ECLI:NL:RBMNE:2026:7151

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12122415 \ UC EXPL 26-1871
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verkoop en installatie zonnepanelen aan consument.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12122415 \ UC EXPL 26-1871

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. B. Tomlow,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. K.W.A. Wools.

1 De procedure

1.1

Vóór de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de volgende stukken ontvangen:

- de dagvaarding van 11 februari 2026 met producties 1 tot en met 19,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 19,

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 en 15.

1.2

Op 2 september 2026 is de zaak tijdens de mondelinge behandeling (zitting) besproken. Hierbij waren [eiser] met zijn gemachtigde, mr. Tomlow, aanwezig. Ook was [gedaagde] met zijn gemachtigde, mr. Wools, aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is gezegd.

1.3

Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis komt.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] heeft voor een bedrag van € 9.000,00 zonnepanelen en optimizers (S440 en S500 Van der Valk onderconstructie voor hellend (slimline) en plat dak) aan [gedaagde] geleverd. Hiervoor heeft [eiser] een factuur gestuurd. [eiser] vordert betaling van deze factuur minus € 500,00 vanwege niet geleverde materialen en niet uitgevoerde werkzaamheden. Daarnaast vordert hij een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door hem van laster te betichten en vordert hij vergoeding van € 2.077,65 aan schade die [eiser] ten gevolge van de laster heeft geleden. [gedaagde] beroept zich op ontbinding van de overeenkomst, omdat [eiser] hem niet op de volgens [gedaagde] geldende bedenktermijn heeft gewezen, dan wel omdat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] hebben partijen afgesproken dat [eiser] de zonnepanelen zou installeren en dat heeft [eiser] , ondanks herhaalde verzoeken daartoe, niet gedaan. Dat [gedaagde] zich schuldig zou hebben gemaakt aan laster, betwist hij. Verder heeft [gedaagde] tegenvorderingen ingesteld. Hij vordert dat [eiser] de door hem geleverde materialen komt ophalen bij [gedaagde] . Daarnaast vordert [gedaagde] dat [eiser] hem € 1.038,79 betaalt voor werkzaamheden die hij voor [eiser] heeft verricht.

De kantonrechter wijst in conventie alleen het bedrag van € 8.500,00 toe. De reconventionele vordering van € 1.038,79 wordt ook toegewezen.

3 De beoordeling

Wat is er gebeurd?

3.1

[eiser] levert en installeert zonnestroomsystemen. [horecagelegenheid] (hierna: het café) had hem hiertoe opdracht gegeven. [gedaagde] woont naast het café in de woning van zijn vriendin. Partijen hebben elkaar in het café leren kennen.

3.2

Begin maart 2023 spreken partijen af dat [gedaagde] [eiser] zal ondersteunen bij de plaatsing van het zonnestroomsysteem op het dak van het café waarvoor [gedaagde] van [eiser] een vergoeding ontvangt. Daarnaast wil [gedaagde] zelf ook een zonnestroomsysteem op zijn dak hebben. Partijen komen overeen dat [eiser] 23 zonnepanelen, een SolarEdge omvormer en installatiemateriaal bestelt voor [gedaagde] . Omdat [eiser] nog geen datum van levering van de omvormer kan geven, spreken partijen af dat [gedaagde] tijdelijk een omvormer van [eiser] huurt.

3.3

Op 22 en 23 maart 2023 levert [eiser] de zonnepanelen en optimizers (S440 en S500, Van der Valk onderconstructie voor hellend dak (slimline) en platdak (Pro+)) (hierna: het zonnestroomsysteem) bij [gedaagde] . Op 2 april 2023 stuurt hij een factuur met een totaalbedrag van € 9.000,00 voor de levering van de materialen.

3.4

[eiser] vordert een bedrag van € 8.500,00 voor het aan [gedaagde] op 22 en 23 maart 2023 zonnestroomsysteem (€ 9.000,00 - € 500,00 voor niet geleverde materialen en niet uitgevoerde werkzaamheden).

[gedaagde] had geen bedenktermijn waarbinnen hij de overeenkomst kon ontbinden

3.5

[gedaagde] stelt dat hij het bedrag van € 8.500,00 niet verschuldigd is, omdat hij de overeenkomst op 1 juni 2023 (en herhaald op 8 augustus 2023, 17 augustus 2023, 23 september 2023 en 31 januari 2024) heeft ontbonden binnen de volgens hem geldende bedenktermijn. Hij doet daarmee een beroep op artikel 6:230o aanhef en lid 2 in combinatie met artikel 6:230m lid 1 onder h Burgerlijk Wetboek (BW) (het herroepingsrecht). De ontbinding brengt een ongedaanmakingsverbintenis met zich mee, zodat [gedaagde] in reconventie vordert dat [eiser] de aan hem geleverde materialen op komt halen, op straffe van een dwangsom. Ook brengt de ontbinding mee dat de betalingsverplichting van [gedaagde] teniet gaat, aldus [gedaagde] .

3.6

Een consument kan een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte ontbinden binnen een termijn van veertien dagen. Deze termijn kan met een jaar worden verlengd als de handelaar de consument bij het aangaan van de overeenkomst niet wijst het herroepingsrecht.1

3.7

Partijen discussiëren allereerst over de vraag of [gedaagde] consument is. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Een consument is een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en dat is wat [gedaagde] is bij deze overeenkomst. Het zonnestroomsysteem was namelijk bestemd voor de privéwoning waar hij met zijn vriendin woont. Weliswaar hadden partijen ook zakelijke contacten, zoals de werkzaamheden die [gedaagde] voor [eiser] deed, maar die afspraken staan los van deze overeenkomst. [gedaagde] handelde bij deze overeenkomst dus niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.

3.8

Omdat het hier gaat om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, moet de kantonrechter ambtshalve kijken of voldaan is aan bepaalde informatieplichten. Bij die toetsing komt de kantonrechter tot het oordeel dat in dit geval [gedaagde] geen herroepingsrecht had en [eiser] hem daar dan ook niet op had kunnen wijzen. Van een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte is namelijk geen sprake. Voordat partijen de overeenkomst via e-mail sloten, hadden zij al in het café met elkaar gesproken over de eventuele aanschaf van zonnepanelen door [gedaagde] . Dat maakt dat de overeenkomst niet kwalificeert als een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte, maar als enige andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte2 en voor dergelijke overeenkomsten geldt geen herroepingsrecht. [eiser] had de verplichting tot het verstrekken van die informatie dan ook niet, zodat hij die verplichting ook niet kan hebben geschonden. De buitengerechtelijke ontbinding was daarom onterecht.

Partijen hebben afgesproken dat [eiser] de materialen bij [gedaagde] zou installeren

3.9

In geschil is wat partijen nou precies hebben afgesproken. [eiser] stelt dat hij het zonnestroomsysteem, zoals vermeld op de factuur van 2 april 2023, zou leveren. [gedaagde] meent dat [eiser] het zonnestroomsysteem ook op zijn dak zou installeren.

3.10

Bij de uitleg van de overeenkomst volgens de Haviltex-maatstaf,3 komt het aan op de betekenis die partijen bij die overeenkomst in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.

3.11

Gelet op alle omstandigheden van het geval, oordeelt de kantonrechter dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] de aan [gedaagde] geleverde zonnepanelen met bijbehoren zou installeren. In de mail van 11 maart 20234 schrijft [eiser] aan [gedaagde] weliswaar dat de aanbieding het leveren van een zonnestroomsysteem inhoudt en wordt het installeren van dat zonnestroomsysteem dus niet ondubbelzinnig genoemd, maar in de tekst die direct onder die mail volgt, wordt een instructie over de installatie van zonnepanelen gegeven. Dat schept verwarring over de inhoud van de overeenkomst en die verwarring komt voor rekening en risico van [eiser] . Het is namelijk aan [eiser] als leverancier om [gedaagde] als consument juist te informeren. [gedaagde] mocht dus verwachten dat [eiser] het geleverde zonnestroomsysteem ook zou installeren. Dat maakt de overeenkomst een gemengde overeenkomst, namelijk een koopovereenkomst en overeenkomst aanneming van werk.

[gedaagde] moet het bedrag van € 8.500,00 betalen

3.12

[gedaagde] stelt dat het bedrag van € 8.500,00 nog niet opeisbaar is. Hij doet een beroep op artikel 5 van de algemene voorwaarden van [eiser] .5 Dat dat artikel bepaalt dat 30% van de totale prijs uiterlijk 14 dagen voor de installatiedatum betaald moet worden. Omdat partijen geen installatiedatum waren overeengekomen, was hij ook nog geen bedrag verschuldigd, aldus [gedaagde] . [eiser] brengt daar terecht tegenin dat partijen een van deze bepaling afwijkende afspraak hebben gemaakt. [gedaagde] heeft namelijk nadat [eiser] hem de factuur van € 9.000 verzond op 2 april 2023, [eiser] in zijn e-mail van 6 april 2023 om 14.01 uur6 toegezegd dat hij ‘de rekening a € 9000’ over 4 uur zou betalen, nadat zijn daglimietverhoging was ingegaan. Het bedrag van € 8.500,00 is dus na het verstrijken van die vier uur opeisbaar geworden.

3.13

[gedaagde] had zijn toezegging van 6 april 2023 moeten nakomen. Omdat hij dat niet deed, is hij in verzuim komen te verkeren. Dat betekent dat [eiser] niet over hoefde te gaan tot installatie totdat [gedaagde] zou betalen. [eiser] was overigens in de veronderstelling dat hij niet hoefde te installeren, met uitzondering van de omvormer. Partijen zijn het erover eens dat installatie van de omvormer wel een onderdeel van de overeenkomst was. [eiser] stelt echter dat hij daartoe niet kon overgaan, omdat de meterkast van [gedaagde] nog niet was aangepast naar een 3-fasenaansluiting, wat nodig is om de omvormer te kunnen installeren. Die stelling wordt ondersteund door een verklaring van [A] (hierna: [A] ), huiselektriciën het café.7[gedaagde] voert aan dat dit al wel was gebeurd, maar heeft die betwisting, gelet op onderbouwde stelling van [eiser] , onvoldoende gemotiveerd. Dat de meterkast van [gedaagde] dus nog geen 3-fasenaansluiting had, komt daarmee vast te staan. Nakoming van de verplichting van [eiser] tot installatie van de omvormer werd dus door [gedaagde] verhinderd, zodat [gedaagde] wat die verbintenis betreft in schuldeisersverzuim verkeert.8

3.14

[gedaagde] stelt de overeenkomst op 15 april 2024 bij brief buitengerechtelijk te hebben ontbonden9. Hij vindt dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat hij het geleverde zonnestroomsysteem niet op zijn dak heeft geïnstalleerd. Dat leidt ertoe dat partijen hun verbintenissen ongedaan moeten maken.10[gedaagde] vordert in reconventie dan ook dat [eiser] ertoe wordt verplicht het aan [gedaagde] geleverde zonnestroomsysteem komt ophalen, minus het bevestigingsmateriaal dat [gedaagde] al heeft gebruikt. [gedaagde] moet eigenlijk voor dat materiaal een waardevergoeding van € 835,50 aan [eiser] betalen, aldus [gedaagde] , maar wil dat bedrag verrekenen met de vergoeding die [eiser] aan [gedaagde] verschuldigd is voor de werkzaamheden die hij voor [eiser] heeft verricht à € 1.038,79.

3.15

Een ontbinding kan niet worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in verzuim is11 en uit r.o. 3.12 volgt dat [gedaagde] al in verzuim verkeerde met zijn betalingsverplichting op het moment dat hij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbond. Dat was dus onterecht. De overeenkomst is daarom nog in stand. Er gelden dan ook geen ongedaanmakingsverbintenissen over en weer. [eiser] hoeft het zonnestroomsysteem niet op te halen bij [eiser] . Die vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.16

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [gedaagde] het bedrag van € 8.500,00 aan [eiser] moet betalen. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Geen sprake van laster

3.17

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover hem door hem van laster te betichten en vordert vergoeding van een bedrag van € 2.077,65 die hij door de laster heeft geleden. Hij stelt dat [gedaagde] verzonnen kritiek heeft geleverd richting stamgasten van het café over het werk dat hij bij het café heeft verricht. Daardoor heeft hij bedreigingen en geweldpleging door gasten (onder meer de ex-partner van de eigenaar van het café) ervaren. Zo is tegen hem gezegd dat hij van het dak zou worden gegooid en heeft iemand hem een klap verkocht. [eiser] stelt dat hij daarom zelf niet meer het dak van het café op durfde. Om die reden heeft hij de controle van het systeem uitbesteed aan collega installateurs wat hem in totaal € 2.077,65 heeft gekost. [gedaagde] betwist dat hij verzonnen kritiek aan stamgasten heeft geleverd. Volgens hem heeft hij alleen aan [A] en de eigenaar van het café zijn mening gegeven over de door [eiser] verrichte werkzaamheden, omdat de eigenaar van het café daarom had gevraagd.

3.18

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door kritiek te leveren op het werk van [eiser] bij het café gaat het om de botsing van twee fundamentele rechten. Aan de ene kant geldt op grond van artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de vrijheid van meningsuiting. Aan de andere kant beschermt artikel 8 EVRM het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waaronder ook is begrepen het recht op bescherming van de eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van deze rechten in het concrete geval zwaarder weegt, is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan een van beide rechten. Dat betekent dat de toetsing in één keer moet plaatsvinden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 EVRM en artikel 10 lid 2 EVRM.12

3.19

De handelswijze van [gedaagde] kan niet als onrechtmatig worden bestempeld. Het stond [gedaagde] namelijk vrij om aan [A] en de eigenaar van het café kritiek te leveren op het werk van [eiser] . Dat was immers op verzoek van de eigenaar van het café die belang had bij die informatie. Niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] aan anderen dan aan [A] en de eigenaar van het café dergelijke uitlatingen heeft gedaan of dat door die uitlatingen van [gedaagde] aan [A] en de eigenaar van het café, derden [eiser] hebben gedreigd en geslagen. Daarnaast is [gedaagde] niet verantwoordelijk voor gedragingen van anderen. Dat leidt tot het oordeel dat [gedaagde] geen inbreuk op de rechten van [eiser] heeft gemaakt. De vorderingen zullen worden afgewezen.

De wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen

3.20

[eiser] vordert de wettelijke rente over het toegewezen bedrag en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde wettelijke rente moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:119 BW en de gevorderde vergoeding op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De algemene voorwaarden van [eiser] bevatten een rentebeding en een incassokostenbeding. Artikel 5.5 van de algemene voorwaarden van [eiser] bepaalt dat als een betaling niet heeft plaatsgevonden binnen de overeengekomen betalingstermijn, de koper direct aan [eiser] rente van 12% per jaar verschuldigd is, of de wettelijke rente als die hoger is. Artikel 5.6 bepaalt dat de koper buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn als de koper niet binnen de overeengekomen betalingstermijn betaalt en die kosten berekend worden aan de hand van een in die bepaling genoemde tabel. Het zijn bedingen die zijn bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het rentebeding wijkt af ten nadele van de consument van artikel 6:119 BW dat zonder dit beding dwingend zou gelden. Het incassobeding wijkt ten nadele af van het Besluit dat ook zonder dit beding dwingend zou gelden. De bedingen zijn daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. [eiser] kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regelingen die van toepassing zouden zijn geweest zonder de oneerlijke bedingen. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde wettelijke rente en de gevorderde incassovergoeding zullen daarom worden afgewezen.

[eiser] moet € 1.038,78 aan [gedaagde] betalen voor de door [gedaagde] verrichtte werkzaamheden

3.21

[gedaagde] vordert in reconventie dat [eiser] hem € 1.038,79 betaalt voor de werkzaamheden die hij voor [eiser] heeft verricht, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen vanaf dit vonnis. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft hij een factuur van 21 april 202613 overgelegd.

3.22

[eiser] stelt dat [gedaagde] in strijd met de klachtplicht14 heeft gehandeld door pas op 21 april 2026 de in 2023 gewerkte uren te factureren, omdat [eiser] de uren nu niet meer kan controleren. Aan die stelling gaat de kantonrechter voorbij. [gedaagde] heeft terecht gewezen op de urenlijst die achter de mail van [eiser] aan [gedaagde] van 8 september 202315 zit. Deze urenstaat is van [eiser] afkomstig en komt overeen met het aantal uur vermeld op de factuur. De door [gedaagde] gewerkte uren waren bij [eiser] op 8 september 2023 dus al bekend. Het beroep op de klachtplicht slaagt dus niet.

3.23

[eiser] stelt verder dat [gedaagde] afstand van zijn recht op betaling heeft gedaan, omdat [gedaagde] in zijn e-mail van 1 juni 202316 aan [eiser] heeft geschreven dat hij 16,5 uur werk niet aan [eiser] in rekening brengt. Uit die mail volgt echter dat [gedaagde] dat aanbod deed onder de voorwaarde dat [eiser] het door hem geleverde zonnestroomsysteem bij [gedaagde] zou komen ophalen. Dat aanbod was dus onderdeel van een schikking. [eiser] is niet akkoord gegaan met de voorwaarde van [gedaagde] , zodat zijn aanbod om afstand te doen van zijn recht op betaling is komen te vervallen.

3.24

De verweren van [eiser] slagen niet. [eiser] is dus het bedrag van € 1.038,79 aan [gedaagde] verschuldigd. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

3.25

De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken en gegrond op de wet, worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De proceskosten in conventie en reconventie

3.26

[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

151,94

- griffierecht

€

265,00

- salaris gemachtigde

€

720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.280,94

3.27

[eiser] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

144,00

(2 punten × factor 0,5 × € 144,00)

- nakosten

€

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

216,00

3.28

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.500,00,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.280,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in reconventie

4.3

veroordeelt [eiser] aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.038,79, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van vandaag, tot de dag van volledige betaling

4.4

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 216,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.5

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald

in conventie en reconventie

4.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

69134

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »