RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12216017 \ UE VERZ 26-186
Beschikking van 7 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.W. Menkveld,
tegen
RANDSTAD UITZENDBUREAU B.V.,
te Diemen,
verwerende partij,
hierna te noemen: Randstad,
gemachtigde: mr. I. Ghazarian.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De kern van de zaak
[verzoeker] heeft op basis van een uitzendovereenkomst met Randstad magazijnwerkzaamheden verricht bij HEMA. Tijdens het verrichten van die werkzaamheden zou [verzoeker] schade aan haar linkerduim hebben opgelopen, maar de kantonrechter is van oordeel dat dit niet is komen vast te staan. Dit wordt hierna uitgelegd.
3 De beoordeling
De kantonrechter behandelt het verzoek inhoudelijk
[verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de aansprakelijkheid van Randstad. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Er is niet komen vast te staan dat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden
[verzoeker] stelt dat zij op 6 mei 2022 schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden bij HEMA en verzoekt een verklaring voor recht dat Randstad daarvoor als formele werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Randstad betwist dat sprake is geweest van een arbeidsongeval in de uitoefening van de werkzaamheden.
Voor een geslaagd beroep op artikel 7:658 BW dient [verzoeker] te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. [verzoeker] hoeft niet de exacte toedracht van het ongeval te bewijzen, maar wel dat de schade is ontstaan tijdens het verrichten van de werkzaamheden.1 De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] daar niet in is geslaagd.
De kantonrechter merkt allereerst op dat (de advocaat van) [verzoeker] in het verzoekschrift niets heeft gezegd over de toedracht van het ongeval, behalve dat [verzoeker] tijdens haar werkzaamheden haar duim heeft verdraaid. [verzoeker] verwijst weliswaar naar een door haar verstuurd bericht op 8 mei 2022 aan Randstad, maar ook daar volgt niet uit wat er (mogelijk) is gebeurd. In het bericht staat, voor zover relevant:
“On Friday while working my left hand thumb twisted and right hand muscle pulled (…)”.
Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] – desgevraagd - meer informatie over het gestelde arbeidsongeval gegeven. Het ongeval zou bij het dichtplakken van een doos zijn gebeurd, toen de plakbandroller zou hebben gehaperd. [verzoeker] heeft verder gesteld dat zij zich na het ongeval bij haar manager heeft gemeld. Randstad heeft beide stellingen gemotiveerd betwist.
Vaststaat dat het gestelde ongeval niet door (een van) haar collega’s is gezien. Ook is niet gebleken dat [verzoeker] onmiddellijk na het gestelde ongeval hiervan mededeling heeft gedaan aan (een van) haar collega’s of haar leidinggevende. Verder is van belang dat [verzoeker] zich na het gestelde ongeval niet eerder dan op 3 juni 2022 (bijna een maand later) bij de huisarts heeft gemeld. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat zij enkel telefonisch contact met de huisarts heeft gehad, omdat zij er niet eerder dan 3 juni 2022 terecht kon. Terecht wijst Randstad er op dat dit telefoongesprek – anders dan andere telefoongesprekken – niet is opgenomen in het door [verzoeker] overgelegde huisartsenjournaal.
Meegewogen wordt dat uit de door [verzoeker] overgelegde medische informatie volgt dat zij vóór het gestelde arbeidsongeval al klachten had aan haar linkerduim. Uit het huisartsenjournaal van 26 april 2022 (dus vóór het gestelde arbeidsongeval) volgt onder meer:
“vraag om urinezuur bij lab ivm pijn li hand duim. Heeft al maanden last en sinds paar dgn toename. Heeft nu 2 dgn brace”
Uit de medische informatie van ná 26 april 2022 volgt bovendien niet dat de klachten het gevolg zouden zijn van een door [verzoeker] overkomen arbeidsongeval.
Het voorgaande betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] op 6 mei 2022 een arbeidsongeval is overkomen en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. [verzoeker] heeft niet voldaan aan de op dit punt op haar rustende stelplicht en bewijslast. Terzijde wordt opgemerkt dat in deze deelgeschilprocedure geen ruimte is voor bewijslevering. Daardoor komt de kantonrechter in deze procedure ook niet toe aan de vraag of op Randstad in haar hoedanigheid van (formele) werkgever enige aansprakelijkheid rust. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht wordt om die reden afgewezen.
Kosten deelgeschil
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
[verzoeker] maakt aanspraak op € 3.853,85 inclusief btw (13 uren x € 245,00), te vermeerderen met het griffierecht. Randstad voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
De kantonrechter is van oordeel dat zowel de gevorderde uren als het gevorderde uurtarief redelijk is. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 13 uren × € 245,00 exclusief btw, dus op € 3.853,85 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en Randstad niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door Randstad te worden betaald, als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.
4 De beslissing
De kantonrechter
wijst de verzochte verklaring voor recht af,
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.853,85 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
EB5791