RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/379578 / HA ZA 26-412
Vonnis in incident van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
opposant in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R. Hartman,
tegen
MIDVAST B.V.,
te Amsterdam,
geopposeerde in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Midvast,
advocaat: mr. E.P. Brusse.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding met producties 1 tot en met 15 in de zaak met zaaknummer / rolnummer C15/376496 / HA ZA 26-214
- het door deze rechtbank op 6 mei 2026 tussen Midvast en [eiser] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer C15/376496 / HA ZA 26-214 (hierna ook: het verstekvonnis)
- de verzetdagvaarding met een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening
- de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 20 van [eiser]
- de conclusie van antwoord in het incident met producties van Midvast
- de akte uitlating producties in incident tevens overlegging productie 24 van [eiser]
- de akte uitlaten in het incident van Midvast
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 Uitgangspunten
In het verstekvonnis is [eiser] veroordeeld om een bedrag van € 76.481,39 te betalen aan Midvast uit hoofde van schadevergoeding en tot betaling van de beslagkosten (€ 4.105,05) en proceskosten (€ 7.662,10), een en ander te vermeerderen met wettelijke rente. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het verstekvonnis is op 12 mei 2026 aan [eiser] betekend door achterlating van een afschrift in een gesloten envelop aan het woonadres van [eiser] aan de [adres] in [plaats 1]. Op 13 mei 2026 is het verstekvonnis betekend aan ING bank NV, de hypotheekhouder.
In een e-mail van 22 mei 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan de deurwaarder meegedeeld dat [eiser] op 21 mei 2026 kennis genomen heeft van het verstekvonnis en daartegen op korte termijn verzet zal instellen. In deze e-mail is tevens verzocht om geen rechtsmaatregelen te nemen.
De deurwaarder heeft in een e-mail van 22 mei 2026 geantwoord dat hij de e-mail van de advocaat heeft doorgestuurd aan de advocaat van Midvast.
In een brief van 26 mei 2026 heeft de ING Bank [eiser] het volgende meegedeeld:
Wij hebben bericht gekregen dat Midvast BV in Rotterdam, vanwege een openstaande betalingsverplichting, executoriaal beslag heeft gelegd op uw woning met adres [adres] in [plaats 1]. Dit komt doordat u nog een bedrag aan Midvast BV moet betalen. De beslaglegger wil dat we uw woning gaan verkopen via een veiling. Wij begrijpen dat dit geen leuk bericht is. Wij leggen hieronder uit wat u moet doen om de verkoop via een veiling te voorkomen.
(…)
U kunt het beslag stoppen door de schuld aan de beslaglegger te betalen of een betalingsregeling af te spreken. Als dit niet lukt, neem dan direct contact met ons op. We bespreken dan met u hoe we uw woning onderhands via een makelaar kunnen verkopen. Bij een onderhandse verkoop is de opbrengst in de meeste gevallen namelijk hoger dan bij verkoop via een veiling. Voor een onderhandse verkoop heeft u wel toestemming nodig van ING en de beslaglegger.
Laat ons weten hoe u de veiling wilt voorkomen
Wilt u voor 1 juni 2026 contact met ons opnemen om te bepreken wat u gaat doen om een veiling te voorkomen?
In een e-mail van 5 juni 2026 heeft ING Bank aan de advocaat van [eiser] het volgende bericht:
U geeft aan dat u namens uw cliënt in verzet zult gaan tegen het vonnis en vraagt ING daarom nog geen executiemaatregelen op te starten. Bij deze bevestig ik u dat ING vooralsnog geen executiemaatregelen in gang zal zetten in afwachting van uw te ondernemen stappen.
Verder geef ik u aan dat ING de beslaglegger heeft laten weten dat het beslag vermoedelijk vexatoir is en gedwongen verkoop van het onderpand vermoedelijk geen resultaat zal geven
[eiser] heeft de verzetdagvaarding op 17 juni 2026 aan Midvast laten betekenen.
In een e-mail van 3 juli 2026 heeft de advocaat van Midvast aan de advocaat van [eiser] het volgende meegedeeld:
zoals ik heb aangegeven, heeft cliënte op dit moment niet de intentie om over te gaan tot het nemen van executiemaatregelen. Die bevoegdheid komt haar echter wel toe. Cliënte is bereid af te zien van verdere executiemaatregelen totdat in eerste aanleg een eindvonnis is gewezen, zulks onder de opschortende voorwaarde dat u uw vorderingen in het incident intrekt en die intrekking ook daadwerkelijk geschiedt.
3 De beoordeling in het incident
[eiser] vordert dat de rechtbank op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis gewezen op 6 mei 2026 tussen Midvast als eiseres en [eiser] als gedaagde onder zaak-/rolnummer C/15/376496/HA ZA 26-214 zal schorsen totdat in deze verzetprocedure zal zijn beslist, en zal bepalen dat Midvast executiemaatregelen per ommegaande moet opheffen en in voorbereiding zijnde executiemaatregelen moet staken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per voorval en € 1.000,00 per dag dat de executiemaatregelen voortduren, en met veroordeling van Midvast in de kosten van het incident.
[eiser] legt hieraan ten grondslag dat hij recht en belang heeft bij de verzochte voorlopige voorziening voor de duur van de procedure omdat Midvast kennelijk voornemens is executiemaatregelen door te zetten ondanks het feit dat is aangekondigd dat [eiser] tegen het verstekvonnis in verzet zal gaan. Het belang van [eiser] bij de gevraagde voorlopige voorziening weegt zwaarder dan het belang van Midvast om tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis over te gaan omdat [eiser] zijn woning dreigt te verliezen. Gelet op de moeilijke woningmarkt is nauwelijks een huurwoning te vinden indien de woning wordt verkocht. [eiser] is bovendien van oordeel dat het verstekvonnis geen stand kan houden en dat er na behandeling van de verzetprocedure dus geen betalingsverplichting op hem zal rusten. [eiser] heeft betwist dat hij niet daadwerkelijk verblijft op het adres [adres] in [plaats 1]. Dat de post naar een ander adres is verstuurd, is omdat [eiser] wordt geholpen bij zijn administratie.
Midvast voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn incidentele vordering, althans tot afwijzing van die vordering, althans tot afwijzing van de gevorderde last onder dwangsom, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident, te vermeerderen met wettelijke rente, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Volgens Midvast heeft [eiser] onvoldoende belang (in de zin van artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW)) bij zijn vorderingen, omdat Midvast het verstekvonnis niet ten uitvoer heeft gelegd en daar ook geen intentie toe heeft. Bovendien heeft Midvast geen executiemaatregelen genomen en heeft zij in deze fase ook niet de intentie om daartoe over te gaan. Midvast voert aan dat zij zowel telefonisch als via e-mail aan de advocaat van [eiser] heeft meegedeeld dat zij bereid is van haar bevoegdheid tot het nemen van executiemaatregelen af te zien totdat in de verzetzaak een eindvonnis is gewezen, op voorwaarde dat [eiser] zijn incidentele vordering zou intrekken. Zij wijst erop dat zij het verstekvonnis alleen maar heeft laten betekenen om de termijn waarbinnen [eiser] eventueel verzet kon instellen tegen het vonnis in te laten gaan en dat zij het vonnis op aanwijzing van de deurwaarder ook heeft doen betekenen aan de hypotheekhouder op grond van de artikelen 726 lid 2 jo. 508 Rv. Zij voert verder aan dat de advocaat van [eiser] weliswaar op 22 mei 2026 aan de deurwaarder heeft laten weten op korte termijn in verzet te willen komen tegen het verstekvonnis, maar dat daarover geen contact is opgenomen met Midvast of met haar advocaat. Dat [eiser] een brief van ING Bank van 26 mei 2026 heeft ontvangen was bij Midvast niet bekend en [eiser] heeft Midvast niet geïnformeerd over die brief. Als de rechtbank tot een belangenafweging komt, moet volgens Midvast worden meegewogen dat het niet aan Midvast is toe te rekenen dat er in de hoofdzaak geen verweer is gevoerd waardoor er een verstekvonnis is gekomen en dat [eiser] de mogelijkheid had om door zijn incidentele vordering in te trekken te bereiken dat Midvast zou afzien van het uitoefenen van haar executiebevoegdheid. Tot slot voert Midvast aan dat zij eraan twijfelt of [eiser] daadwerkelijk verblijft op het adres [adres] in [plaats 1], omdat hij stelt pas op 21 mei 2026 – tien dagen na de betekening van het vonnis aan dat adres – kennis te hebben genomen van het vonnis en omdat de brief van de hypotheekhouder is geadresseerd aan een adres in [plaats 2].
De rechtbank zal de vordering tot het schorsen van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis totdat in de verzetprocedure zal zijn beslist toewijzen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en kan voor de duur van de aanhangige bodemprocedure worden gegeven. [eiser] heeft, anders dan Midwest betoogt, een belang bij de door hem gevraagde voorlopige voorzieningen en dit belang van [eiser] bij schorsing van de tenuitvoerlegging totdat in de verzetprocedure uitspraak is gedaan weegt zwaarder dan het belang van Midvast om tot tenuitvoerlegging over te gaan. De rechtbank licht dit hieronder toe.
De advocaat van [eiser] heeft op 22 mei 2026 aan de deurwaarder laten weten dat [eiser] op korte termijn verzet zou aantekenen tegen het vonnis van 6 mei 2026 en daarbij verzocht of Midvast geen verdere rechtsmaatregelen wilde nemen. De deurwaarder liet diezelfde dag weten dat de mail zou worden doorgestuurd aan Midvast. Van de zijde van Midvast heeft [eiser] hierop geen reactie gekregen. Pas nadat de verzetdagvaarding met daarin de onderhavige incidentele vordering aan Midvast was betekend, heeft (de advocaat van) Midvast in een e-mail verklaard dat zij bereid was geen verdere executiemaatregelen te nemen, maar uitsluitend onder de voorwaarde dat [eiser] de incidentele vordering zou intrekken. In die e-mail bleef Midvast overigens wijzen op haar bevoegdheid om executiemaatregelen te treffen. Zeker in het licht van de brief van de hypotheekhouder, ING, die [eiser] inmiddels had ontvangen, gaf dit [eiser] onvoldoende zekerheid dat Midvast niet tot executiemaatregelen zou overgaan, waaronder de executoriale verkoop van de onroerende zaak. Bovendien heeft [eiser] ervoor gekozen de incidentele vordering niet in te trekken, zodat aan de door Midvast gestelde voorwaarde om geen verdere executiemaatregelen te treffen niet is voldaan. [eiser] heeft dus voldoende belang bij de door hem ingestelde incidentele vordering.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of een afweging van de belangen van partijen de gevorderde voorziening rechtvaardigt. [eiser] heeft er belang bij dat er hangende deze verzetprocedure geen onomkeerbare executiemaatregelen zullen plaatsvinden omdat het zijn woning betreft. Dat hij er niet daadwerkelijk woont heeft Midvast niet aannemelijk gemaakt. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van Midvast om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Midvast heeft zich, weliswaar onder voorwaarde, bereid verklaard om hangende deze procedure geen executiemaatregelen te nemen uit hoofde van het verstekvonnis. Aangezien de gestelde voorwaarde uitsluitend zag op intrekking door [eiser] van de onderhavige incidentele vordering, moet worden aangenomen dat Midvast niet in haar belangen wordt geschaad bij toewijzing van de vordering. Hetgeen Midvast in haar conclusie van antwoord in het incident over de belangenafweging heeft aangevoerd maakt dit oordeel niet anders.
De vordering om te bepalen dat Midvast de executiemaatregelen per direct moet opheffen en in voorbereiding zijnde executiemaatregelen moet staken op straffe van een dwangsom zal de rechtbank afwijzen. Zolang de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is geschorst is het voor Midvast niet mogelijk (verdere) executiemaatregelen te nemen tegen [eiser] en kan de onroerende zaak waarop het beslag rust dus ook niet executoriaal worden verkocht. Daarom heeft [eiser] geen belang bij dit deel van het gevorderde.
Omdat Midvast ongelijk krijgt zal zij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld. Als zij eerder had gereageerd op de e-mail van de advocaat van [eiser] die door de deurwaarder aan haar was doorgestuurd en onvoorwaardelijke zekerheid had gesteld dat geen verdere executiemaatregelen zouden worden genomen had zij de kosten van dit incident kunnen besparen. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van [eiser] tot nu toe op:
Salaris advocaat € 653,00
Nakosten € 178,00
Totaal € 831,00
4 De beslissing
De rechtbank
in het incident
schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis gewezen op 6 mei 2026 tussen Midvast als eiseres en [eiser] als gedaagde onder zaak-/rolnummer C/15/376496/HA ZA 26-214 totdat in de onderhavige procedure zal zijn beslist,
veroordeelt Midvast in de proceskosten van [eiser] van € 831,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval dit vonnis wordt betekent,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 7 oktober 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,
houdt iedere verdere beslissing aan.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. |
||
1155