RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12098025 \ MC EXPL 26-816 AW/1583
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
STICHTING YMERE,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
gemachtigde: Geerlings & Hofstede,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 9 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2 De kern van de zaak
Ymere verhuurde aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Bij vaststellingsovereenkomst is [gedaagde] akkoord gegaan met een huuropzegging. [gedaagde] heeft de woning vanwege persoonlijke omstandigheden niet aan Ymere opgeleverd. Ymere wil dat [gedaagde] alsnog de woning ontruimd. Verder wil Ymere dat [gedaagde] de huur, de gebruiksvergoeding, de buitengerechtelijke kosten de rente betaald. De kantonrechter wijst de vorderingen van Ymere, behalve die tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, toe.
3 De beoordeling
[gedaagde] moet de woning ontruimen
Ymere en [gedaagde] hebben een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de [adres] te [plaats] . Het ging om een “jongerencontract” bestemd om jongeren in de leeftijd van 18 t/m 27 jaar tijdelijke huisvesting te bieden. De overeenkomt liep van 7 juni 2018 tot en met 6 juni 2023 en is daarna verlengd tot 6 juni 2025. Bij vaststellingsovereenkomst is [gedaagde] akkoord gegaan met de huuropzegging door Ymere. De huurovereenkomst eindigde daardoor op 6 juni 2025. Ymere en [gedaagde] zijn als opleverdatum 15 januari 2026 overeengekomen. [gedaagde] heeft de woning niet op 15 januari 2026 opgeleverd.
Uit de vaststellingsovereenkomst vloeit voort dat [gedaagde] de woning moet verlaten. De persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] , een jonge moeder met een dochtertje van drie jaar, wegen niet op tegen de belangen van Ymere tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Daarbij weegt mee dat de minderjarige dochter van [gedaagde] op dit moment niet bij haar woont. De verklaring voor recht dat de (verlengde) huurovereenkomst is beëindigd en [gedaagde] daarom geen huurbescherming meer geniet en ook de ontruiming zal daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
[gedaagde] moet de huurachterstand en gebruiksvergoeding betalen
[gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand en de gebruiksvergoeding - die Ymere bij akte nader heeft gespecificeerd - tot en met juli 2026 2026 niet betwist. Het bedrag van € 9.187,62 wordt daarom toegewezen. Ook dit geeft aanleiding tot toewijzing van de ontruiming.
Ymere wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 541,98, te rekenen vanaf de maand augustus 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in de woning verblijft. Deze vordering zal ook worden toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
De kantonrechter heeft geconstateerd dat in de overeenkomst of in de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden geen rentebeding is opgenomen. Ymere vordert wettelijke rente over de huurachterstand dan wel gebruiksvergoeding. [gedaagde] moet deze rente betalen.
[gedaagde] heeft de buitengerechtelijke kosten niet te betalen
In artikel 11 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de (buiten)gerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals [gedaagde] , zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid moet hebben gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten. [gedaagde] is op grond van artikel 11.1 in principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door de eisende partij gemaakte kosten te voldoen onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. De kantonrechter is van oordeel dat het beding zodanig afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat de consument aanzienlijk wordt benadeeld. Daarbij is in artikel 11.2 ook nog opgenomen dat bij niet tijdige betaling van de huur, de verhuurder de huurder een boete op kan leggen. Dat Ymere de mogelijkheid heeft om naast de buitengerechtelijke incassokosten een boete in rekening te brengen, levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is daarom op zichzelf en in combinatie met het boetebeding onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd. Omdat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten volledig moeten worden afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten voldoen
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ymere worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
153,02 |
|
|
- griffierecht |
€ |
559,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.576,02 |
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
4 De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat de (verlengde) huurovereenkomst die tussen Ymere en [gedaagde] heeft bestaan, op 6 juni 2025 is beëindigd. [gedaagde] geniet daarom geen huurbescherming meer,
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Ymere zijn, en de sleutels af te geven aan Ymere,
veroordeelt [gedaagde] om aan Ymere te betalen een bedrag van € 9.187,62 aan huur en gebruiksvergoeding tot en met juli 2026 vermeerderd met de wettelijke rente over € 6.534,00 vanaf 6 februari 2026 tot de dag van voldoening,
veroordeelt [gedaagde] om aan Ymere te betalen een gebruiksvergoeding van € 541,98 per maand vanaf augustus 2026 tot en met de datum van de ontruiming,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.576,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026. |
||