ECLI:NL:RBNHO:2025:16023

Datum uitspraak
31-12-2025
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
11336737
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De passagier heeft zijn vorderingsrecht rechtsgeldig overgedragen aan Airhelp. De handtekening komt voldoende overeen en de cessie is voldoende bepaald. Toepassing artikel 7 lid 2 onder c van de Verordening (50%).

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11336737 \ CV EXPL 24-7004

Uitspraakdatum: 31 december 2025

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Airhelp Germany GmbH gevestigd te Berlijn (Duitsland)

eiseres

hierna te noemen: Airhelp

gemachtigde: mr. D.E. Lof

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands rechtCathay Pacific Airways Limitedgevestigd te Hong Kong

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. de Wijs

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;- het vonnis in incident van 22 januari 2025;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 1 mei 2024 vervoeren van Amsterdam Schiphol via Hong Kong naar Kaohsiung (Taiwan).

2.2.

De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.

2.3.

Airhelp heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

Airhelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2024;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Airhelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 (artikel 7 van de Verordening).

3.3.

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Een rechtsgeldige cessie moet aan twee constitutieve vereisten voldoen, te weten een akte van cessie en een mededeling daarvan aan de debiteur.1 Aan het mededelingsvereiste is voldaan toen de cessie in deze procedure ter kennis van de vervoerder is gebracht. De vervoerder betwist echter dat het Assignment Form een geldige cessieakte is. Hij heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat niet valt te verifiëren of de handtekening daadwerkelijk door de passagier is gezet.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat de handtekening op het Assignment Form in voldoende mate overeenkomt met de handtekening van de passagier op zijn paspoort, en ziet daarom geen aanleiding om aan de echtheid van de handtekening te twijfelen. Dat in een andere kwestie de passagier ontkende dat hij Airhelp opdracht had gegeven de compensatie te innen, leidt niet tot de conclusie dat ook in dit geval aan de echtheid van de handtekening moet worden getwijfeld.

4.4.

Verder heeft de vervoerder betwist dat het Assignment Form voldoende bepaald is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het formulier niet vermeldt wie de schuldenaar is en dat bovendien onduidelijk is of het een vordering betreft uit hoofde van voorliggende vlucht. Enkel de vermelding van een boekingsreferentie is volgens de vervoerder onvoldoende specifiek.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat de bepaalbaarheidseis niet zover gaat dat de vordering in de cessieakte gespecificeerd dient te worden door vermelding van bijzonderheden als de naam van de debiteur. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.2 Dat is het geval. In dit geval kan namelijk worden vastgesteld om welke vlucht het gaat aan de hand van (bijvoorbeeld) de dagvaarding, waarin de vluchtgegevens staan vermeld. De vervoerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat boekingsreferenties daadwerkelijk meerdere keren bij dezelfde passagiers en dezelfde luchtvaartmaatschappij worden hergebruikt. De enkele niet onderbouwde stelling dat dit theoretisch gezien mogelijk zou zijn is daartoe onvoldoende. De boekingsreferentie vormt aldus voldoende ‘koppeling’ tussen de akte van cessie en de boekingsdocumenten van de passagier.

4.6.

De conclusie is dat het voldoende aannemelijk is dat de passagier zijn eventuele vorderingsrecht aan Airhelp heeft overgedragen. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder faalt.

4.7.

De vervoerder heeft geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan, zodat hij in beginsel compensatie verschuldigd is. Ten aanzien van de hoogte van de verschuldigde compensatie heeft de vervoerder aangevoerd dat er op grond van artikel 7 lid 2 onder c van de Verordening aanleiding bestaat om het in lid 1 van dat artikel genoemde compensatiebedrag met 50% te verminderen. Airhelp heeft dit niet betwist, zodat een bedrag van € 300,- aan compensatie zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onweersproken toewijsbaar.

Proceskosten

4.8.

De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Airhelp worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

135,97

- griffierecht

€

328,00

- salaris gemachtigde

€

246,00

(3 punten × € 82,00)

- nakosten

€

41,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

750,97

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan Airhelp van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 750,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »