ECLI:NL:GHARL:2026:6362

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
21-005055-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het hof verklaart erfvredebreuk bewezen. Wegens een geslaagd beroep op art. 10 EVRM en de door het hof gestelde schending van dit artikel, ontslaat het hof verdachte van alle rechtsvervolging. Art. 11 EVRM niet van toepassing, omdat sprake is van een ‘eenmansprotest’. Vegan streaker.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005055-25

Uitspraakdatum: 6 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden ,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden , van 3 december 2025 met parketnummer 18-253574-25 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter, behalve voor zover het betreft de strafoplegging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 40 uren wordt opgelegd, te vervangen door 20 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.H. van Dijk, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 3 december 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld ter zake van de primair ten laste gelegde erfvredebreuk en aan hem een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren opgelegd met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een ander oordeel komt dan de politierechter met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte. Het hof doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairhij op of omstreeks 26 september 2025, te [plaats] , het besloten lokaal en/of het besloten erf, het voetbalveld, gelegen aan of bij het [locatie] , aldaar, bij een ander, te weten bij [sportclub] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen

subsidiairhij op of omstreeks 26 september 2025, te [plaats] , zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich heeft bevonden op op het voetbalveld van [sportclub] , zijnde grond toebehorende aan [sportclub] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, van welke grond de toegang op een voor verdachte blijkbare wijze door de rechthebbende was verboden, immers heeft hij gehandeld in strijd met de voorwaarden voor toegang door het voetbal veld op te lopen / te gaan

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de aan hem primair ten laste gelegde erfvredebreuk heeft begaan. Als cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld, zal het hof de bewijsmiddelen in een aanvulling op dit arrest opnemen. Het hof overweegt met betrekking tot het bewijs het volgende.

Verdachte heeft op 26 september 2025 een voetbalwedstrijd bezocht van [sportclub] (hierna: [sportclub] ). Verdachte is, alvorens het veld te betreden, over een hekwerk geklommen.

Een besloten erf is een perceel dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en daar ten dienste van staat. Het moet zijn afgesloten van de openbare ruimte en daar kenbaar geen deel van uitmaken. Het voetbalveld in het stadion van [sportclub] is duidelijk afgesloten van de plaatsen waar het publiek toegang toe heeft. Wie toestemming heeft verkregen het stadion te betreden, door middel van de aanschaf van een toegangsticket om een voetbalwedstrijd te bekijken, heeft daarmee niet ook toegang verkregen tot alle ruimten van het stadion waaronder het voetbalveld. Het veld is overduidelijk van de tribunes afgescheiden door een hekwerk en een boarding, waarbij tussen dit hekwerk en de boarding enige ruimte gelegen is. Het hof is zodoende van oordeel dat het voetbalveld een afgesloten erf is.

Daarnaast is het handelen van verdachte ook wederrechtelijk. Verdachte heeft meermaals verklaard verschillende keren in een voetbalstadion te zijn geweest en te weten dat het veld niet betreden mag worden zoals hij ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard. Hij heeft tevens verklaard dat hij geen markering heeft gezien waaruit bleek dat het betreden van het veld in het stadion van [sportclub] niet mocht. Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen blijkt dat nabij de plek waar verdachte over het hekwerk is geklommen, een bord hing met een tekst waaruit duidelijk bleek dat het veld niet betreden mag worden. Het hof is zodoende van oordeel dat verdachte wist dat hij het veld van het stadion van [sportclub] niet mocht betreden.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primairhij op 26 september 2025, te [plaats] , het besloten erf, het voetbalveld, gelegen bij het [locatie] , aldaar, bij een ander, te weten bij [sportclub] , in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperking van het demonstratierecht proportioneel was, nu de handelingen van politie en justitie niet leiden tot een ‘chilling effect’. Zodoende is geen sprake van schending van de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en is het primair ten laste gelegde feit strafbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de ten laste gelegde gedraging onder de reikwijdte van de artikelen 10 en 11 van het EVRM vallen en de actie van verdachte een vreedzame actie betrof. De aanhouding en de daaropvolgende detentie in het politiebureau en de strafrechtelijke vervolging van verdachte zijn niet proportioneel. Van de strafrechtelijke vervolging boven op de arrestatie en detentie gaat een ontoelaatbaar ‘chilling effect’ uit, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Feiten en omstandigheden

Op 26 september 2025 heeft verdachte het veld, gelegen in het voetbalstadion van [sportclub] betreden tijdens een wedstrijd tegen [sportclub] . Hij deed dit door over een hekwerk te klimmen, zich te ontkleden en daarna dat veld op te lopen. Verdachte betrad het veld in enkel een onderbroek, waarbij hij teksten op zijn lichaam had geschreven en een spandoek in zijn handen had met daarop de tekst “HELP! RACISME DE (VOETBAL)WERELD UIT”. Verdachte deed dit naar aanleiding van een – toen – recent incident in het stadion van [sportclub] waarbij een speler van de bezoekende ploeg racistisch is bejegend. Verdachte heeft gedurende bijna twee minuten over het veld gerend, waarbij hij twee maal langs de harde kern van [sportclub] supporters is gerend om het spandoek te tonen. Hierna liet verdachte zich vrijwillig afvoeren door de stewards van [sportclub] . Hierbij is door verdachte geen geweld gebruikt en verzette hij zich niet tegen de stewards. De wedstrijd heeft ongeveer 5 minuten stilgelegen vanwege de actie van verdachte.

Verdachte is na zijn protestactie om 20:25 uur op heterdaad aangehouden en om 21:21 uur opgehouden voor onderzoek. Verdachte is vervolgens van 21:30 uur tot 22:09 verhoord en de volgende dag, 27 september 2025, om 09:32 uur heengezonden op last van de officier van justitie. Door [sportclub] is op 26 september om 20:42 uur aangifte gedaan van erfvredebreuk.

Het juridisch kader

Het hof stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, waaronder ook het betogingsrecht valt, zoals onder andere neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, belangrijke grondrechten zijn in een democratische samenleving. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen en hebben betrekking op uiteenlopende vormen van protest en omvatten mede het recht om – binnen de door het tweede lid van die bepalingen gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen.

In onderhavige zaak is sprake van een zogenaamd ‘eenmansprotest’, nu verdachte alleen handelde. Voor een beroep op het demonstratierecht en meer specifiek een beroep op artikel 11 EVRM, waarin het recht op vrijheid van vereniging en vergadering is gewaarborgd, dient in beginsel sprake te zijn van een demonstratie met meerdere personen. ‘Eenmansprotesten’ worden dan ook niet direct beschermd door artikel 11 EVRM. Verdachte zijn gedrag valt in plaats daarvan binnen de reikwijdte van artikel 10 EVRM, dat de vrijheid van meningsuiting waarborgt. Omdat het om meningsuiting in de vorm van protest gaat, ligt het wel in de rede voor de grondrechtelijke bescherming daarvan aansluiting te zoeken bij de over demonstratierecht ontwikkelde rechtspraak.

De vrijheden waarin artikel 10 EVRM voorziet zijn niet absoluut en kunnen worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, het voorkomen van wanordelijkheden, strafbare feiten en de rechten van anderen, zoals voorgeschreven door het tweede lid van het artikel.

De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het Europees Hof voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) een ‘overall’ toets aanlegt. Het EHRM kijkt daarbij naar de vraag of de beperking van de vrijheden als bedoeld in artikel 10 EVRM voldoet aan een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en of de beperking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de proportionaliteit van de inperking gaat het om een evenwicht tussen het in artikel 10 EVRM beschermde belang en andere belangen.

De uitoefening van de rechten zoals beschermd in artikel 10 EVRM kunnen een zekere mate van verstoring van het dagelijks of openbare leven (‘disruption of ordinary life’) met zich brengen. De enkele verstoring vormt echter geen rechtvaardiging voor een beperking van bedoelde rechten en de overheid moet daarbij een zekere mate van tolerantie in acht nemen. Als een persoon echter laakbaar gedrag – een ‘reprehensible act’ – vertoont, kan dat tot sanctionering leiden.

De vraag welke mate van tolerantie de overheid moet opbrengen laat zich ook niet in algemene zin beantwoorden en hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verstoring van het dagelijks leven.

Ook hier heeft weer te gelden dat de vraag of er wel of niet sprake is van laakbaar gedrag zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat sprake kan zijn van laakbaar gedrag indien degene die uiting geeft aan zijn mening het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoort, in een grotere mate dan in geval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid, dan wel de vrijheid van meningsuiting op een publieke plek.

Bij de vraag naar de proportionaliteit van een beperking spelen naast de aard van de gedraging en de eerlijkheid van het proces als geheel, ook de aard van en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol, waarbij heeft te gelden dat daarvan geen ontmoediging van het legitiem gebruik van een grondrecht (‘chilling effect’) mag uitgaan. De enkele deelname aan een vreedzaam protest mag niet worden bedreigd met een strafrechtelijke sanctionering; daar is een bijzondere rechtvaardiging voor vereist. Het totale gebeuren moet in onderling verband en samenhang worden bezien. Zo kan het zijn dat wanneer er verschillende maatregelen worden genomen, zoals de – wijze van – beëindiging van een protestactie, een aanhouding, een voorarrest, een vervolging en een veroordeling, die maatregelen gezamenlijk als een (ontoelaatbare) beperking worden gezien.

Met inachtneming van dit juridisch kader is het aan de rechter om in het concrete geval op basis van een belangenafweging te beoordelen of sprake is van een al dan niet toelaatbare beperking van genoemde grondrechten.

Toepassing op de onderhavige zaak

Naar het oordeel van het hof is op 26 september 2025 sprake geweest van een vreedzame protestactie van verdachte door het veld in het voetbalstadion van [sportclub] te betreden en een spandoek te tonen met de tekst “HELP! RACISME DE (VOETBAL)WERELD UIT”. Van gewelddadig gedrag dan wel het aanzetten daartoe is niet gebleken, evenmin van de intentie tot dergelijk gedrag. Het enkele feit dat verdachte artikel 138 Wetboek van Strafrecht overtrad maakt nog niet dat sprake is van zodanig laakbaar gedrag dat verdachtes meningsuiting niet langer zou vallen onder de bescherming van artikel 10 EVRM. Verdachtes actie duurde slechts enkele minuten. De voetbalwedstrijd is maar kort stilgelegd en vervolgens zonder problemen uitgespeeld.

Alhoewel kan worden geconstateerd dat verdachte zijn mening heeft geuit zoals hij zich had voorgenomen, heeft het wel tot strafrechtelijk optreden geleid. Verdachte is aangehouden en enige tijd van zijn vrijheid beroofd geweest. Daarna is tegen hem een strafrechtelijke vervolging ingesteld.

Verdachte heeft gebruik gemaakt van het grondrecht zijn mening te uiten. Hij uitte zich tegen racisme in de (voetbal)wereld en deed dat op een plaats waar dat er naar zijn mening toe deed en zoveel mogelijk impact zou hebben. Hij koos bewust voor het voetbalveld van [sportclub] omdat een aantal weken voorafgaand aan de actie van verdachte in het stadion van [sportclub] een incident had plaatsgevonden waarbij een speler van de bezoekende club racistisch was bejegend door supporters van [sportclub] . Daarmee was sprake van een actie binnen een breed maatschappelijk gedragen debat.

Verdachte heeft naar het oordeel van het hof op 26 september 2025 op een vreedzame en toegestane wijze gebruik gemaakt van zijn door artikel 10 EVRM beschermde grondrecht. Hij heeft daarbij gehandeld binnen de grenzen die dat artikel stelt. Dit brengt mee dat het strafrechtelijke optreden dat volgde achterwege had moeten worden gelaten. De combinatie van aanhouding, verhoor, aansluitend een nacht ophouden op het politiebureau en het vervolgen van verdachte zorgt voor een onaanvaardbaar ‘chilling effect’ op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting in algemene zin en op verdachte in het bijzonder. Zodoende stelt het hof vast dat sprake is van een schending van artikel 10 EVRM.

Nu sprake is van een schending van artikel 10 EVRM is het hof van oordeel dat gelet op artikel 94 van de Grondwet de ten laste gelegde strafbepaling van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, in deze zaak buiten toepassing dient te blijven. Bij het buiten toepassing blijven van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht levert het bewezenverklaarde geen strafbaar feit op. Zodoende ontslaat het hof verdachte voor het bewezenverklaarde feit van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. E.W. van Weringh en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »