RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12119259 \ LC EXPL 26-348
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
de stichting
WOONSTICHTING CENTRADA,
handelend onder de naam Centrada,
gevestigd in Lelystad,
eisende partij,
hierna te noemen: Centrada,
gemachtigde: mr. T. Mulder, advocaat in Almere,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen, advocaat in Almere.
1 De procedure
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 20 van Centrada;- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
- de aanvullende producties 21 tot en met 23 van Centrada;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de producties 1 en 2 en een videofragment van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 10 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de akte met twee aanvullende producties van [gedaagde] ;
- de antwoordakte van Centrada.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2 De zaak in het kort
Vanaf 2 mei 2007 heeft Centrada de woning aan de [adres] in [plaats] aan [gedaagde] verhuurd. Op 17 oktober 2025 heeft Centrada de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. In deze procedure beslist de kantonrechter dat die ontbinding rechtsgeldig is. [gedaagde] moet de woning verlaten.
3 De beoordeling
Op grond van artikel 7:231 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een verhuurder een huurovereenkomst ontbinden op de grond dat door gedragingen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde de openbare orde ernstig is verstoord en het gehuurde daarom op grond van artikel 174a van de Gemeentewet is gesloten.
Op 20 januari 2025 en 9 oktober 2025 hebben er zich explosies voorgedaan bij de door [gedaagde] gehuurde woning. Beide keren heeft de burgemeester van de gemeente [.] de woning voor korte duur gesloten (bij besluit van 20 januari 2025 voor een week en bij besluit van 9 oktober 2025 voor twee weken) op grond van artikel 174a van de Gemeentewet. Tijdens de eerste sluiting heeft Centrada op 23 januari 2025 de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Na een gesprek met [gedaagde] op 29 januari 2025 heeft Centrada besloten haar een tweede kans te geven, waarna de huurovereenkomst is voortgezet. Tijdens de tweede sluiting heeft Centrada op 17 oktober 2025 opnieuw de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Deze ontbinding wordt door haar gehandhaafd.
[gedaagde] voert aan dat zij (onder andere) tegen het sluitingsbesluit van de burgemeester van 9 oktober 2025 bezwaar heeft aangetekend. Tegen de beslissing op bezwaar van 3 februari 2026, waarbij de burgemeester het sluitingsbesluit in stand heeft gelaten, heeft [gedaagde] beroep ingesteld. Dit verweer kan haar niet baten. Zolang een bestuursrechtelijk besluit niet is vernietigd of geschorst, moet de burgerlijke rechter uitgaan van de rechtsgeldigheid daarvan (op grond van de leer van de formele rechtskracht). Voor toepassing van artikel 7:231 lid 2 BW is niet vereist dat het sluitingsbesluit onherroepelijk is geworden. Als een sluitingsbesluit later wordt ingetrokken of vernietigd, doet dat niet af aan een rechtsgeldige buitengerechtelijke ontbinding.
De vraag of de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW rechtsgeldig is, moet worden beantwoord aan de hand van het volgende toetsingskader (HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587). Voor gebruikmaking van de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW is, anders dan bij een ontbinding op grond van artikel 6:265 BW, niet vereist dat sprake is van een tekortkoming van de huurder in de nakoming van de huurovereenkomst. Als een huurder zich niet neerlegt bij een buitengerechtelijke ontbinding, zoals in dit geval, moet de rechter beoordelen of de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW) en of de verhuurder zijn bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (artikel 3:13 BW). Artikel 8 EVRM brengt mee dat, in het geval van niet zuiver particuliere verhuur, de huurder er aanspraak op heeft dat de rechter de proportionaliteit van het definitieve verlies van de woonruimte toetst. In de belangenafweging kunnen onder meer worden betrokken de aard en ernst van de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van de woning door het bevoegd gezag en in hoeverre de huurder een verwijt kan worden gemaakt van deze feiten en omstandigheden. Indien in de woning ook kinderen wonen, moeten ingevolge artikel 3 lid 1 IVRK hun belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking te worden genomen.
Niet gesteld of gebleken is dat Centrada haar bevoegdheid zou hebben misbruikt, zodat deze grond onbesproken kan blijven.
De kantonrechter is van oordeel, anders dan [gedaagde] meent, dat het gebruikmaken van de bevoegdheid tot ontbinding door Centrada naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar en niet disproportioneel is. Zij licht dat hierna toe.
In een jaar tijd zijn er twee explosies geweest bij de door [gedaagde] gehuurde woning. Dit zijn ernstige incidenten. Zulk (herhaald) geweld zorgt voor gevaar en (gevoelens van) onveiligheid in de directe woonomgeving. Centrada is als sociale woningstichting verplicht te zorgen voor rustig en ongestoord woongenot van anderen. Centrada heeft er dan ook belang bij om op te kunnen treden als bij een van haar woningen de openbare orde wordt verstoord en een gevaarzettende situatie wordt veroorzaakt. Door in een dergelijk geval de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, kan Centrada ervoor zorgen dat de woonomgeving weer veilig en rustig wordt.
[gedaagde] verklaart dat de oorzaak voor beide explosies haar onbekend is en dat haar geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Die verklaring volgt de kantonrechter niet.
Uit de bestuurlijke rapportage van de burgemeester van 9 oktober 2025 blijkt dat er begin oktober 2025 een conflict gaande was waarin haar meerderjarige zoon [A (voornaam)] een rol speelde. Bij de politie zijn er toen meldingen binnengekomen van een vechtpartij en mishandeling waarbij [A (voornaam)] betrokken was. [A (voornaam)] heeft aan de politie verklaard dat hij werd afgeperst. Het is dan ook goed denkbaar dat de woning waar [A (voornaam)] regelmatig verbleef bewust een doelwit is (geweest). [gedaagde] was, zo blijkt uit haar contacten met de politie, op de hoogte van het conflict. Zij heeft toegestaan dat haar zoon bij haar in de woning bleef komen. Daarmee heeft zij het risico op gewelddadige acties rondom haar woning op de koop toegenomen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt verder dat [gedaagde] zich kennelijk met het conflict is gaan bemoeien. Enkele uren na de explosie ontving de politie een melding van een mogelijk opzettelijke aanrijding door een auto. In de betrokken auto werd [gedaagde] als bestuurster aangetroffen, in het bijzijn van [A (voornaam)] . [gedaagde] heeft vervolgens geruime tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. De stellingen dat dit een volledig ander incident betrof en dat [gedaagde] nergens wat vanaf weet, zijn zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ongeloofwaardig.
[gedaagde] stelt dat zij een groot belang heeft bij behoud van de woning. Zij is een alleenstaande moeder die de zorg draagt voor een minderjarig kind. Volgens Centrada woont [gedaagde] niet in de woning of heeft zij daar in ieder geval niet haar hoofdverblijf. De kantonrechter is gebleken dat partijen hierover al eerder een discussie hebben gehad. Op verzoek van Centrada heeft [gedaagde] begin 2025 bankafschriften bij Centrada aangeleverd op basis waarvan Centrada concludeerde dat het aannemelijk was dat [gedaagde] in de woning woonde of er vaak kwam. Centrada voert aan dat zij daarna opnieuw signalen kreeg dat [gedaagde] niet in de woning woont waarna zij weer een onderzoek is opgestart. Centrada heeft hiervan documentatie aangeleverd. In het licht van deze documentatie waarin staat dat [gedaagde] op verschillende momenten niet werd aangetroffen, buren aangaven haar niet of niet vaak te zien en de woning een onbewoonde indruk maakte, had van [gedaagde] verwacht mogen worden dat zij haar stelling dat zij en haar minderjarige kind hun hoofdverblijf hebben in de woning op enige wijze had onderbouwd. Bijvoorbeeld door opnieuw recente bankafschriften over te leggen waaruit volgt waar zij boodschappen doet of tankt in de buurt van de woning, of door verklaringen van buren over te leggen. Omdat [gedaagde] niets heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij en haar minderjarige kind afhankelijk zijn van deze woning, kan van het gestelde woonbelang niet worden uitgegaan.
Gelet op al deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Centrada bij de gevorderde ontruiming zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij het behoud van de woning.
In het kader van artikel 8 EVRM geldt dat de buitengerechtelijke ontbinding en ontruiming in de wet is voorzien (artikel 7:231 lid 2 BW) en een legitiem doel kent, namelijk het voorkomen van de negatieve invloed van gewelddadige acties op de woonomgeving van omwonenden. De ontbinding en ontruiming zijn een geschikt middel om dat doel te bereiken. Niet gesteld of gebleken is dat met een minder ingrijpende maatregel, die even effectief is, hetzelfde doel kan worden bereikt. Zoals hiervoor geoordeeld weegt in dit concrete geval het belang van Centrada zwaarder dan dat van [gedaagde] . Dit betekent dat de ontbinding en ontruiming proportionele maatregelen zijn.
De conclusie is dat de (primair) gevorderde ontruiming wordt toegewezen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op 14 dagen na betekening van het vonnis.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Centrada worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 139,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2,5 punt x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 1.156,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan haar toebehoren en niet aan Centrada, en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Centrada te stellen;
verbiedt [gedaagde] de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.156,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. |
||
13702