dops is de rechtbank van oordeel dat partijen in de e-mail van 27 juni 2023 zijn overeengekomen dat IQ een Uitgesloten Funder is ondanks het feit dat IQ niet op de Uitgesloten Lijst staat, omdat [eiser] er in die e-mail mee heeft ingestemd dat Dops geen fee verschuldigd is als IQ zou investeren. Hoewel vaststaat dat IQ geld heeft geïnvesteerd, is evenwel niet duidelijk om welk bedrag het gaat. Dops heeft dit punt niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor in r.o. 4.14 is overwogen. Dat houdt in dat voor de berekening van het bedrag waarover de succes fee moet worden berekend het door IQ geïnvesteerde bedrag niet van het geïnvesteerde bedrag van € 2.500.000,= zal worden afgetrokken.

4.19.

[eiser] stelt dat Rabobank subsidies en/of een lening aan Dops heeft verstrekt die ook moeten worden meegeteld bij de berekening van het bedrag waarover de succes fee moet worden betaald. Volgens [eiser] heeft zij Rabobank benaderd en is Rabobank geen Uitgesloten Funder.

4.20.

Dops heeft de stellingen van [eiser] op dit punt gemotiveerd betwist. Volgens Dops heeft [eiser] geen enkele bemoeienis gehad met Rabobank. Bovendien is er volgens Dops sprake van een “innovatielening” wat in feite een subsidie is die afkomstig is van het Europees Fonds voor Research en Ontwikkeling. De betreffende gelden kwalificeren volgens Dops niet als equity or debt funding in de zin van de Engagement Letter en moeten dan ook niet worden meegeteld voor de berekening van de succes fee. [eiser] heeft dat standpunt van Dops niet weersproken, hetgeen wel op haar weg lag. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de betreffende innovatielening een subsidie is die niet onder de reikwijdte van de Engagement Letter valt en om die reden geen rol speelt bij de berekening van de succes fee.

4.21.

Vaststaat dat [eiser] Init Power als Investeerder heeft binnengehaald en dat [eiser] voor deze Investeerder recht heeft op een succes fee. Dops heeft aangevoerd dat Init Power mogelijk in totaal een bedrag van € 150.000,00 zal investeren, maar dat Init Power (slechts) een bedrag van € 89.285,71 daadwerkelijk heeft betaald en gecommitteerd. Daarom heeft [eiser] volgens Dops recht op een succes fee van € 3.962,70 (inclusief btw en rente), welk bedrag Dops op 8 januari 2026 aan [eiser] heeft betaald.

4.22.

[eiser] heeft deze betaling niet betwist. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat Init Power een bedrag van € 89.285,71 heeft geïnvesteerd en dat Dops de in verband daarmee te betalen succes fee al heeft voldaan. Het bedrag van € 3.125,= (exclusief btw en rente, zijnde € 3.962,70 inclusief btw en rente) zal dan ook in mindering strekken op de toe te wijzen succes fee.

4.23.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank een bedrag van € 84.375,00 aan succes fee aan [eiser] zal toewijzen, zijnde 3,5% x € 2.500.000,00 = € 87.500,= minus de reeds betaalde succes fee inzake Init Power van € 3.125,= (exclusief btw en rente).

Maandelijkse fees

4.24.

Tussen partijen is verder in geschil of [eiser] naast de succes fee ook een maandelijkse vergoeding is verschuldigd. De Engagement Letter bepaalt daarover het volgende:

“Sustainable Capital Partners delivers additional services on best effort basis:(…)For these ‘on request’ services in the funders approach we agree on a monthly fee of € 5.000,= ex VAT for every month DOPS Recycling Technologies will make use of these services as long as the services are needed with 1 month notice for termination. This monthly fee is an advisory fee and allowance for the necessary work during the fundraising process and comparable with approximately one workday per week.”

4.25.

Dops meent dat zij geen maandelijkse vergoeding aan [eiser] verschuldigd is, omdat die vergoeding ziet op “on request” diensten en [eiser] zulke diensten niet heeft verleend. Dops meent dat zij niet automatisch een monthly fee verschuldigd is. Dat Dops desalniettemin zeven keer een maandelijkse vergoeding heeft betaald, komt volgens haar omdat zij die vergoeding abusievelijk en dus onverschuldigd heeft betaald. De rechtbank volgt het standpunt van Dops niet. Dops heeft zeven facturen ontvangen en zonder protest volledig betaald. Bij gebrek aan een nadere toelichting van Dops is voor een beroep op onverschuldigde betaling geen plaats.

4.26.

De rechtbank volgt [eiser] evenmin in haar betoog dat zij nog recht heeft op een bedrag van € 85.000,= wegens maandelijkse vergoeding. De rechtbank volgt het standpunt van Dops dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat zij enige “on request” diensten voor Dops heeft verricht. [eiser] heeft daartoe geen urenspecificaties, opleverdocumenten of andere stukken overgelegd. [eiser] heeft ook geen facturen meer aan Dops gestuurd en heeft zich evenmin het recht voorbehouden dat op een later moment alsnog te mogen doen. Dat betekent dat de vorderingen in conventie en in reconventie op dit punt zullen worden afgewezen.

Vervolg fee

4.27.

[eiser] en Dops vorderen allebei een verklaring voor recht met betrekking tot de vervolg fee. De Engagement Letter bepaalt daarover:

“For future funding this contract will be valid and the success fee arrangement can be extended without further notice. For realised funding, this contract applies for further funding via this committed funding partner as well. Further funding by a funding partner raised by Sustainable Capital Partners will fall under this contract for 3 years after original funding date.”

4.28.

De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser] in conventie gevorderde verklaring voor recht dat Dops “gehouden is de vervolg fee als benoemd in de Engagement Letter te betalen” te ruim en onbepaald is geformuleerd. [eiser] heeft niet gevorderd dat de rechtbank vaststelt (en voor recht verklaard) hoe de hiervoor in r.o. 4.27 opgenomen bepaling moet worden uitgelegd, maar vordert – door de manier waarop zij de vordering heeft geformuleerd en het gebrek aan concretisering daarvan – in feite dat de rechtbank voor recht verklaart dat “wat er in de overeenkomst staat in de overeenkomst staat”. Daar is de verklaring voor recht niet voor bedoeld4. De rechtbank zal de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht in conventie dan ook afwijzen. Aangezien uit hetgeen in dit vonnis is overwogen blijkt dat de rechtbank het standpunt van Dops niet deelt dat Dops uitsluitend is gehouden een succes fee (en daarmee ook een vervolg fee) dient te betalen over door Init Power geïnvesteerde bedragen, zal de in reconventie gevorderde verklaring voor recht eveneens worden afgewezen.

Wettelijke handelsrente

4.29.

[eiser] vordert de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 9 mei 2025. Dops heeft de verschuldigdheid daarvan betwist en heeft aangevoerd dat zij een contractuele rente van Euribor + 5% per jaar verschuldigd is. Volgens Dops bedroeg de gebruikelijke driemaands Euribor op 9 mei 2025 2,124%. Aangezien [eiser] dit niet heeft betwist, zal een rentepercentage van 7,124% vanaf 9 mei 2025 aan [eiser] worden toegewezen.

Verstrekking van stukken

4.30.

[eiser] vordert op grond van artikel 843a Rv dan wel artikel 85 Rv verstrekking van de getekende SSA, een voucherovereenkomst van juni 2022 en alle relevante bankafschriften op straffe van een dwangsom. Dops verzet zich hiertegen.

4.31.

De rechtbank begrijpt dat [eiser] heeft bedoeld deze vordering te baseren op artikel 194 juncto artikel 195 Rv (in plaats van het niet langer van toepassing zijnde artikel 843a Rv) dan wel op artikel 85 Rv. Voor een recht op inzage of afschrift op grond van artikel 194 juncto artikel 195 Rv moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: (i) degene die informatie van een ander verlangt moet partij zijn bij een rechtsbetrekking, (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn, (iii) een partij moet een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en (iv) degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie beschikken. Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan de rechter een daartoe strekkende vordering alleen afwijzen als: (a) degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv toekomt, of (b) gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten.

4.32.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat er een bedrag van € 5.000.000,= is geïnvesteerd en beroept zich daarbij op publicaties in de pers en op de websites van bepaalde Investeerders. Dops betwist dit en voert aan dat slechts een bedrag van

€ 2.500.000,= is geïnvesteerd. Weliswaar zijn er volgens Dops afspraken gemaakt over een tweede en een derde tranche, maar de in verband daarmee gestelde voorwaarden zijn nog niet vervuld. Volgens Dops kan zij geen informatie verschaffen over bedragen die zij niet heeft ontvangen.

4.33.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] niet voldoende belang bij haar vordering tot inzage. De vordering tot inzage moet worden gezien in het licht van de

(hoofd-)vordering tot betaling van de succes fee. Zoals de rechtbank hiervoor in r.o. 4.9 heeft overwogen, is deze fee alleen verschuldigd als funding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft niet voldoende duidelijk gemaakt waarom zij de getekende SSA nodig heeft om te kunnen beoordelen of dat het geval is. Uit de SSA zal niet blijken of funding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarom wijst de rechtbank de vordering tot overlegging van “de investeringsovereenkomst van maart 2025” af. De vordering tot inzage van de voucherovereenkomst zal ook worden afgewezen, omdat Dops een getekende versie van een voucherovereenkomst als productie heeft overgelegd. [eiser] heeft evenmin voldoende duidelijk gemaakt welk belang zij heeft bij afgifte van het bankafschrift waaruit blijkt dat het bedrag van € 89.844,= als genoemd in die voucherovereenkomst is bijgeschreven op de rekening van Dops. Dops heeft de bijschrijving van dat bedrag immers niet betwist.

4.34.

De rechtbank gaat ook voorbij aan de betwisting door [eiser] van de authenticiteit van de hiervoor genoemde stukken. [eiser] heeft niet voldoende gesteld en onderbouwd dat de overgelegde “schedule cap table” pas in een later stadium aan de SSA zou zijn toegevoegd en dat het niet de oorspronkelijke tabel betreft. De enkele stelling van [eiser] dat niet alle pagina’s via docusign zijn ondertekend en dat er “to be attached” op een aantal pagina’s staat is daartoe in ieder geval niet voldoende.

4.35.

Voor inzage op grond van artikel 85 Rv is evenmin plaats. [eiser] heeft erkend dat Dops een kopie van de SSA als productie in het geding heeft gebracht, maar is van mening dat dat stuk niet volledig is en dat slechts een deel van het overgelegde stuk is getekend via docusign. Hetzelfde geldt volgens [eiser] voor de door Dops in het geding gebrachte voucherovereenkomst.

4.36.

Ingevolge artikel 85 Rv is degene die zich op een stuk beroept in de in dat artikel genoemde gevallen verplicht tot afgifte daarvan. Dops heeft de stukken waarop zij zich beroept wel degelijk in het geding gebracht. Dat [eiser] – samengevat – kanttekeningen bij die stukken en de authenticiteit daarvan plaatst, houdt niet in dat Dops op grond van artikel 85 Rv kan worden verplicht inzage in de door [eiser] verlangde stukken te geven.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.37.

[eiser] maakt in conventie aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (hierna: “het Besluit”). De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat een (aanzienlijk) gedeelte van de vordering wordt afgewezen, ziet de rechtbank echter aanleiding over te gaan tot forfaitaire begroting van de buitengerechtelijke kosten op basis van het in het Besluit bepaalde tarief over het verschuldigde bedrag, ermee rekening houdend dat pas na aanmaning is betaald. Dit betekent dat een bedrag van € 1.650,00 (exclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

4.38.

Dops maakt in reconventie aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Omdat de vorderingen in reconventie worden afgewezen, bestaat er geen grondslag om de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten – nog los van de vraag of deze voldoende zijn onderbouwd – toe te wijzen. Dit betekent dat deze vordering van Dops zal worden afgewezen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.39.

Dops heeft in conventie verzocht een eventueel veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering van [eiser] ziet op een aanzienlijk geldbedrag, terwijl volgens haar sprake is van een evident restitutierisico.

4.40.

Het is aan de rechtbank om te beslissen of het belang van [eiser] bij een uitvoerbaar verklaring bij voorraad in het licht van de omstandigheden van het geval zwaarder weegt dan het belang van Dops bij behoud van de bestaande toestand totdat op een eventueel rechtsmiddel is beslist. Hierbij staat voorop dat [eiser] wordt vermoed belang te hebben bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Dops heeft het door haar aangevoerde restitutierisico niet geconcretiseerd en onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis zwaarder weegt dan het (niet onderbouwde) belang van Dops. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.41.

[eiser] heeft in reconventie bezwaar gemaakt tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring, omdat er een reëel risico is dat [eiser] in een eventueel hoger beroep alsnog gelijk krijgt. Hoewel de motivering van het bezwaar (zeker) niet toereikend is, zal de rechtbank het bezwaar afwijzen omdat de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.42.

Dops is gedeeltelijk in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

148,04

- griffierecht

€

2.723,00

- salaris advocaat

€

5.770,00

(2 punten × € 2.885,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

8.789,04

4.43.

In reconventie is Dops eveneens in het ongelijk gesteld en Dops moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- salaris advocaat

€

836,00

(2 punten × factor 0,5 × € 836,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

984,00

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

veroordeelt DOPS om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 84.375,00, te vermeerderen met rente van 7,124% daarover met ingang van 9 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Dops in de proceskosten in conventie van € 8.789,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

In reconventie

5.3.

wijst de vorderingen van Dops af,

5.4.

veroordeelt Dops in de proceskosten in reconventie van € 984,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

In conventie en in reconventie

5.5.

veroordeelt Dops tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als Dops niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »