ECLI:NL:RBMNE:2026:4505

Datum uitspraak
08-07-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12164262 UE VERZ 26-130 LvdH/1470
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vernietiging ontslag op staande voet. Afwijzing verzoek tot wedertewerkstelling, omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege is geëindigd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 12164262 UE VERZ 26-130 LvdH/1470

Beschikking van 8 juli 2026

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij in het verzoek,

verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. D.F. Oberman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tatli Utrecht B.V.,

gevestigd in Utrecht,

verder ook te noemen Tatli,

verwerende partij in het verzoek,

verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J.A. Noordam.

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:

- het verzoekschrift met 4 producties;

- het verweerschrift tevens ook voorwaardelijk tegenverzoek;

- een aanvullende productie 5 van [verzoekster] ;

- een productie van Tatli.

1.2

De mondelinge behandeling is gehouden op 10 juni 2026. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Tatli waren aanwezig mevrouw [A] ( [functie 1] van Tatli) en mevrouw [B] ( [functie 2] bij Tatli). Zij werden bijgestaan door de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht, waarbij namens [verzoekster] gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen. Ook is er antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en hebben partijen op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft bepaald dat er vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2 De kern van de zaak

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 2006, is sinds 12 of 13 november 2025 in dienst bij Tatli. Tatli houdt zich bezig met de verkoop van taarten. Op 2 februari 2026 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. [verzoekster] verzoekt in deze procedure om vernietiging van dat ontslag op staande voet en doorbetaling van haar loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en vernietigt het ontslag op staande voet. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en [verzoekster] recht heeft op betaling van (achterstallig) loon. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat Tatli geen belang meer heeft bij het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek, omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter zal dit toelichten.

3 De beoordeling

in het verzoek: vernietiging van het ontslag op staande voet

3.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Tatli moet worden veroordeeld tot betaling van achterstallig loon.

Toetsingskader ontslag op staande voet

3.2

Een ontslag op staande voet is rechtsgeldig wanneer er een dringende reden is en de werkgever de arbeidsovereenkomst om die dringende reden onverwijld heeft opgezegd onder onverwijlde mededeling van die dringende reden aan de werknemer.

Dringende reden

3.3

Uit de wet volgt dat als dringende reden beschouwd worden zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.4

Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij worden ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer zou hebben, betrokken. Ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.

3.5

Uit de ontslagbrief van 2 februari 2026 blijkt dat Tatli als dringende reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd dat [verzoekster] op 31 januari 2026 rond 23.15 uur het werk heeft verlaten zonder dit te hebben gemeld en ook zonder dat zij hiervoor toestemming had.

3.6

Volgens [verzoekster] klopt het dat zij op 31 januari 2026 het werk eerder heeft verlaten. Zij had kort daarvoor telefonisch contact gehad met de zus van mevrouw [A] . Zij heeft dit telefoongesprek als intimiderend en bedreigend ervaren en zij was hierdoor geëmotioneerd.

3.7

Uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de winkel van Tatli tot middernacht geopend is en dat het tot aan sluitingstijd druk kan zijn in de winkel. Ook na sluitingstijd moeten er nog werkzaamheden worden gedaan in de winkel, zoals opruimen. Ook van [verzoekster] werd verwacht dat zij na sluitingstijd zou helpen met deze werkzaamheden. Door het eerdere vertrek van [verzoekster] was er nog maar één werknemer van Tatli aanwezig en dat is gelet op wat er nog gedaan moest worden en de veiligheid van de betreffende medewerker niet gewenst.

3.8

Op 2 februari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden met [verzoekster] en in dat gesprek heeft [verzoekster] haar excuses aangeboden en aangegeven dat ze uit emotie die avond is vertrokken. Tatli heeft desondanks besloten [verzoekster] op staande voet te ontslaan.

3.9

De kantonrechter is van oordeel dat Tatli met een ontslag op staande voet te ver is gegaan. [verzoekster] heeft weliswaar niet goed gehandeld door haar eerder van haar werk te vertrekken zonder toestemming en zonder dit te melden, maar dit gedrag rechtvaardigt niet een ontslag op staande voet. Er waren andere maatregelen meer passend geweest, zoals het geven van een waarschuwing. In het gesprek van 2 februari 2026 bleek namelijk dat [verzoekster] zich bewust was van het feit dat ze niet juist had gehandeld en had ze hiervoor ook haar excuses aangeboden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat er geen sprake is van een dringende reden, die tot gevolg had dat van Tatli niet verlangd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.10

Omdat geen sprake is van een dringende reden, kan het ontslag op staande voet niet in stand blijven. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt daarom toegewezen. Of is voldaan aan het onverwijldheidsvereiste, hoeft niet meer te worden beoordeeld.

[verzoekster] heeft recht op loon, wettelijke verhoging en rente

3.11

Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus vanaf 2 februari 2026 is blijven doorlopen, heeft [verzoekster] vanaf die datum recht op loon.

3.12

Partijen zijn het er inmiddels over eens dat [verzoekster] in dienst is getreden bij Tatli op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 7 maanden. Met een indiensttreding op 12 of 13 november 2025 betekent dit dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 12 of 13 juni 2026. Tot deze periode heeft [verzoekster] dan ook recht op haar loon.

3.13

Voor de bepaling van de hoogte van het loon van [verzoekster] , doet [verzoekster] een beroep op het rechtsvermoeden van de arbeidsomvang.1 Strikt genomen is dit artikel niet van toepassing, omdat [verzoekster] voor de datum van het gegeven ontslag op staande voet niet een periode van 3 maanden aan het werk is geweest bij Tatli.

3.14

[verzoekster] heeft volgens haar opgave in november 2025 62 uur gewerkt, in december 2025 46 uur en in januari 2026 63 uur. Deze aantallen zijn voor Tatli niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van deze aantallen. Ondanks het feit dat [verzoekster] pas halverwege november 2025 is begonnen met haar werk bij Tatli, heeft zij in deze maand 62 uur gewerkt. Dit aantal is meer dan de gewerkte uren in december 2025 en vergelijkbaar met het aantal gewerkte uren in januari 2026. De kantonrechter zal om die reden de gewerkte uren in november 2025 daarom beschouwen als representatief voor de te werken uren door [verzoekster] en neemt het aantal van 62 uur daarom mee in de berekening. Het gemiddeld aantal gewerkte uren over november 2025, december 2025 en januari 2026 komt hiermee uit op 57 uur per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] recht had op een bruto uurloon van € 12,00. [verzoekster] heeft daarmee recht op een bruto maandloon van € 684,00, (57 uur x

€ 12,-). Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat [verzoekster] ook recht had op een vakantietoeslag van 8%. Ook dit kan worden toegewezen, waarmee het bruto maandloon waarop [verzoekster] recht heeft neerkomt op een bedrag van € 738,72.

3.15

[verzoekster] heeft ook nog verzocht Tatli te veroordelen tot betaling aan haar van de onbetaald gebleven vakantiedagen. [verzoekster] heeft verder niet onderbouwd om hoeveel dagen dit gaat, zodat de kantonrechter dit onderdeel van het verzoek afwijst.

3.16

De verzochte wettelijke verhoging en de wettelijke rente worden toegewezen, omdat Tatli ten onrechte geen loon heeft betaald. De kantonrechter ziet in de feiten en omstandigheden geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen

Geen wedertewerkstelling

3.17

In haar verzoekschrift heeft [verzoekster] verzocht Tatli te veroordelen [verzoekster] weer toe te laten tot haar werkzaamheden. Dit verzoek zal worden afgewezen, omdat op het moment van deze beschikking de arbeidsovereenkomst inmiddels van rechtswege is geëindigd.

Incidentele vordering

3.18

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op de verzoeken van [verzoekster] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. [verzoekster] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

in het (voorwaardelijk) tegenverzoek: geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst

3.19

Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, moet ook op het ontbindingsverzoek van Tatli worden beslist.

3.20

Zoals hiervoor al is geoordeeld, is de arbeidsovereenkomst tussen Tatli en [verzoekster] van rechtswege geëindigd op 12 of 13 juni 2026. Om die reden heeft Tatli daarom geen belang meer bij dit verzoek en hoeft hierop niet te worden beslist.

in het verzoek en in het (voorwaardelijk) tegenverzoek:

De proceskosten

3.21

Tatli is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). In het voorwaardelijk tegenverzoek worden de proceskosten vanwege de verwevenheid met het verzoek begroot op nihil.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

4.1

verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek;

in het verzoek:

4.2

vernietigt het ontslag op staande voet van 2 februari 2026;

4.3

veroordeelt Tatli om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 738,72 bruto per maand over de periode van 1 februari 2026 tot en met 13 juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

4.4

veroordeelt Tatli in de proceskosten van [verzoekster] van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Tatli niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;

4.5

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad2;

4.6

wijst af het meer of anders verzochte;

in het (voorwaardelijk) tegenverzoek:

4.7

bepaalt dat op dit verzoek niet hoeft te worden beslist;

4.8

veroordeelt Tatli in de proceskosten van [verzoekster] begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »