RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12214433 \ UC EXPL 26-3914
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Reformatorische Maatschappelijke Unie (RMU),
tegen
DE VERENIGING VAN EIGENAARS [.] , PLAATSELIJK BEKEND [adres] TE [postcode] [plaats 2],
in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: Boulevard Beheer B.V..
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord, mondeling gegeven op de rolzitting van 3 juni 2026, waarbij ook schriftelijke stukken zijn ingeleverd,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2 De kern van de zaak
[eiseres] heeft in opdracht van de VvE eind 2025 werkzaamheden uitgevoerd (aanneming van werk). Vervolgens is op 10 december 2025 een controle van het werk uitgevoerd en heeft [eiseres] herstelwerkzaamheden verricht. De VvE heeft het toezicht daarop laten uitvoeren door een derde-deskundige, [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ). Volgens de VvE is afgesproken dat [eiseres] de kosten voor [onderneming] zou voldoen (€ 1.208,79). In ieder geval, zo stelt de VvE, kon de VvE [onderneming] inschakelen voor dat toezicht omdat zij er geen vertrouwen meer in had dat de herstelwerkzaamheden door [eiseres] goed zouden worden uitgevoerd. De VvE heeft de kosten van [onderneming] verrekend met de betaling van de slotfactuur van [eiseres] . [eiseres] is het daarmee niet eens en vordert volledige betaling van haar factuur, dus nog € 1.208,79, plus rente en kosten. De kantonrechter wijst dat toe.
3 De beoordeling
Geen afspraak
Volgens de VvE heeft [eiseres] er mondeling in toegestemd dat de kosten voor [onderneming] voor rekening zouden komen van [eiseres] . [eiseres] ontkent een dergelijke afspraak.
De kantonrechter overweegt als volgt. In geen enkele e-mail erkent [eiseres] dat zij de kosten voor [onderneming] sowieso zou moeten betalen, integendeel zelfs. [eiseres] schrijft op 8 december 2025, voorafgaand aan de controle: “Dat er een externe deskundige wordt ingehuurd is de keuze van bestuur en boulevard beheer! Ik heb als aannemer niet de keuze gehad en ben zoals ik het aangegeven heb in het telefoongesprek niet eens met de kosten voor de Externe deskundige voor rekening van [eiseres] of [A] komen. (…) En er is voor nu geen externe deskundige nodig. Als het na deze rondgang alsnog nodig blijkt te zijn kan er alsnog een externe deskundige worden ingehuurd, en moet er overlegd worden wat betreft de kosten ervan.” De VvE heeft haar stelling op dit punt niet nader toegelicht of uitgelegd. Daarom is het bestaan van een afspraak zoals de VvE die stelt, niet vast komen te staan.
Dat de VvE [onderneming] in redelijkheid kon inschakelen, staat niet vast
[eiseres] heeft kennelijk binnen de daarvoor gestelde termijnen herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Volgens [eiseres] is zij met dat herstel niet in verzuim geraakt, en dat weerspreekt de VvE niet. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat de herstelwerkzaamheden tijdig zijn uitgevoerd. Uit niets blijkt (en de VvE stelt dat ook niet) dat de geconstateerde gebreken niet deugdelijk door [eiseres] zijn hersteld. Het werk is blijkbaar naar behoren opgeleverd. De VvE heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom zij dan toch in redelijkheid [onderneming] heeft kunnen inschakelen. De VvE verklaart ook niets over wat [onderneming] heeft geconstateerd. Er waren gebreken, en die zijn opgelost. In deze omstandigheden kon de VvE objectief gezien [onderneming] niet redelijkerwijs inschakelen, althans niet in die zin dat de kosten daarvoor voor rekening van [eiseres] zouden moeten komen. De kosten van [onderneming] blijven daarom voor rekening van de VvE zelf.
Slotsom en nevenvorderingen
De slotsom is dat de VvE de kosten voor [onderneming] niet heeft mogen inhouden op de eindfactuur van [eiseres] . De VvE was het volledige factuurbedrag verschuldigd. De hoofdsom van € 1.208,79 wordt toegewezen.
Omdat de eindfactuur (productie 3 van [eiseres] ) betaald had moeten worden vóór 11 november 2025, moet de VvE de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf die datum betalen.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (€ 181,32). De vordering op dit punt voldoet aan de eisen van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), en wordt daarom toegewezen.
De gevorderde handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat van een handelsovereenkomst op dit punt geen sprake is. Als het mindere zal de wettelijke rente worden toegewezen, en wel vanaf de dag van de dagvaarding (24 april 2026). Dat [eiseres] dat bedrag eerder dan op de datum van de dagvaarding aan haar gemachtigde heeft betaald is niet gesteld en ook niet gebleken.
De VvE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
125,57 |
|
|
- griffierecht |
€ |
350,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
434,00 |
(2 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
108,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.018,07 |
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de VvE om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.208,79, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt de VvE om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 181,32 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 24 april 206, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt de VvE in de proceskosten van € 1.018,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5 wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door
mr. F.H. Charbon op 30 september 2026.
RW1368