RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6655
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.A.J. West),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder (het college)
(gemachtigde: W. van der Wel).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. E.M. Oskam).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de vraag of een e-mailbericht dat eiser op 20 juni 2024 naar het college heeft gestuurd, moet worden aangemerkt als een verzoek tot handhaving.
Op 20 juni 2024 heeft eiser een e-mailbericht naar het college gestuurd. Eiser meent met deze e-mail een handhavingsverzoek te hebben ingediend. Op 14 mei 2025 heeft eiser het college in gebreke gesteld omdat het college geen besluit heeft genomen naar aanleiding van zijn e-mail van 20 juni 2024.
In een besluit van 3 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college de e-mail van 20 juni 2024 niet als een handhavingsverzoek aangemerkt. Er is volgens het college geen sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er geldt daarom geen (wettelijke) beslistermijn waarbinnen het college een besluit had moeten nemen. Het college is niet te laat met het nemen van een besluit en er is geen dwangsom verbeurd.
Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
Op 30 juli 2024 heeft het college ambtshalve een last onder dwangsom aan de derde-partij opgelegd met betrekking tot overtredingen van het Omgevingsplan op het perceel aan de [straat] [nummer] in [plaats] (hierna: het perceel). Over dit besluit loopt nog een beroepsprocedure.
In een besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ontvankelijk verklaard en dit besluit in stand gelaten. Het college heeft daarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Het college heeft op 22 april 2026 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 22 juni 2026 gereageerd op het verweerschrift. De derde-partij heeft op 18 mei 2026 en 26 juni 2026 een schriftelijke reactie ingebracht.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college en de derde-partij. Verder zijn [A] en [B] namens de derde-partij verschenen.
Overwegingen
Ingediende stukken
2. Eiser heeft op 22 juni 2026 en de derde-partij op 26 juni 2026 stukken ingediend. Omdat deze stukken niet binnen de termijn van tien dagen voor de zitting door de rechtbank zijn ontvangen, is de vraag aan de orde of het toelaten van deze stukken in strijd is met de goede procesorde. Partijen hebben op de zitting toegelicht er geen bezwaar tegen te hebben dat de stukken worden toegelaten tot de procedure. De rechtbank ziet hierin ook geen bezwaren, ook omdat er geen nieuwe punten in worden aangedragen. Gelet op het voorgaande laat de rechtbank de stukken die op 22 en 26 juni 2026 zijn ingediend toe tot het dossier.
Moet het e-mailbericht van 20 juni 2024 worden aangemerkt als een handhavingsverzoek?
3. Eiser en het college verschillen van mening over de vraag of eiser met het e-mailbericht van 20 juni 2024 een handhavingsverzoek1 bij het college heeft ingediend. Eiser stelt dat dit het geval is. Volgens eiser is het dwangsombesluit van 30 juli 2024 niet ambtshalve genomen maar moet dit worden geacht te zijn genomen op zijn verzoek van 20 juni 2024. Het primaire besluit, waarin zijn e-mail niet als aanvraag is aangemerkt, was daarom onjuist en zijn bezwaar had tot herroeping moeten leiden. Dit maakt dat hij in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. Het college vat het e-mailbericht niet op als een verzoek om handhaving maar leest hierin verzuchtingen van eiser omtrent de derde-partij in een reeks van e-mailberichten.
4. De rechtbank is van oordeel dat het e-mailbericht van 20 juni 2024 geen handhavingsverzoek is en legt hierna uit waarom.
5. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb definieert een aanvraag als een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is sprake van een verzoek om een besluit te nemen als dit eenduidig en ondubbelzinnig wordt gedaan.2
6. Op 20 juni 2024 heeft eiser een e-mail naar het college gestuurd met de volgende tekst:
“Geachte College,
Onderstaand breng ik de 20-5-2023, 1-6-2023 en 4-7-2023 gezonden info nog graag herhaald onder uw aandacht. Inmiddels een vol jaar is er gekeken naar de mogelijkheid de steeg af te sluiten, dat met als doel vanuit uw zijde om dan klaarblijkelijk niet direct te hoeven handhaven op het perceel van de ‘de kweker’ (u allen genoegzaam bekend).
Het zal u niet verbazen dat ondanks alle medewerking onzerzijds u, totaal anders dan verwacht en ambtelijk aangegeven, besloten heeft ‘niets te doen’ aan de verkeerssituatie.
Het houdt mij wakker, ik kan er niet van slapen, de menselijke maat is in dit alles niet te vinden. Sinds inmiddels jaar en dag wij in onzekerheden en zo ook de kweker in onzekerheden.
Ook na uw brief nog niets werkbaars duidelijk. Immers wanneer gaat dan nu eindelijk handhaving plaats vinden? U schrijft een vriendelijk noot over het feit dat de kweker de (90% niet legale!) bezoekers via het arboretum laat vertrekken, weegt nergens dat
die dan dus door u zelf genoemde ca 113 verkeersbewegingen maar zo een tweevoud worden als die ontsluiting niet meer mogelijk is ofwel de gebruikers die gewoon niet kiezen.
Nergens in uw stukken is de civielrechtelijke overeenkomst gewogen die we ca 2005 met elkaar vwb de afsluiting middels een stoppaal al met elkaar sloten. Nergens zijn de aangereikte bomeneffect rapporten gewogen. Nergens is het vrachtverkeer waarde
weg niet toe bestemd is gewogen. Alle gezonden beelden van beschadigingen aan weg en bomen door het oneigenlijke verkeer lijken niet gewogen.
Alles laat zo onwerkelijk veel te vragen over dat ik niet veel anders meen te kunnen doen dan er maar weer een mail aan u allen aan te wagen.
Enige weg naar rust weer in de steeg is handhaving op al hetgeen niet bestemd/legaal op het perceel van de kweker plaats vindt.
Binnen de menselijke maat menen wij minimaal van u helderheid op het vervolgtraject in handhaving (dat dus al 3 jaar loopt) te mogen verwachten.
Graag vernemend. Bij voorkeur in gesprek met onze dorpswethouder.
[eiser]
mede namens bewoners [straat] .”
7. De rechtbank ziet niet dat eiser het college in deze e-mail concreet en ondubbelzinnig heeft verzocht om tot handhaving over te gaan. In de e-mail vraagt eiser wanneer handhaving gaat plaatsvinden en stelt hij dat handhaving op al hetgeen niet bestemd/legaal op het perceel van de kweker plaatsvindt de enige weg naar rust in de steeg is. Eiser heeft hiermee niet concreet en ondubbelzinnig benoemd tegen welke overtreding(en) en overtreder(s) handhavend zou moeten worden opgetreden. Hij schrijft in algemene zin dat hij meent niet veel anders te kunnen doen dan er maar weer een e-mail aan te wagen. De opmerking van eiser dat hij helderheid van het college mag verwachten ten aanzien van het vervolgtraject in handhaving geeft ook niet weer dat eiser in dit e-mailbericht om handhaving vraagt. Dit duidt er eerder op dat eiser bij het schrijven van de e-mail in de veronderstelling verkeerde dat er al een handhavingstraject liep.
8. Hierbij betrekt de rechtbank het feit dat de e-mail van 20 juni 2024 onderdeel is van een al meerdere jaren lopende dialoog tussen eiser en ambtenaren van de gemeente. Op 15 juni 2024 vraagt eiser in een e-mail aan de gemeente naar de status van de controles die de gemeente uitvoert. Eiser spreekt in die e-mail de hoop uit dat na de controles een handhavingsbrief kan worden verzonden. Op 2 juli 2024 heeft eiser nog geen antwoord op deze e-mail van 15 juni 2024 en vraagt hij de behandelend ambtenaar naar de status van het handhavingstraject. Die antwoordt dezelfde dag dat de hercontrole plaatsvindt en de handhavingsbrief naar verwachting binnen enkele weken kan worden verstuurd. Eiser antwoordt eveneens dezelfde dag en vraagt “of het op dat moment jaren geleden gedane verzoek tot handhaving” ook nog formeel moet worden gedaan. Het college heeft hier op 2 juli 2024 op gereageerd dat een handhavingsverzoek op dat moment geen meerwaarde had. In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wilde het college eerst een aantal zaken laten controleren door de afdeling ruimtelijke ordening voordat er een handhavingsbesluit zou worden gestuurd. Vervolgens heeft het college op 30 juli 2024 ambtshalve een last onder dwangsom aan de derde-partij opgelegd. De door eiser gebruikte aanduiding ‘formeel verzoek’ heeft hij ontleend aan een verzoek dat hij op 10 januari 2024 deed. Ook toen beklaagde hij zich via de e-mail bij de gemeente. In antwoord daarop heeft de behandelend ambtenaar uitgelegd dat een verzoek om handhaving per brief, of als scan bij een e-mail, met handtekening moet worden gedaan. Eiser heeft toen een scan van een door hem ondertekende handgeschreven brief gestuurd en het college heeft op dit verzoek beslist.
9. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser wist hoe een handhavingsverzoek moet worden ingediend. Eiser duidt dit zelf aan als een ‘formeel’ verzoek tot handhaving. Uit zijn vraag op 2 juli 2024 of hij nog een dergelijk ‘formeel’ verzoek moet doen, blijkt dat eiser op dat moment ook zelf vond dat hij nog geen handhavingsverzoek had gedaan. Dus ook niet met de e-mail van 20 juni 2024.
10. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is desondanks gegrond omdat het college het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard en inhoudelijk heeft behandeld. Omdat het e-mailbericht van 20 juni 2024 geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, van de Awb inhoudt, had het college het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en zal het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.
12. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 oktober 2025;
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
|
griffier |
rechter |
de rechter is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.