RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12101871 UC EXPL 26-1304 MH/67077
Verstekvonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
Besloten Vennootschap Medicura,
gevestigd in Nederweert,
eisende partij,
gemachtigde: Nederlands Incasso & Advies Bureau BV h.o.d.n. REXXOO,
tegen:
[gedaagde] ,
wonend in [verdachte] ,
gedaagde partij,niet verschenen.
1 De procedure
De eisende partij heeft gevorderd dat de gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en ook geen toestemming gevraagd om op een later moment alsnog te mogen reageren. Daarom is verstek verleend tegen de gedaagde partij.
Vervolgens is een tussenvonnis gewezen, waarna de eisende partij de vordering in een akte heeft toegelicht.
Daarop volgt nu dit vonnis.
2 De beoordeling
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar, namelijk de eisende partij, en een consument, namelijk de gedaagde partij. De overeenkomst is online via de website van de eisende partij tot stand gekomen op 21 augustus 2023, waarna de eisende partij medische hulpmiddelen ter beschikking heeft gesteld aan de gedaagde partij. Zij heeft op 22 november 2023 en op 25 januari 2024 in een brief aan de gedaagde partij aangekondigd dat de bruikleentermijn afliep. In de brief staat ook dat de eisende partij huur in rekening zou brengen, indien de hulpmiddelen niet door de gedaagde partij zouden worden geretourneerd. Er is geen huurprijs vermeld in de brief.
De eisende partij stelt niets vernomen te hebben van de gedaagde partij, waarna zij een maandelijkse vergoeding in rekening heeft gebracht voor de hulpmiddelen. Die maandelijkse vergoeding is vanaf april 2024 in rekening gebracht. In totaal vordert de eisende partij een bedrag van € 1.187,00 (14 termijnen). De eisende partij vordert ook de ontbinding van de huurovereenkomst en de huurtermijnen tot de datum van de ontbinding.
De kantonrechter heeft de eisende partij de gelegenheid gegeven om bij akte toe te lichten hoe zij heeft voldaan aan de informatieplichten van de artikelen 6:230m BW en 6:230v BW. De eisende partij stelt in haar akte dat de informatieplichten in dit geval niet van toepassing zijn, omdat er sprake is van een bruikleenovereenkomst.
De kantonrechter begrijpt – mede gelet op de akte – dat het standpunt van de eisende partij is dat partijen een bruikleenovereenkomst hebben gesloten voor de eerste 26 weken, die na 26 weken overgaat in een huurovereenkomst als de zaak niet wordt teruggegeven of gekocht. Afhankelijk van hoe de gedaagde partij had gereageerd op de brieven van de eisende partij was (a) de overeenkomst tussen partijen geëindigd door het terugzenden van de zaak, (b) een koopovereenkomst tot stand gekomen doordat partijen daarover overeenstemming zouden hebben bereikt, of (c) een huurovereenkomst tot stand gekomen als geen sprake is van een situatie als hiervoor bedoeld bij (a) of (b).
Om te beoordelen wat voor overeenkomst na de bruikleenperiode van 26 weken tot stand is gekomen, overweegt de kantonrechter als volgt. Als eerste dienen aan de hand van de Haviltexmaatstaf de overeengekomen rechten en verplichtingen te worden vastgesteld, waarna beoordeeld kan worden of die overeenkomst de kenmerken heeft van de door de wet benoemde overeenkomst. Als de vastgestelde rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de benoemde overeenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder deze wettelijke regeling te laten vallen. Of de overeenkomst moet worden aangemerkt als de in de wet benoemde overeenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien.
Uit de brieven waarin staat dat de zaak moet worden ingeleverd, of dat de zaak kan worden gekocht of gehuurd, blijkt niet wat de tegenprestatie is voor het behouden van de zaak. Ook blijkt niet dat een wijze is afgesproken om de hoogte van de tegenprestatie later vast te stellen. Op geen enkele wijze is daarom bepaalbaar wat de tegenprestatie is.
Daarom is wel overeengekomen dat de gedaagde partij de zaak kan houden, maar niet wat de tegensprestatie is of hoe die kan worden vastgesteld.
Deze rechten en verplichtingen vallen niet onder de wettelijke omschrijving van huur of koop, zodat geen huur- of koopovereenkomst tot stand kan zijn gekomen. Wel vallen deze rechten en verplichtingen onder de wettelijke omschrijving van bruikleen, zodat ook na de 26 weken een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen voor onbepaalde tijd.
Dan geldt dat de informatieplichten in inderdaad niet op de bruikleenovereenkomst van toepassing zijn. Maar dan is ook geen sprake van een verplichting om de in rekening gebracht en tijdens deze procedure gevorderde huurtermijnen te betalen. Nu de eisende partij betaling van huurtermijnen vordert, vermeerderd met rente en kosten, komt de vordering ongegrond voor en wordt deze afgewezen.
De eisende partij is de in het ongelijk gestelde partij en moet de proceskosten betalen. Deze kosten worden aan de zijde van de eisende partij tot vandaag begroot op nihil.
3 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt de eisende partij in de proceskosten van de gedaagde partij, tot vandaag begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.