RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 12140945 \ MC EXPL 26-1440 JD/51246
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING YMERE,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
gemachtigde: Van der Hoeden | Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 maart 2026 met 13 producties;- het mondelinge antwoord van [gedaagde] tijdens de rolzitting van 25 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling op 30 juni 2026 was namens de gemachtigde van Ymere de heer [A] aanwezig. Hij heeft een actuele specificatie van de huurachterstand ingediend. [gedaagde] is niet naar de zitting gekomen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken.
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.
2 De kern van de zaak
De inmiddels overleden moeder van [gedaagde] huurde van Ymere de woning aan het adres [straat 1] [nummeraanduiding 1] in [plaats] . Volgens Ymere heeft [gedaagde] na het overlijden van haar moeder nog enige tijd in deze woning gewoond en is toen een huurachterstand ontstaan. Vanaf 11 maart 2024 heeft [gedaagde] de woning aan de [straat 2] [nummeraanduiding 2] met daarbij een parkeerplaats van Ymere gehuurd. Ook voor deze woning is volgens Ymere een huurachterstand ontstaan. Ymere eist dat [gedaagde] in totaal € 13.924,97 (inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten) aan haar moet betalen. De kantonrechter wijst een deel van dit bedrag toe: [gedaagde] moet € 12.671,75 aan Ymere betalen. Ymere vordert in haar dagvaarding ook ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] en ontruiming van de woning en parkeerplaats, maar zij heeft die vorderingen tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. [gedaagde] heeft de woning aan de [straat 2] en de bijbehorende parkeerplaats namelijk al verlaten.
3 De beoordeling
Ymere heeft geen belang meer bij de gevorderde verklaring voor recht
Ymere vordert in de dagvaarding een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst met [gedaagde] voor de woning aan de [straat 2] [nummeraanduiding 2] en de parkeerplaats aan de [straat 3] [letter/nummeraanduiding 3] in [plaats] op 20 april 2026 is geëindigd. Ymere heeft deze vordering niet ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter wijst de vordering af, omdat Ymere hier geen belang meer bij heeft. Volgens Ymere heeft [gedaagde] de huurovereenkomst opgezegd en heeft zij de woning en de parkeerplaats al ontruimd en opgeleverd. Voor partijen is dus duidelijk dat de huurovereenkomst is geëindigd.
De kantonrechter merkt nog op dat [gedaagde] tijdens de rolzitting heeft gezegd dat zij het gevoel heeft dat zij onder druk is gezet om de huurovereenkomst op te zeggen. Dit verweer kan [gedaagde] niet helpen, omdat zij niet heeft uitgelegd welke juridische gevolgen haar verweer zou moeten hebben. [gedaagde] is ook niet naar de zitting gekomen, dus de kantonrechter heeft hierover geen vragen aan [gedaagde] kunnen stellen.
[gedaagde] hoeft de huurachterstand voor de woning aan het [straat 1] niet te betalen
Volgens Ymere is de huurachterstand voor de woning aan het [straat 1] [nummeraanduiding 1] € 986,79. Deze huurachterstand is berekend vanaf de maand augustus 2023 tot en met 11 april 2024. Bij de berekening is ook rekening gehouden met betalingen in mei en augustus 2024. Ymere eist dat [gedaagde] de huurachterstand met rente en kosten betaalt. De kantonrechter wijst die vordering af. De huurovereenkomst tussen Ymere en de moeder van [gedaagde] is opgezegd tegen 19 februari 2024. Uiteindelijk vond de oplevering plaats op 11 april 2024. Tot die datum liep de betalingsverplichting van de moeder door. Dat betekent dat Ymere de erfgenamen van de moeder moet aanspreken om de huurachterstand te betalen. [gedaagde] is weliswaar erfgenaam, maar zij is niet in die hoedanigheid gedagvaard en het is ook niet duidelijk of er nog meer erfgenamen zijn.
[gedaagde] moet € 12.671,75 aan huur betalen voor de woning aan de [straat 2]
Ymere noemt in de laatste specificatie een huurachterstand van € 13.658,54. Dit bedrag is berekend tot en met de maand juni 2026. In het bedrag zit ook de vordering van € 986,75. De huurachterstand voor de [straat 2] bedraagt € 12.671,75 tot en met de maand juni. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen (de hoogte van) deze huurachterstand. Daarom zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen om € 12.671,75 aan Ymere te betalen.
Ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden
In de dagvaarding verwijst Ymere naar algemene huurvoorwaarden die zij heeft ingediend. Hoewel hier niets over in de huurovereenkomst staat vermeld, gaat de kantonrechter er op basis van de dagvaarding van uit dat de algemene huurvoorwaarden op de huurovereenkomst met [gedaagde] van toepassing zijn. De kantonrechter moet ambtshalve (dus ook als [gedaagde] op dit punt geen verweer voert) beoordelen of in de huurovereenkomst of in de algemene voorwaarden een of meerdere contractuele regelingen zijn opgenomen over de verschillende onderdelen van de vordering, en zo ja, of die regelingen oneerlijk zijn.
Er is geen rentebeding, maar wel een onredelijk bezwarend boetebeding
In de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden is weliswaar geen beding over de rente opgenomen, maar artikel 11.2 bepaalt wel dat Ymere de huurder een boete kan opleggen als de huurder de huur niet op tijd betaalt. Er is geen boetebedrag opgenomen. De boetes kunnen oneindig oplopen. Daar komt bij dat Ymere door het beding zowel de wettelijke rente uit artikel 6:119 BW als een boete bij [gedaagde] in rekening kan brengen. Die mogelijkheid levert een onevenredig hoge schadevergoeding op en is onredelijk bezwarend.
Het incassokostenbeding is samen met het boetebeding onredelijk bezwarend
In artikel 11 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de (buiten)gerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals [gedaagde] , zijn namelijk alleen de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid moet hebben gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten. [gedaagde] is op grond van artikel 11.1 en 11.3 van de algemene voorwaarden in principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst de door Ymere gemaakte kosten te voldoen zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. De kantonrechter is van oordeel dat het beding zodanig afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat [gedaagde] aanzienlijk wordt benadeeld. Daarbij is in artikel 11.2 van de algemene voorwaarden ook nog opgenomen dat bij niet tijdige betaling van de huur, Ymere de huurder een boete op kan leggen. Afgezien van het feit dat in het beding geen boetebedrag is opgenomen en de boetes oneindig kunnen oplopen, levert (de mogelijkheid van) het in rekening brengen van een boete naast buitengerechtelijke incassokosten een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is op zichzelf en in combinatie met het boetebeding onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.
De gevolgen van de ambtshalve toetsing voor de vordering
Omdat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten volledig worden afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van Ymere op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.504,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
864,00 |
(2 punten × € 432,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.665,02 |
4 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Ymere € 12.671,75 aan huurachterstand voor de woning aan de [straat 2] [nummeraanduiding 2] in [plaats] te betalen;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.665,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.