ECLI:NL:RBMNE:2026:5070

Datum uitspraak
22-07-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
11937805 \ MC EXPL 25-5847
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering betaling facturen hovenierswerkzaamheden. Er is niet gebleken dat van tevoren een vast bedrag is afgesproken, dat de kwaliteit van het werk slecht was en/of dat gedaagde schade zou hebben geleden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11937805 \ MC EXPL 25-5847 RJ/58605

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam],

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: K. Shtapakova (Juristu Incasso Juristen B.V.),

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

vertegenwoordigd door: [gemachtigde] (middellijk bestuurder).

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:

- de dagvaarding van 21 oktober 2025 met producties 1 tot en met 9;- de conclusie van antwoord van 10 december 2025 met bijlagen;

- de akte van [eiser] (door hem genoemd: conclusie van antwoord in reconventie) van 4 maart 2026.

1.2

Op 6 juli 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling (in de rechtbank in Utrecht), waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [eiser] was hierbij aanwezig. Aan de zijde van [gedaagde] is niemand verschenen.

1.3

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis in deze zaak zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] wil dat [gedaagde] € 4.727,14 aan hem betaalt, omdat [eiser] hovenierswerkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. [gedaagde] wil dit bedrag niet aan [eiser] betalen, omdat volgens haar € 3.600,00 was afgesproken, de kwaliteit van het werk slecht was en omdat [gedaagde] schade zou hebben geleden. De kantonrechter geeft [eiser] gelijk. Er is niet gebleken dat van tevoren een bedrag van € 3.600,00 is afgesproken, dat de kwaliteit van het werk slecht was en/of dat [gedaagde] schade zou hebben geleden. [gedaagde] moet daarom voor de werkzaamheden betalen.

3 De beoordeling

[gedaagde] moet het bedrag van € 4.727,14 aan [eiser] betalen

3.1

[gedaagde] moet het bedrag van € 4.727,14 aan [eiser] betalen. De kantonrechter legt dat hierna uit.

3.2

[eiser] heeft facturen overgelegd ter onderbouwing van zijn vordering. Hierin zijn de gewerkte uren en de gevorderde kosten gespecificeerd. [gedaagde] is het niet eens met deze kosten en heeft aangegeven dat het project is aangenomen voor € 3.600,00 (45 euro per man, 8 uur per dag, 5 dagen werk). Maar volgens [eiser] was er niets afgesproken over een vast bedrag of een uurloon. De kantonrechter stelt vast dat een afspraak van € 3.600,00 nergens uit blijkt. Daarbij komt dat [eiser] al facturen stuurde tijdens de werkzaamheden en [gedaagde] toen geen bezwaren heeft geuit over de hoogte en de opbouw van de kosten. Bovendien heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling van de zaak uitgelegd dat de werkzaamheden meer tijd hebben gekost door tussentijdse onduidelijkheden die te wijten waren aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit vervolgens niet weersproken (zij was niet bij de mondelinge behandeling aanwezig). Omdat [gedaagde] het aantal gewerkte uren en de (materiaal)kosten verder niet heeft betwist, gaat de kantonrechter ervan uit dat de facturen kloppen.

3.3

Verder beroept [gedaagde] zich op verschillende schadeposten. Zo zou er sprake zijn van € 2.500,00 aan schade aan een terrasoverkapping, € 600,00 vanwege verkeerd gelegd kunstgras, € 3.000,00 omzetverlies vanwege een projectovername door [eiser] en € 14.000,00 verlies vanwege een project dat niet is doorgegaan vanwege het slechte werk van [eiser] . [eiser] heeft al deze schadeposten betwist. [eiser] heeft aangegeven niet bekend te zijn met schade aan een terrasoverkapping, van een projectovername is volgens [eiser] geen sprake en van gebreken aan de geleverde werkzaamheden/slecht werk ook niet (en dus ook niet van een projectverlies door hem). Met betrekking tot het kunstgras heeft [eiser] toegelicht dat het klopt dat één stuk kunstgras niet netjes lag (verkeerde grasrichting), maar dat dit een tijdelijke oplossing was totdat [gedaagde] een goed stuk kunstgras had besteld (wat [eiser] dan opnieuw zou leggen). [gedaagde] heeft vervolgens geen juist/passend stuk meer geleverd. Dat het kunstgras op één stuk dus niet mooi ligt, kan volgens [eiser] dus niet aan hem worden toegerekend. Gelet op de betwisting van de schadeposten door [eiser] lag het op de weg van [gedaagde] om de gestelde schadeposten (verder) te onderbouwen. Dit had hij bijvoorbeeld kunnen doen met schriftelijke stukken zoals e-mails, bankafschrijvingen, facturen en/of foto’s. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan, waardoor de kantonrechter niet kan vaststellen of er daadwerkelijk schade is geleden en wat de hoogte hiervan dan zou zijn. Daarom gaat de kantonrechter aan de stellingen van [gedaagde] voorbij.

3.4

Omdat [eiser] de facturen voldoende heeft onderbouwd en er niet is gebleken van schade aan de zijde van [gedaagde] , moet [gedaagde] de facturen van [eiser] betalen.

[gedaagde] moet wettelijke handelsrente betalen

3.5

[eiser] vordert de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2025. Omdat [gedaagde] de facturen nog moet betalen, moet zij daarover ook wettelijke rente betalen. Die rente is namelijk een vergoeding voor de vertraging in de betaling. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de laatste factuur (202412-027) van 2 december 2024 van € 846,88 nog óp 1 januari 2025 mocht betalen. Daarom wordt de wettelijke handelsrente over € 846,88 vanaf 2 januari 2025 toegewezen. De wettelijke rente over € 3.880,26 (€ 4.727,14 - € 846,88) wordt toegewezen vanaf 1 januari 2025, omdat dit bedrag (gelet op de vervaldata van de facturen) vóór 1 januari 2025 betaald had moeten zijn.

3.6

[eiser] vordert vergoeding van de wettelijke rente zonder aan te geven welke wettelijke rente hij bedoelt te vorderen. De kantonrechter zal de in artikel 6:119a BW bedoelde (handels)rente toewijzen, omdat aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten van € 597,71 betalen

3.7

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 597,71 worden toegewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

3.8

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dit betekent dat zij haar eigen kosten moet dragen en de proceskosten van [eiser] aan hem moet betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

122,35

- griffierecht

€

257,00

- salaris gemachtigde

€

360,00

(1 punt × € 360,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

883,35

Er is geen sprake van een eis in reconventie

3.9

[eiser] heeft op 4 maart 2026 een “conclusie van antwoord in reconventie” ingediend, maar er is in deze zaak geen sprake van een eis in reconventie. Daarom merkt de kantonrechter dit stuk aan als een akte en is hier bij de proceskostenveroordeling geen punt voor toegekend.

De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.10

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.727,14, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 3.880,26 met ingang van 1 januari 2025 en over € 846,88 met ingang van 2 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 597,71 aan buitengerechtelijke incassokosten,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 883,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en bij haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. I.L. Rijnbout op 22 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »