RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/614812 / JE RK 26-1089
Datum uitspraak: 16 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting en de geschillenregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI ,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , Oekraïne,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] , gemeente [gemeente] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
De heer en mevrouw [gezinouders],
hierna te noemen de gezinshuisouders.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 juli 2026;
-
een bericht van de GI met daarin een verklaring van de school, ontvangen op
24 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 september 2026. Daarbij was de heer [A] namens de GI aanwezig.
De moeder en de gezinshuisouders waren, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig tijdens de zitting.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
Bij beschikking van 3 november 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 3 november 2026.
Bij beschikking van 24 oktober 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis verlengd tot 3 november 2026.
3 De verzoeken
De GI verzoekt primair op grond van artikel 1:265e lid 1 sub a BW te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling, toegekend wordt aan de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, namelijk voor zover het betreft het inzetten van hulpverlening gefinancierd op basis van de onderwijswet voor de minderjarige binnen de bestaande onderwijsinstelling, met ingang van de datum van deze beschikking tot en met einde OTS-maatregel.
Subsidiair verzoekt de GI de kinderrechter op grond van artikel 1:262b BW een beslissing te nemen op het onderhavige geschil, te weten: het ontbreken van toestemming van de met gezag belaste ouder(s) voor het inzetten van trauma-sensitieve ambulante begeleiding van de leerkracht en [minderjarige] ten behoeve van [minderjarige] binnen de schoolsituatie, vanuit de onderwijswet.
Daarnaast verzoekt de GI de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en te bevelen dat deze gedeeltelijke gezagstoekenning aangetekend zal worden in het gezagsregister.
4 De standpunten
De kinderrechter begrijpt uit het verzoekschrift dat de moeder geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op het voornemen tot inzet van ambulante begeleiding.
De kinderrechter begrijpt verder uit het verzoekschrift dat de gezinshuisouders de inzet van ambulante begeleiding voor [minderjarige] ondersteunen. Zij hebben positieve ervaringen opgedaan met een vergelijkbaar traject voor de zus van [minderjarige] en zien de meerwaarde hiervan ook voor hem. De gezinshuisouders vinden het van belang dat de hulpverlening op korte termijn wordt ingezet.
5 De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter wijst de verzoeken van de GI af. De kinderrechter zal deze beslissing hierna uitleggen.
De toelichting
De GI heeft toegelicht dat [minderjarige] op dit moment op school zit en dat het verzoek strikt genomen niet ziet op een aanmelding voor een onderwijsinstelling. Het is juist de bedoeling dat [minderjarige] op dezelfde school blijft. Het verzoek gaat over hulpverlening die door de onderwijsinstelling wordt aangeboden en gefinancierd. [minderjarige] ervaart namelijk op dit moment forse moeilijkheden op school. Hij krijgt traumabehandeling in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Hij wordt belast door zijn ervaringen en gebeurtenissen uit het verleden. Dat heeft zijn weerslag op zijn gedrag op school: hij heeft moeite met stilzitten, verstoort de les door clownesk gedrag en komt niet altijd toe aan werk. De belasting is op dit moment dusdanig groot dat de leerkracht onvoldoende in staat is om [minderjarige] de benodigde ondersteuning te bieden. [minderjarige] heeft bijna continu 1-op-1-begeleiding nodig. De GI is van mening dat aanvullende begeleiding van de leerkracht en [minderjarige] noodzakelijk is en dat, indien dat niet geregeld kan worden, een schoolwissel nodig zal zijn.
De school vindt zelf ook ambulante begeleiding noodzakelijk. De begeleiding bestaat eruit dat een specialist de interactie tussen [minderjarige] en de leerkracht observeert en handelingsgerichte adviezen biedt. Zulke begeleiding is al eerder succesvol ingezet bij de zus van [minderjarige] . Anders dan destijds heeft de moeder hiervoor haar toestemming niet gegeven, waardoor de hulp niet kan worden ingezet.
Volgens de GI valt de hulpverlening die zij wil inzetten onder “de Onderwijswet” en kan deze niet via de Jeugdwet worden georganiseerd, omdat de hulpverlening wordt ingezet door het Samenwerkingsverband. Hierdoor wordt de hulpverlening niet gefinancierd door de gemeente, maar uit schoolgeld. Het gaat niet om door de gemeente gecontracteerde hulpverlening. Het Samenwerkingsverband eist voor deze hulp een handtekening van de gezaghebbende ouder, in dit geval de moeder. De GI durft deze handtekening niet zelf te zetten.
De kinderrechter is van oordeel dat de hulp die de GI wil inzetten jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet is. In artikel 1.1 van de Jeugdwet staat namelijk beschreven wat onder jeugdhulp valt en daaronder valt onder meer:
1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen.
De kinderrechter is van oordeel dat de begeleiding die de school wil inzetten voor [minderjarige] en zijn leerkracht gericht is op het verminderen van de gedragsproblemen van [minderjarige] op school. Dit valt binnen de hiervoor gegeven definitie van jeugdhulp en is dus jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet. Het doet er niet toe dat het hier niet gaat om door de gemeente gecontracteerde hulp. Dat de in te zetten hulpverlening onder het Samenwerkingsverband valt, maakt ook niet uit. De GI mag op grond van artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet zelfstandig bepalen welke jeugdhulp moet worden ingezet bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. Op grond van artikel 7.3.4. leden 1 en 2 Jeugdwet is voor het verlenen van de jeugdhulp de toestemming van de moeder niet vereist, aangezien de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van de ondertoezichtstelling Dat betekent dat de GI degene is die de door het Samenwerkingsverband gevraagde handtekening kan zetten. De kinderrechter raadt de GI aan om dit op deze manier te communiceren met het Samenwerkingsverband.
De kinderrechter is het eens met de GI en de school dat het van belang is dat zo spoedig mogelijk de juiste hulp voor [minderjarige] wordt ingezet. De hulp kan immers stagnatie in zijn ontwikkeling tegengaan en voorkomen dat hij naar een andere school moet. De kinderrechter staat dus achter het voorstel van de GI om ambulante begeleiding in te zetten, maar het gaat hier niet om een aanmelding voor een onderwijsinstelling, waardoor de kinderrechter het verzoek om gezagsoverheveling niet kan toewijzen. De ambulante begeleiding valt ook niet onder de geschillenregeling van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek, omdat deze regeling betrekking heeft op geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen. Daarvan is geen sprake, omdat het hier gaat om het inzetten van hulpverlening en niet om de wijze van uitvoeren van de ondertoezichtstelling.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst de verzoeken van de GI af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 in aanwezigheid van mr. I. Stooker als griffier. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.