RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12071808 \ AC EXPL 26-199
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , HODN [handelsnaam 1],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Bill incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] , HANDELENDE ONDER DE NAAM [handelsnaam 2],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 januari 2026, - de conclusie van antwoord, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
De mondelinge behandeling vond plaats op 27 mei 2026. [eiser] was daarbij aanwezig met gemachtigde H. Schoonen en tolk Oekraïens M. Snoek. [gedaagde] was ook aanwezig met tolk Pools J. Kaluza. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat [eiser] en [gedaagde] allebei een akte mogen indienen met daarbij de stukken waar zij tijdens de mondelinge behandeling naar verwezen, maar die nog niet bij de dagvaarding of conclusie van antwoord zaten. [eiser] en [gedaagde] hebben allebei een akte ingediend op 24 juni 2026.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2 De kern van de zaak
[eiser] heeft montagewerkzaamheden uitgevoerd voor [gedaagde] . [gedaagde] zou daarvoor € 4.015,00 betalen, maar hij heeft slechts € 1.000,00 betaald. Daarom vordert [eiser] betaling van het restantbedrag van € 3.000,00 (de € 15,00 die overblijft vordert hij niet). [gedaagde] vindt dat hij het restantbedrag niet hoeft te betalen omdat [eiser] te veel uren zou hebben geschreven en dus te veel in rekening zou hebben gebracht. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij en [eiser] hebben afgesproken dat [gedaagde] het factuurbedrag mocht verrekenen met de kosten voor autoreparaties en gereedschap die hij voor [eiser] zou hebben voorgeschoten. De verweren van [gedaagde] slagen niet. De kantonrechter wijst daarom de vordering van [eiser] toe.
3 De beoordeling
De vordering van [eiser] wordt toegewezen
[eiser] heeft zijn vordering voldoende onderbouwd. Omdat de verweren van [gedaagde] niet slagen wordt de vordering van [eiser] toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] € 3.000,00 aan [eiser] moet betalen. Hieronder wordt toegelicht waarom de kantonrechter niet meegaat met de verweren van [gedaagde] .
[eiser] heeft niet te veel uren in rekening gebracht
[gedaagde] was als onderaannemer betrokken bij een klus in Utrecht en heeft [eiser] ingehuurd voor onder andere de montagewerkzaamheden. Volgens [gedaagde] hebben hij en [eiser] een urenlimiet afgesproken voor deze klus en is [eiser] daar overheen gegaan. [gedaagde] stelt dat er te veel (reis)uren zijn gedeclareerd en dat er uren zijn gedeclareerd waarop niet was gewerkt. Daarnaast zou het afgeleverde werk slecht zijn uitgevoerd. [gedaagde] is daarom van mening dat hij het restantbedrag niet hoeft te betalen.
[eiser] heeft voldoende betwist dat een urenlimiet was afgesproken. Hij heeft screenshots overgelegd van Whatsappberichten waarin [eiser] de overzichten van de gewerkte uren en foto’s van de werkzaamheden naar [gedaagde] stuurt en [gedaagde] daarop heeft gereageerd met een duimpje omhoog. In die berichten is ook niet te lezen dat [gedaagde] [eiser] bijvoorbeeld wijst op een urenlimiet. [eiser] heeft ook een verklaring van zijn broer ( [A] ) overgelegd, die met hem samenwerkte op de klus. Daaruit blijkt dat de urenoverzichten van de werkweek elke zaterdag via de gezamenlijke Whatsappgroep naar [gedaagde] werden gestuurd en hij op basis daarvan uitbetaalde. Verder heeft [gedaagde] een e-mail van de hoofdaannemer ( [B] ) overgelegd als onderbouwing dat er te veel uren zouden zijn gedeclareerd, maar in die e-mail schrijft [B] : “(…) I don’t know what further arrangements you made with the guys (…).” Ook hieruit volgt dus niet dat een urenlimiet afgesproken is tussen [eiser] en [gedaagde] en/of dat [eiser] te veel uren in rekening heeft gebracht bij [gedaagde] . De andere stukken die [gedaagde] heeft overgelegd zijn bovendien onduidelijk en missen een (duidelijke) toelichting, waardoor uit deze stukken niet kan worden vastgesteld dat een urenlimiet is afgesproken, laat staan dat dit overschreden zou zijn.
In het dossier zitten ook geen aanknopingspunten voor de stelling van [gedaagde] dat hij en/of [B] klachten hadden over het door [eiser] afgeleverde werk. Het had (na de betwisting door [eiser] ) op de weg van [gedaagde] gelegen om deze stelling te onderbouwen, maar dat heeft hij niet gedaan. Uit de screenshots van de Whatsappberichten die [eiser] heeft overgelegd lijkt eerder het tegendeel te volgen. In de Whatsappberichten is te zien dat [eiser] telkens foto’s van het afgeronde werk naar [B] stuurt en [B] daar geen klachten over heeft.
Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt niet
[gedaagde] stelt daarnaast dat hij (een deel van) de factuur van [eiser] mocht verrekenen met kosten voor autoreparaties en gereedschap die hij voor [eiser] zou hebben voorgeschoten. Ook dit verweer slaagt niet.
Als het niet eenvoudig is om te bepalen of het beroep op verrekening van [gedaagde] klopt en de vordering van [eiser] verder gegrond is, kan de kantonrechter ondanks het beroep op verrekening de vordering toewijzen.1 Dat is hier het geval.
[eiser] heeft betwist dat [gedaagde] autoreparaties voor hem heeft voorgeschoten en [gedaagde] heeft hier helemaal geen stukken/onderbouwing van laten zien. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook nog gezegd dat hij gereedschap voor [eiser] zou hebben betaald, maar dit heeft hij eveneens niet onderbouwd en dit blijkt verder nergens uit.
De wettelijke handelsrente
[eiser] heeft de wettelijke handelsrente tot de datum van de dagvaarding (19 januari 2026) berekend op € 170,84 en dit bedrag wordt (bij gebrek aan betwisting) toegewezen.
[eiser] vordert daarnaast de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 12 januari 2026, maar hij heeft onvoldoende toegelicht waarom de wettelijke handelsrente vanaf die datum zou moeten worden toegewezen. In het dossier zitten ook geen aanknopingspunten waaruit de kantonrechter die datum kan afleiden. De gevorderde rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht wordt geen Btw over de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Daarom zal een bedrag van € 425,00 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] , is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,77 |
|
|
- griffierecht |
€ |
265,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
253,00 |
(1 punt × € 253,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
815,77 |
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een beslissing neemt.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] , om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.170,84, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 3.000,00, met ingang van 19 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] , om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 425,00 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] , in de proceskosten van € 815,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] , niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
61312