ECLI:NL:RBMNE:2026:6531

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
UTR 26/6206
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo en beroep. Kortsluiten. De rechtbank is van oordeel dat de RDW de erkenning van de aan de vestiging afgegeven handelaarskentekens mocht intrekken voor de duur van zes weken. Uit controlerapporten heeft RDW kunnen afleiden dat de kentekens niet werken gebruikt door de vestiging aan wie ze zijn opgegeven. Beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/6206 en UTR 26/6209

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. H.J.G. Dudink en mr. W.T. Broer),

en

de directie van de Dienst Wegverkeer, RDW

(gemachtigden: S. Meekel en S. Thomas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres ( [eiseres] ) gaat over de tijdelijke intrekking van de erkenning van alle aan de [bedrijf] [adres] in [plaats] (hierna: de vestiging) afgegeven handelaarskentekenbewijzen voor de duur van zes weken. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij vraagt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW de erkenning van de aan de vestiging afgegeven handelaarskentekens mocht intrekken voor de duur van zes weken. [eiseres] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. De RDW heeft met het besluit van 27 februari 2025 alle aan de vestiging van [eiseres] afgegeven handelaarskentekenbewijzen ongeldig verklaard. Met het bestreden besluit van 2 juli 2026 op het bezwaar van [eiseres] is het besluit van 27 februari 2025 herzien in die zin dat – gelet op gewijzigde regelgeving en beleid – wordt overgegaan tot een tijdelijke intrekking van de erkenning van alle aan de vestiging afgegeven handelaarskentekens voor de duur van zes weken. [eiseres] heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

De RDW heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] namens [eiseres] , de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigden van de RDW.

2.3.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen.1

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het besluit?

3. [eiseres] is een bedrijf voor algemene reparatie en onderhoud van motorvoertuigen. Het bedrijf heeft vier vestigingen: twee in [plaats] , één in [plaats] en één in [plaats] . Voor de vestiging in [plaats] op [adres] heeft [eiseres] een erkenning en diverse handelaarskentekens.

4. De RDW heeft in het bestreden besluit de erkenning van alle aan de vestiging afgegeven handelaarskentekens ingetrokken voor de duur van zes weken. Volgens de RDW volgt namelijk uit de controlerapportage van 6 januari 2025 dat in ieder geval twee van de kentekens die aan de vestiging zijn afgegeven niet in gebruik zijn op de vestiging in [plaats] , maar op de vestiging in [plaats] . Volgens het bestreden besluit is dit een overtreding van artikel 6 van de Regeling handelaarskentekens en -kentekenbewijzen. Is sprake van een overtreding?.

Het toepasslijk recht

5. In artikel 6 van de Regeling handelaarskentekens- en kentekenbewijzen, zoals dat ten tijde van de controle luidde, is bepaald dat het toezicht als bedoeld in artikel 37, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, uit het uitvoeren van periodieke controles bestaat. Deze controles hebben in ieder geval betrekking op de omstandigheid of nog wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 1 en de overige voorschriften van deze regeling alsmede op het voldoen aan de voorschriften inzake het gebruik van handelaarskentekens als bedoeld in artikel 44 van het Kentekenreglement.

6. In artikel 44, eerste lid, van het Kentekenreglement, zoals dat ten tijde van de controle luidde, staat dat een handelaarskenteken slechts mag worden gebruikt door degene aan wie het is opgegeven dan wel een door deze aanwezen persoon. Het gebruik is slechts toegestaan voor de categorie waarvoor het is opgegeven.

7. Op 1 januari 2026 is artikel 44, eerste lid, van het Kentekenreglement gewijzigd. Ook uit het artikel zoals dat thans luidt, volgt dat een handelaarskenteken slechts mag worden gebruikt door het erkend bedrijf handelaarskenteken dan wel een door deze aangewezen persoon.Wat houdt partijen verdeeld

8. De RDW heeft op de zitting nader toegelicht dat volgens haar sprake is van een overtreding van het destijds geldende artikel 44, eerste lid, van het Kentekenreglement in samenhang gelezen met artikel 6 van de Regeling handelaarskentekens en -kentekenbewijzen. Op basis van het dossier en wat op de zitting naar voren is gebracht, begrijpt de voorzieningenrechter dat de RDW zich op het standpunt stelt dat uit de verklaringen van de vestigingsmanager zoals weergegeven in het controlerapport kan worden opgemaakt dat de handelaarskentekens niet, of niet uitsluitend, werden gebruikt voor activiteiten vanaf de vestiging van [plaats] , maar vooral voor activiteiten in en vanaf de vestiging in [plaats] . Dat betekent dat de kentekens niet in gebruik waren door degene aan wie de kentekens zijn opgegeven, wat in strijd komt met artikel 44, eerste lid, van het Kentekenreglement. Volgens de RDW blijkt uit eerdere inspectierapporten dat [eiseres] ook eerder al zo te werk ging en dat de kentekens ook in [plaats] werden opgeslagen.

9. [eiseres] betwist dat sprake is van een overtreding en heeft in het beroepschrift en op de zitting uitgebreid uiteen gezet dat de kentekens wel degelijk in gebruik waren voor activiteiten vanaf de vestiging in [plaats] , en ook dat die werkwijze wel degelijk overeenkomstig het geldend recht is. Volgens [eiseres] zijn de kentekens van de vestiging slechts gebruikt ten behoeve van het halen en brengen van auto’s vanaf de vestiging in [plaats] naar andere vestigingen en naar derden. Deze vervoersbewegingen maken onderdeel uit van de vaste bedrijfsvoering van de vestiging omdat de auto’s voor het repareren en poetsen ervan naar verschillende locaties worden gebracht. Ten tijde van de controle konden de betreffende kentekens niet getoond worden, omdat deze in gebruik waren, namelijk voor auto’s die naar [plaats] waren gebracht vanaf de vestiging in [plaats] . Dat betekent dat de kentekens “in gebruik” waren, wat volgens eiseres maakt dat niet in strijd met de geldende regelgeving is gehandeld. Ook stelt [eiseres] dat de RDW niet af had mogen gaan op de verklaringen van de vestigingsmanager in het controlerapport, omdat voorafgaande daaraan niet de cautie is gegeven. Het oordeel van de voorzieningenrechter

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de RDW op basis van het controlerapport van 6 januari 2025 heeft kunnen concluderen dat (een deel van) de handelaarskentekens van de vestiging in [plaats] in gebruik waren in [plaats] en dat dit gebruik niet slechts zag op voertuigen die vanaf de vestiging [plaats] werden gebracht naar [plaats] . In dat controlerapport staat dat de vestigingsmanager het volgende heeft verklaard: “De beide handelaarskentekenbewijzen en bijbehorende groene platen zijn niet in gebruik op deze vestiging maar op ons filiaal (…) [plaats] . Ze worden daar gebruikt voor het halen en brengen van poetsauto's. Ik heb het daar de vorige keer met uw collega over gehad en heb toen afgesproken om in [plaats] zelf eigen handelaarskentekenplaten aan te vragen. (…) Dat loopt eigenlijk nog steeds voor zover ik weet. In de tussentijd heeft ons filiaal te [plaats] nog steeds deze platen in gebruik.”

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze verklaring er op wijst dat de kentekens vooral in de vestiging van [plaats] worden gebruikt voor het halen en brengen. Dat slechts sprake zou zijn van gebruik voor voertuigen die vanuit de vestiging [plaats] naar [plaats] werden gebracht om te poetsen of repareren, volgt hier niet uit. In dit kader heeft de RDW ook nog kunnen wijzen op controlerapporten van 4 juli 2024 en 16 augustus 2024, die beide tot een waarschuwing hebben geleid. Uit die rapporten volgt eveneens het beeld dat de kentekenplaten van de vestiging op structurele wijze werden ingezet voor de vestiging in [plaats] . In die rapporten staat onder andere dat de kentekens niet in gebruik waren op de vestiging en dat zij op de vesting [plaats] liggen en daar door hen worden gebruikt.2 En dat de kentekens op de vestiging [plaats] liggen en daar gebruikt worden om voertuigen op te halen of weg te brengen in verband met poetswerkzaamheden. Ook wordt verklaard dat de kentekenbewijzen meestal in [plaats] liggen en daar worden opgeslagen als ze niet in gebruik zijn.3

12. De stelling van [eiseres] dat zij de kentekenplaten van de vestiging in [plaats] uitsluitend gebruikt om de auto’s vanuit [plaats] te brengen naar [plaats] en dat deze na het poetsen of repareren dan weer direct retour gaan naar [plaats] , strookt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met de verklaringen in de controlerapporten. Bovendien heeft [eiseres] deze stelling en deze werkwijze niet onderbouwd.

12. De stelling dat niet van de verklaringen van haar vestigingsmanager mocht worden uitgegaan, volgt de voorzieningenrechter ook niet. In het inspectierapport is aangegeven dat de vestigingsmanager gemachtigd is om aan de bedrijfscontrole mee te werken. Verder is van belang dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een bezoek aan een bedrijf en het stellen van vragen door de bedrijvencontroleur gericht op de vaststelling van de feiten en de gang van zaken rondom de bedrijfsvoering dienen te worden aangemerkt als handelingen in het kader van het toezicht. De cautie hoeft daarvoor niet te worden gegeven.4 Dit maakt verder dus ook niet dat de RDW zich voor het vaststellen van de overtreding niet mocht baseren op de controlerapporten. De voorzieningenrechter ziet in dat wat [eiseres] verder in beroep heeft aangevoerd ten slotte geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de RDW had moeten doorvragen, gelet op de informatie die destijds bekend was.

14. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de RDW op basis van de controlerapportages heeft kunnen concluderen dat (een deel van) de handelaarskentekens van de vestiging [plaats] niet werden gebruikt door degene aan wie het is opgegeven, maar werden gebruikt in de vestiging te [plaats] en dat dergelijk gebruik in strijd is met artikel 44 van het Kentekenreglement. De RDW is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat dit artikel is overtreden.

Is de intrekking zorgvuldig en evenredig?

15. [eiseres] verwijt de RDW dat geen duidelijkheid is geboden over het geldend recht en wat nu precies wel of niet is toegestaan volgens de RDW. Op de zitting heeft [eiseres] ook opgemerkt dat de RDW geen oog heeft gehad voor evenredigheid en de menselijke maat. Volgens [eiseres] houdt de RDW vast aan deze intrekking, legt haar hele bedrijf lam, enkel en alleen om een punt te maken. Op de zitting is in dit kader opgemerkt dat het verlies van omzet gedurende zes weken mogelijk nog wel is op te vangen. Maar de intrekking heeft volgens [eiseres] tot gevolg dat zij niet langer kan voldoen aan de contracten met dealers uit de omgeving van de vestiging. Aangezien de concurrentie moordend is, zoals [eiseres] stelt, is het zeer waarschijnlijk dat [eiseres] deze contracten zal verliezen. Dat zou wel degelijk consequenties hebben voor het bestaan van het bedrijf, aldus [eiseres] .

15. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit artikel 4auh, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat de RDW de erkenning kan intrekken of wijzigen indien de erkenninghouder niet of niet meer voldoet aan de eisen voor de erkenning of aan de erkenning verbonden voorwaarden of uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen niet nakomt of in strijd daarmee handelt. Gelet hierop was de RDW bevoegd om op basis van de geconstateerde overtreding van artikel 44 van het Kentekenreglement de erkenning in te trekken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ook niet gebleken dat deze intrekking onzorgvuldig of onevenredig is.

15. De RDW heeft er terecht op gewezen dat naar aanleiding van eerdere controles waarschuwingen zijn gegeven en dat er destijds, zoals staat vermeld in de controlerapporten, is uitgelegd wat de regels zijn voor het gebruik van de handelaarskentekens. Ook heeft de RDW gewezen op de informatiemap waarin de geldende regels over het gebruik van de handelaarskentekens is opgenomen. Niet valt in te zien dat [eiseres] ondanks de eerdere waarschuwingen en de informatie het geconstateerde gebruik van de handelaarskentekens heeft voortgezet. Voor zover [eiseres] beoogt te betogen dat deze overtreding het resultaat is van een misverstand en onduidelijkheid over de regelgeving, kan gelet op het voorgaande ook niet worden gevolgd dat dit misverstand ruim twee jaar heeft kunnen voortduren in weerwil van de eerdere waarschuwingen en het contact daarover.

15. De voorzieningenrechter ziet in wat eiseres heeft aangevoerd verder ook geen grond voor het oordeel dat de intrekking voor de periode van zes weken zodanig onevenredig voor eiseres uitpakt, in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, dat de RDW daarvan had moeten af zien. De voorzieningenrechter vindt ook hier van belang dat eiseres tot twee maal toe over een periode van twee jaar is gewaarschuwd dat de handelswijze in strijd met het Kentekenreglement was. Het komt dan voor rekening en risico van eiseres dat bij de controle van 6 januari 2025 is gebleken dat deze nog steeds voortduurde én dat dit vervolgens (financiële) consequenties heeft. Dat die consequenties van dien aard zijn dat het bestaan van [eiseres] daadwerkelijk wordt bedreigd, kan voorts niet uit de overgelegde documenten worden opgemaakt.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de RDW de erkenning van de handelaarskentekens van de vestiging [adres] in [plaats] voor de duur van zes weken mocht intrekken. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.

de griffier is verhinderd om deze

uitspraak mede te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »