RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/613512 / KG ZA 26-380
Vonnis in kort geding van 30 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D. Molenkamp,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] , en afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. R. van Veen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 12 producties
- de 4 producties van [gedaagden]- de mondelinge behandeling van 21 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser]- de pleitnota van [gedaagden]
2 De kern van de zaak
Het gaat in deze zaak om een aantal uitlatingen die [gedaagden] hebben gedaan op Facebook.
In het eerste bericht, dat dateert van 12 juni 2025 en is geplaatst op de persoonlijke pagina van de [gedaagde sub 1] en de open Facebookgroep [plaats] , schrijven [gedaagden] :
DRINGENDE OPROEP
Er is een [functie] uit [plaats] die een jong meisje regelmatig heeft
verkracht. Dat deed hij in 2012 bij [vereniging] . Ze was toen 9
jaar oud. Hij heeft haar daarna bedreigd zodat ze het aan niemand zou
vertellen. Dat heeft helaas gewerkt want pas kort geleden heeft ze het thuis
verteld.
Dit mag niet onbestraft blijven en er mogen niet nog meer slachtoffers vallen!
Mogelijk is dat al wel het geval. Deze man heeft bij verschillende
[verenigingen] in onder andere [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en
[plaats] als [functie] gewerkt.
We nodigen je uit om contact met ons op te nemen als jou dit ook is overkomen
of als je iemand kent die dit is overkomen. Je bent niet de enige! Samen staan
jullie sterk, kunnen jullie elkaar steunen en bepalen wat jullie willen,
bijvoorbeeld gezamenlijk aangifte doen.
Aangifte doen kan ook als het al lang geleden is!
We horen graag van je en geven je naam en/of andere gegevens nooit aan
iemand anders door. We weten hoe erg hij je bang heeft gemaakt en wat dat nu
nog steeds voor je betekent. Toch is het belangrijk om (samen) terug te vechten
want alleen dan kunnen jullie écht verder met je leven!
Je kunt naar ons mailen op: [email-adres] .nl .
We weten wat je doormaakt, veel sterkte en we horen graag van je!
[gedaagden]
DEEL DIT BERICHT ALJEBLIEFT ZOVEEL MOGELIJK.
[eiser] heeft zichzelf in het bericht herkend vanwege de genoemde specifieke combinatie van [verenigingen] waarin hij actief is geweest.
In juli 2026 hebben [gedaagden] twee nieuwe berichten geplaatst. [gedaagde sub 2] heeft op haar persoonlijke Facebookpagina een bericht geplaatst waarin zij vertelt dat zij heel trots is dat haar dochter bij de politie aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik in haar kindertijd. De [gedaagde sub 1] heeft op zijn eigen website een door hem geschreven gedicht geplaatst met de titel ‘ [titel] ’.
[eiser] ontkent de beschuldiging van misbruik en is van mening dat de berichten tegenover hem onrechtmatig zijn, omdat hij in zijn eer en goede naam wordt aangetast. [eiser] vordert in dit kort geding daarom verwijdering van de berichten en een verbod op toekomstige publicaties van gelijke strekking. Daarnaast vraagt [eiser] om een rectificatie en een voorschot op immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 3.000,-.
3 De beoordeling
Algemeen
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
[gedaagden] hebben ongeveer een week voor de mondelinge behandeling het eerste bericht van 12 juni 2025 van Facebook verwijderd en een rectificatie geplaatst op de persoonlijke pagina van de [gedaagde sub 1] . [eiser] is echter van mening dat ook de andere twee berichten (van juli 2026) verwijderd moeten worden en wil dat de rectificatie ook nog in de openbare groep [plaats] en op de persoonlijke pagina van [gedaagde sub 2] wordt vermeld. Ook handhaaft hij zijn vordering tot betaling van (een voorschot op) schadevergoeding.
Toetsingskader
Het gaat in deze zaak om een botsing van rechten. Het recht van [eiser] op eerbiediging van zijn eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) tegenover het recht van [gedaagden] op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM). Welk recht in het concrete geval zwaarder weegt, hangt af van alle omstandigheden van het geval.
Het recht op vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn (artikel: 6:162 BW). Daarnaast moet de verzochte beperking proportioneel zijn. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Voor de onderhavige zaak acht de voorzieningenrechter de volgende omstandigheden van belang:
1. de aard van de geuite beschuldigingen en de ernst van de daarvan te verwachten gevolgen,
2. de ernst van de misstand, die [gedaagden] aan de kaak willen stellen,
3. de mate waarin de beschuldigingen destijds steun vonden in de beschikbare feiten,
4. de inkleding van de geuite beschuldigingen,
5. de mate van waarschijnlijkheid dat het nagestreefde doel ook langs andere, minder schadelijke wegen bereikt had kunnen worden.
Welk recht uiteindelijk zwaarder weegt, hangt ervan af aan wiens belang in de gegeven omstandigheden meer gewicht toekomt. Het belang aan de zijde van [eiser] is dat hij door de publicaties niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Dit belang zal zwaarder wegen naarmate de aard van de beschuldiging ernstiger is. [gedaagden] hebben er belang bij om aandacht te kunnen vragen voor een ernstige misstand als seksueel misbruik van een minderjarige.
Nieuwe berichten zijn niet onrechtmatig, opleggen verbod en rectificatie niet (meer) nodig
[gedaagden] hebben het bericht van 12 juni 2025 terecht verwijderd. Vast staat dat de beschuldiging vanwege de genoemde specifieke combinatie van [verenigingen] tot [eiser] herleidbaar is. Het gaat om een zeer ernstige beschuldiging, die op het moment dat die werd gedaan uitsluitend steun vond in de verklaring van de dochter van [gedaagden] Het doel dat [gedaagden] met de publicatie zeggen te hebben nagestreefd (het bewegen van hun dochter om aangifte te doen en het zoeken naar mogelijke andere slachtoffers) had ook op andere, voor [eiser] minder schadelijke, manieren kunnen worden bereikt.
Omdat (a) het bericht inmiddels verwijderd is, er (b) een rectificatie is geplaatst, en (c) de [gedaagde sub 1] op zitting onvoorwaardelijk heeft toegezegd dezelfde dag nog de rectificatie die al op zijn eigen Facebookpagina staat ook in de openbare groep [plaats] te plaatsen, hoeven de verwijderings- en rectificatievorderingen met betrekking tot dit bericht niet meer te worden behandeld. Zij zijn achterhaald. Op het effect dat dit heeft op de proceskosten komt de rechter later terug.
[eiser] eist nog wel, zo bleek ter zitting, verwijdering en rectificatie van de twee berichten die in juli 2026 zijn geplaatst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze berichten niet onrechtmatig zijn tegenover [eiser] . Beide berichten zijn op geen enkele wijze naar hem herleidbaar. In het bericht van [gedaagde sub 2] schrijft zij dat haar dochter aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik in haar jeugd en roept zij slachtoffers op hun verhalen te delen en aangifte te doen tegen de daders. De naam van [eiser] wordt direct noch indirect genoemd en er wordt ook geen enkele verwijzing gemaakt naar het eerdere bericht op Facebook van 12 juni 2025. Dit geldt ook voor het gedicht dat de [gedaagde sub 1] heeft geplaatst op zijn eigen website. Het gedicht is niet herleidbaar naar [eiser] . Ook is er inmiddels meer dan een jaar verstreken sinds het eerste bericht zonder dat [gedaagden] soortgelijke berichten hebben geplaatst. [gedaagden] hebben voldoende gewaarborgd dat de berichten niet tot [eiser] herleidbaar zijn. Dat [eiser] van deze berichten nadelige gevolgen ondervindt of zal ondervinden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet te verwachten. Het belang van [gedaagden] om zich uit te kunnen laten over de ervaringen van hun dochter en hun eigen ervaringen weegt daarom zwaarder dan het belang van [eiser] .
Dit betekent dat [gedaagden] beide berichten niet hoeven te verwijderen. De vordering van [eiser] daartoe wordt afgewezen.
De vordering tot het opleggen van een verbod aan [gedaagden] om in de toekomst “… [eiser] in het openbaar als pleger van seksueel misbruik van een minderjarige te presenteren dan wel beschuldigingen van gelijke strekking als vaststaand feit te publiceren of verspreiden” wijst de rechter af. [gedaagden] hebben, nadat zij advies bij een advocaat hadden ingewonnen, het enige bericht waarin [eiser] indirect als misbruikpleger werd neergezet verwijderd en gerectificeerd. Zij hebben daarnaast op zitting onvoorwaardelijk toegezegd dergelijke berichten niet meer te zullen plaatsen. Gelet op die feiten ziet de rechter onvoldoende ruimte voor vrees dat [gedaagden] nieuwe onrechtmatige uitlatingen zullen doen. Een verbod op het doen van nieuwe toekomstige onrechtmatige uitlatingen acht de voorzieningenrechter dan ook niet noodzakelijk.
Voor veroordeling tot plaatsing van de rectificatietekst op de persoonlijke pagina van [gedaagde sub 2] ziet de voorzieningenrechter geen gegronde reden. Hoewel ook [gedaagde sub 2] het bericht van 12 juni 2025 heeft ondertekend, heeft het bericht nooit op haar persoonlijke Facebookpagina gestaan. Het plaatsen van een rectificatie op haar persoonlijke pagina acht de voorzieningenrechter dan ook niet nodig.
Voorschot op schadevergoeding
[eiser] vordert tot slot een bedrag van € 3.000,- als (voorschot op een) immateriële schadevergoeding. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding wordt terughoudend omgegaan. De voorzieningenrechter onderzoekt niet alleen of het bestaan van een vordering van [eiser] op [gedaagden] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
Tussen partijen is in het kader van deze procedure niet (langer) in geschil dat het eerste bericht van [gedaagden] onrechtmatig was tegenover [eiser] . De voorzieningenrechter vindt ook voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] door het bericht in zijn eer en goede naam is aangetast. In beginsel heeft [eiser] dan ook recht op een immateriële schadevergoeding. De hoogte van die schadevergoeding is evenwel lastig vast te stellen. Door [gedaagden] is gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij speelt de vraag hoe schadelijk het bericht precies voor [eiser] is geweest, wat belangrijk is bij het bepalen van de hoogte van het bedrag. Het bericht is tot [eiser] herleidbaar en er zijn enkele agressieve reacties onder geplaatst. [eiser] heeft evenwel niets gesteld over de vraag hoeveel mensen, die het bericht hebben gelezen dit daadwerkelijk tot hem hebben herleid. En of hij ook persoonlijk (negatieve) reacties heeft ontvangen. Hij noemt geen enkel voorbeeld. [eiser] heeft daarnaast onvoldoende duidelijk kunnen maken waarom er sprake is van zodanige onverwijlde spoed dat een onmiddellijke voorziening is vereist.
De voorzieningenrechter wijst het gevorderde voorschot op immateriële schadevergoeding daarom af.
Proceskosten
De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagden] (deels) in de proceskosten van [eiser] . Het aanhangig maken van het kort geding, dus het opstellen en betekenen van de dagvaarding, was kennelijk nodig om [gedaagden] te bewegen tot het verwijderen van het eerste bericht en het plaatsen van een rectificatie. Die kosten moeten worden vergoed, en hetzelfde geldt voor het door [eiser] voldane griffierecht. [eiser] mocht het kort geding door laten gaan nadat het bericht was verwijderd en de rectificatie was geplaatst, omdat [gedaagden] onder meer niet bereid waren een vergoeding voor proceskosten te betalen. Omdat de andere nog resterende vorderingen allen worden afgewezen, worden geen advocaatkosten toegekend voor de mondelinge behandeling. De rechter zal daarom (voor het opstellen van de dagvaarding) de helft van het gebruikelijke forfaitaire bedrag aan advocaatkosten voor een kort geding toewijzen.
Dit leidt tot de volgende begroting van de kosten:
- explootkosten € 155,84
- griffierecht € 341,00
- advocaatkosten € 588,50
Totaal €1.085,34
Dit bedrag wordt verhoogd met € 189,- aan nakosten tot een totaalbedrag van € 1.274,34 (plus de verhoging van de nakosten in geval van betekening zoals vermeld in de beslissing).
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de proceskosten van [eiser] ter hoogte van € 1.274,34, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis wordt betekend,
verklaart het vonnis voor wat betreft de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||
CR 4529