ECLI:NL:RBMNE:2026:7091

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/16/610071 / HA ZA 26-197
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bank heeft niet onrechtmatig gehandeld bij het opzeggen van de bankrelatie vanwege vermeende fraude.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/610071 / HA ZA 26-197

Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna te noemen: [eiser sub 1] (eiser sub 1) en [eiser sub 2] (eiser sub 2) en samen [eisers]

advocaat: mr. I.P. van Rossen,

tegen

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

te Utrecht,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Rabobank,

advocaat: mr. F.M.A. 't Hart.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.

De zaak wordt behandeld door mr. H.J. ter Meulen, rechter, bijgestaan door mr. N.L. Lintel-Kuipers als griffier.

1 De procedure1.1 Het verloop van deze procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 27 maart 2026 met producties,

- de conclusie van antwoord met producties.

1.2

De mondelinge behandeling vond plaats op 2 oktober 2026. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De mondelinge uitspraak is hieronder opgenomen in paragraaf 3. Paragraaf 2 is later aan dit proces-verbaal toegevoegd om de feiten die tussen partijen vaststaan en de achtergrond van het geschil weer te geven. 2 De kern van de zaak2.1 Rabobank heeft begin augustus 2023 documenten ontvangen in het kader van de aanvraag van een hypothecaire geldlening op naam van [eiser sub 1] voor de aankoop van een woning aan de [adres] in [plaats] , waaronder een echtscheidingsconvenant, het toestemmingsformulier voor een overbruggingskrediet, een wijzigingsformulier, een contragarantie en de hypotheekofferte voor de woning aan de [adres] . Rabobank heeft naar aanleiding hiervan op 18 augustus 2023 een hypothecaire geldlening verstrekt aan [eiser sub 1] Rabobank heeft vervolgens op 8 november 2023 de bancaire relatie met [eiser sub 1] beëindigd en de hypothecaire geldlening opgeëist. Op basis van een in de tussenliggende periode uitgevoerd onderzoek kwam Rabobank tot de conclusie dat [eiser sub 1] een valse handtekening namens zijn ex-vrouw, mevrouw [A] , onder de verschillende documenten had geplaatst die hij Rabobank heeft verstrekt bij de aanvraag van de hypothecaire geldlening. [eiser sub 1] betwist dat hij de handtekening van zijn ex-vrouw heeft gezet onder de bewuste documenten. Volgens [eiser sub 1] heeft hij deze documenten – voorzien van een handtekening van [A] – ook niet aan Rabobank overhandigd.

2.2

[eiser sub 1] stelt in deze procedure dat Rabobank op onzorgvuldige wijze haar onderzoek heeft verricht en daarmee de op haar rustende zorgplicht jegens [eiser sub 1] heeft geschonden. Volgens [eiser sub 1] stond het Rabobank gelet hierop niet vrij om de bancaire relatie op te zeggen en is Rabobank aansprakelijk voor de schade die [eiser sub 1] stelt te hebben geleden als gevolg hiervan. [eisers] vorderen schadevergoeding van Rabobank, bestaande uit (terugbetaling van) executiekosten die [eisers] aan Rabobank hebben vergoed, advocaatkosten, kosten van de herfinanciering, een vergoeding van eigen tijdsbesteding en immateriële schadevergoeding. Daarnaast vordert [eiser sub 1] dat hij weer toegang krijgt tot de bankrekeningen van zijn minderjarige kinderen bij Rabobank.

2.3

Rabobank meent dat zij na een zorgvuldig onderzoek mocht concluderen dat [eiser sub 1] heeft gefraudeerd waarna zij de bancaire relatie mocht beëindigen. Zij betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden en voert ook verweer tegen de verschillende schadevorderingen van [eisers]

3 De beoordeling van de vorderingenDe vorderingen van [eiser sub 2] worden afgewezen.3.1 [eiser sub 2] heeft niet voldaan zijn stelplicht. Hij heeft niet gesteld op basis van welke feitelijke en juridische grondslag [eiser sub 2] een eigen vorderingsrecht heeft jegens Rabobank.

De vorderingen van [eiser sub 1] worden grotendeels afgewezen 3.2 Het stond Rabobank vrij om op 8 november 2023 de bancaire relatie met [eiser sub 1] te beëindigen op basis van het door haar verrichte onderzoek. Dat betekent dat van een tekortkoming van Rabobank – of anderszins onrechtmatig handelen – geen sprake is. De daarop gestoelde vorderingen tot schadevergoeding worden dan ook afgewezen. De vordering gericht op het verkrijgen van toegang tot de bankrekeningen van de kinderen van [eiser sub 1] wordt wel toegewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.

Er is geen sprake van finale kwijting 3.3 Rabobank heeft naar voren gebracht dat de vorderingen van [eiser sub 1] reeds moeten worden afgewezen, omdat hij afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht jegens Rabobank. De rechtbank gaat daar niet in mee. Afstand van een vorderingsrecht is geregeld in artikel 6:160 BW. Daaruit volgt dat voor afstand een daarop gerichte wilsovereenstemming van de schuldeiser en schuldenaar is vereist. Om te bepalen of die wilsovereenstemming bestaat, is beslissend wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden.

3.4

Rabobank mocht redelijkerwijs niet uit de verklaring van [eiser sub 1] afleiden dat hij finale kwijting verleende aan Rabobank. In de betreffende e-mail van [eiser sub 1] van 20 juni 2025 stelt hij voorop: “Ik wens mij niet nu reeds te binden aan een algehele finale kwijting zonder dat op objectieve wijze is vastgesteld dat Rabobank daadwerkelijk volledig aan haar verplichtingen heeft voldaan”. Waarna hij een aantal voorbeelden geeft over de invulling van die verplichtingen. Uit het gebruik van het woord “waaronder” blijkt dat het om voorbeelden gaat. Rabobank heeft gelet hierop niet redelijkerwijs mogen aannemen dat [eiser sub 1] daarmee heeft bedoeld om enkel die genoemde onderwerpen van de door Rabobank verzochte finale kwijting uit te sluiten.

3.5

Er is hier dus geen sprake van wilsovereenstemming tussen partijen over de afstand van enig vorderingsrecht door [eiser sub 1]

Rabobank heeft niet gehandeld in strijd met haar zorgplicht 3.6 De rechtbank stelt voorop dat op [eiser sub 1] in deze civielrechtelijke procedure de stelplicht én de bewijslast rust. Dat betekent dat [eiser sub 1] zijn stellingen en standpunten voldoende zal moeten motiveren en – bij betwisting – zal moeten bewijzen. Dat is in deze procedure niet gelukt. Dat is anders in het strafrecht, waarbij op het Openbaar Ministerie de bewijslast rust om een bepaald feit wettig en overtuigend te bewijzen. Dat het gerechtshof Amsterdam in een strafrechtelijke beklagprocedure heeft geoordeeld dat het niet opportuun is om een strafrechtelijke vervolging van [eiser sub 1] te gelasten wegens valsheid in geschrifte, heeft in deze procedure daarom geen of slechts zeer geringe bewijswaarde. Zeker omdat Rabobank zelf in die procedure geen partij was.

3.7

Er bestond in dit geval voor Rabobank voldoende aanleiding om in de zomer van 2023 een onderzoek (of hercontrole) in te stellen naar de financieringsaanvraag van [eiser sub 1] Dit gelet op de hypotheekaanvraag van mevrouw [A] , waarin tegenstrijdige verklaringen werden gedaan met de eerdere hypotheekaanvraag van [eiser sub 1] Rabobank heeft in deze procedure gemotiveerd en onderbouwd naar voren gebracht dat tijdens dit onderzoek de volgende feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen:

( i) In diverse aangeleverde documenten die zijn ingediend voor het verkrijgen van een hypothecaire geldlening op naam van [eiser sub 1] , waaronder een echtscheidingsconvenant en de hypotheekofferte zelf, staat de handtekening van mevrouw [A] . Die handtekening verschilt wezenlijk van de handtekening van mevrouw [A] zoals die op andere documenten staat, waaronder een door mevrouw [A] zelf ingediende aangifte bij de politie. Rabobank mocht ervan uitgaan dat die documenten – met de afwijkende handtekening van mevrouw [A] – van [eiser sub 1] zelf afkomstig waren. In de eerste plaats omdat [eiser sub 1] later, toen hij begin september 2023 door Rabobank werd geconfronteerd met de hercontrole, niet heeft aangegeven niet bekend te zijn met enig mede namens mevrouw [A] ondertekend document. De rechtbank neemt daarbij als vaststaand aan dat [eiser sub 1] de e-mail van Rabobank van 7 september 2023, waarin Rabobank [eiser sub 1] verzoekt om mevrouw [A] te laten bevestigen dat zij de betreffende documenten heeft ondertekend, heeft ontvangen. Die e-mail is namelijk verstuurd naar het e-mailadres dat op dat moment bij hem in gebruik was, waarna [eiser sub 1] de e-mail van Rabobank ook vanaf datzelfde mailadres heeft doorgestuurd naar het e-mailadres van mevrouw [A] . In de tweede plaats omdat [eiser sub 1] op geen enkel moment – toen niet maar ook nu niet – een concreet en onderbouwd aanknopingspunt kon en kan geven voor wie dan wél de betreffende ondertekende documenten namens hem aan Rabobank heeft verstrekt. Dit geldt ook voor het antwoord op de vraag wie vervolgens vanaf zijn e-mailadres e-mails hierover heeft doorgestuurd aan mevrouw [A] , als dit niet [eiser sub 1] zelf was. [eiser sub 1] was daartoe in deze procedure wel gehouden.

( ii) De daaropvolgende constatering van Rabobank dat de e-mail van 11 september 2023 met de bevestiging van (beweerdelijk) mevrouw [A] , dat zij de hiervoor genoemde documenten heeft getekend, afkomstig is van een e-mailadres dat niet overeenkomt met haar gebruikelijke e-mailadres,namelijk [email-adres 1] .com in plaats van [email-adres 2] .com;

( iii) De nadere e-mailcorrespondentie tussen Rabobank en mevrouw [A] en dan met name de e-mail van mevrouw [A] van 26 september 2023, waarin zij uitdrukkelijk en met klem betwist dat zij deze documenten heeft ondertekend. Mevrouw [A] onderbouwt dit ook richting Rabobank door diverse e-mails en Whatsapp-berichten toe te sturen die tussen [eiser sub 1] en haar zijn uitgewisseld. Hieruit komt het beeld naar voren dat [eiser sub 1] mevrouw [A] voor het eerst heeft geïnformeerd over de aankoop van de woning medio augustus 2023, toen hij [A] verzocht om bij de notaris langs te gaan voor het passeren van de hypotheekakte voor de overbruggingsfinanciering. Dit blijkt mede uit eigen uitlatingen van [eiser sub 1] aan mevrouw [A] , waarbij wordt verwezen naar zijn e-mail aan mevrouw [A] van 16 augustus 2023 die door mevrouw [A] is toegestuurd aan Rabobank. Er is geen reden om aan de authenticiteit van die e-mail van [eiser sub 1] zelf te twijfelen.

3.8

Op grond van deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kon en mocht Rabobank redelijkerwijs besluiten om de bancaire relatie met [eiser sub 1] te beëindigen op grond van de toepasselijke bankvoorwaarden. Dit op de grond dat [eiser sub 1] bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven over zijn financiële positie teneinde een hypothecaire geldlening te krijgen.

3.9

Rabobank heeft tijdens dit onderzoek ook voldoende hoor en wederhoor toegepast. Zo heeft er op 7 september 2023 e-mailcorrespondentie en telefonisch contact plaatsgevonden tussen partijen. Ook is voldoende aannemelijk – en daarom vaststaand in deze procedure – dat op 14 september 2023 een Teams-overleg heeft plaatsgevonden waarbij een medewerker van Rabobank met [eiser sub 1] in gesprek is gegaan over de constateringen. [eiser sub 1] heeft betwist dat deze bespreking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit de processtukken blijkt dat de toenmalige advocaat van [eiser sub 1] , mr. Korver, op de vestiging van Rabobank is geweest om de video-opname te bekijken. Vervolgens blijkt niet dat mr. Korver gemotiveerd heeft aangevoerd dat deze opname ondeugdelijk was of dat [eiser sub 1] niet op de opname was te zien. Daarmee is in het kader van deze civiele procedure aangetoond dat dit gesprek heeft plaatsgevonden.

3.10

De slotsom is dat Rabobank zowel bij de uitvoering van haar onderzoek als bij de op basis van het onderzoek genomen maatregelen niet in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende zorgplicht jegens [eiser sub 1] als haar klant. De schadevergoedingsvorderingen zijn hierop gegrond en worden dan ook afgewezen.

[eiser sub 1] moet toegang krijgen tot de bankrekeningen van zijn kinderen

3.11

Wel moet Rabobank [eiser sub 1] volledige toegang verlenen tot de bankrekeningen van zijn kinderen, [B] en [C] , onder de voorwaarde dat [eiser sub 1] aantoont dat hij het wettelijke gezag over hen heeft op basis van een uittreksel uit het gezagsregister. Een ouder met gezag is namelijk op grond van artikel 1:245 lid 4 en artikel 1:253i lid 1 BW van rechtswege de wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige kind en voert daardoor het bewind over het vermogen van de kinderen namens die kinderen en dus niet uit eigen naam. Daarom moet [eiser sub 1] , ervan uitgaande dat hij gezaghebbende ouder is, toegang krijgen tot en de beschikking krijgen over de bankrekeningen van zijn kinderen. Rabobank kan dit [eiser sub 1] niet ontzeggen, omdat hij zélf geen klant meer is bij Rabobank.

3.12

Rabobank heeft dit ook niet betwist. Rabobank heeft op de mondelinge behandeling toegezegd dat zij [eiser sub 1] toegang zal geven tot de bankrekeningen van zijn kinderen binnen zes weken na ontvangst van een uittreksel uit het gezagsregister waaruit blijkt dat [eiser sub 1] het gezag heeft over zijn kinderen. De rechtbank zal Rabobank daartoe veroordelen en zal Rabobank gelet op haar toezegging geen dwangsom opleggen.Proceskosten

3.13

[eisers] hebben in deze procedure overwegend ongelijk gekregen. Daarom moeten zij (hoofdelijk) de kosten van Rabobank voor deze procedure (inclusief nakosten) betalen.

3.14

De kosten aan de kant van Rabobank worden tot op vandaag begroot op:

- griffierecht € 3.083,00- salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten x tarief IV)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 5.852,00

4 De beslissing

4.1

veroordeelt Rabobank om [eiser sub 1] toegang te geven tot de bankrekeningen van zijn kinderen binnen zes weken na ontvangst van een uittreksel uit het gezagsregister waaruit blijkt dat [eiser sub 1] het gezag heeft over zijn kinderen,

4.2

wijst alle overige vorderingen van [eisers] af,

4.3

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van Rabobank, aan de kant van Rabobank tot vandaag begroot op € 5.852.00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,

4.4

verklaart de proceskostenveroordeling uit randnummer 4.3 uitvoerbaar bij voorraad,

Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. H.J. ter Meulen, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.L. Lintel-Kuipers in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.

5427 (NLK)

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »